Home

Stikstof, energie en zelfs woningnood: hoe het oude ‘landgoedmodel’ kan helpen bij grote problemen van nu

Landgoederen verweven al jaren landbouw met biodiversiteit, natuurschoon en leefbaarheid. Daarmee zijn ze voorbeeld voor de rest van Nederland, vinden de eigenaren. Maar het feodale imago zit het ‘landgoedmodel’ in de weg.

schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.

Pastorale beelden op landgoed Vilsteren in Overijssel. Eerst door eikenlanen en daarna het bos in, uitkijken vanaf de rivierduin over de Vecht en dan lichtelijk afwijken van de route, om te komen bij met houtwallen en heggen omgeven weilandjes. En nu is er uitzicht op hobbelig grasland tussen de Vecht en een dode zijarm van de rivier. Natuurgrond, zou je zeggen, maar nee.

Hier grazen de Fleckviehkoeien van Erve Meijerink, een van de pachtbedrijven op het landgoed. Martijn en Linda Hulsman van Erve Meijerink hebben her en der ook voederheggen aangelegd, als vervanging van prikkeldraad, voor de koeien om van te ‘knabbelen’ en voor ‘de natuur’. En ze doen wel meer: ze hebben een pluktuin bij de boerderij, ze hebben een voedselbos aangelegd en hebben ook nog schapen die bijna het hele jaar op de natuurweiden langs de Vecht lopen. Biologisch, natuurinclusief, een winkel aan huis.

Erve Meijerink is niet het enige boerenbedrijf op landgoed Vilsteren dat zich heeft verbonden aan verduurzaming van het landgoed. Onder meer middels een twaalfjarig pachtcontract op vrijgekomen percelen die onder de boeren werden verdeeld. Met criteria naar keuze, zoals het afzien van kunstmestgebruik, minder stikstofoverschot, meer weidegang, de aanplant van bomen en struiken, meer aandacht voor een gezonde bodem.

Optimale verweving

Geen intensivering dus, maar juist ‘extensivering’. Maatregelen die ook moeten leiden tot het (bijna) sluiten van de kringlopen op het landgoed. 60 procent van de 1.053 hectare van Vilsteren is nu bos of ‘natuur’, 40 procent landbouw. Het streven is, zo zegt mede-eigenaar Liesbeth Cremers, om van het landgoed als geheel een natuurinclusief gemengd bedrijf te maken – waarbij de negen veehouders en een akkerbouwer samenwerken, en waarbij gebruik wordt gemaakt van reststromen uit bos en natuur om de bodem te verbeteren op de landbouwpercelen.

Optimale verweving van landbouw en natuur kortom. Je kunt het een logisch uitvloeisel noemen van de Natuurschoonwet, die bijna honderd jaar bestaat en waaronder landgoederen vallen. Minimaal 30 procent van landgoederen moet ‘natuur’ zijn. Met als gevolg dat eigenaren vaak ook streven naar natuurvriendelijke landbouw op hun verpachte percelen.

‘Wij willen onderdeel zijn van de transitie, een deel van de oplossing’, aldus Cremers. ‘Ik denk dat het landgoedmodel een voorbeeld kan zijn. Op landgoederen zijn we gewend om integraal te denken. We moeten hier rekening houden met cultuurhistorie, met natuur, duurzaamheid, recreatie en de gemeenschap. En we moeten zorgen dat er voldoende inkomsten zijn. We zijn gewend om aan meerdere knoppen te draaien.

‘Er is vaak ook al een eeuwenlange band met de pachters op het land, we zijn wederzijds van elkaar afhankelijk, en we zijn ook allemaal verantwoordelijk voor het voortbestaan. Een kwestie van goed rentmeesterschap dus.’

Feodaal systeem

Het ligt wat gevoelig. Landgoederen worden soms nog geassocieerd met een feodaal systeem. Het is een beeld waarmee de moderne landgoedeigenaren graag willen afrekenen, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat de macht van de landgoedeigenaren beperkt is. De rechten van de pachters zijn vastgelegd in de pachtwet.

Ook op landgoed Vilsteren is het merendeel van de landbouwgrond uitgegeven via reguliere pacht. Die is in principe eeuwig en de grondeigenaar heeft weinig tot niets in te brengen in de bedrijfsvoering. Slechts een klein deel van de grond is uitgegeven via een geliberaliseerde pacht. In dat geval kan de grondeigenaar wel voorwaarden stellen en variëren met de prijs.

Maar het nadeel is dat die pachtvorm kortdurend is, het moedigt niet aan om bijvoorbeeld te investeren in bodemverbetering. Op Vilsteren werd een variant bedacht van twaalf jaar, net lang genoeg om dat nadeel weg te nemen. Met een automatische verlenging van telkens twaalf jaar als aan de afspraken tussen pachter en verpachter is voldaan.

‘Gelukkig hebben we hier geen pachters die helemaal mee willen gaan met schaalvergroting en intensivering. Dat is ook zo gegroeid. Omdat ze pachtbedrijven zijn, kregen ze ook niet de leningen om grote stallen neer te zetten. De meeste pachters hier prijzen zich daar achteraf gelukkig mee, het heeft ze minder afhankelijk gemaakt van de bank.’

Overlegmodel

Het landgoedmodel is een overlegmodel, zegt Cremers. ‘We proberen afspraken te maken. Onze rol is om te wijzen op mogelijkheden, op ecosysteemdiensten, op regelingen, op andere teelten, op bodemverbetering. Maar iedereen heeft vervolgens zijn eigen verantwoordelijkheid. En het gaat ook niet altijd zoals wij, de pachters en de verpachters, het allemaal graag zouden willen.’

Het landgoed als voorbeeld, als model voor oplossingen voor grote problemen in het landelijk gebied, stikstof, waterkwaliteit, biodiversiteit, klimaat en zelfs woningnood; het liefst zou Liesbeth Cremers het landgoedmodel over heel Overijssel ‘uitrollen’.

Ze is niet de enige. Eric Brinckmann, medebeheerder van het Overijsselse landgoed Het Lankheet schreef er al eens een essay over in S&D, het blad van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA.

‘Lang is er gekeken naar landgoederen als feodale relicten uit een ver verleden. Maar door dat landschapsconservatisme, letterlijk door het koste wat kost willen behouden van deze historische ruimtelijke eenheden, is een landschap bewaard gebleven dat nu ineens aan de klimaatadaptieve en -mitigerende eisen voldoet.’

En: ‘Landgoederen kunnen paradoxaal genoeg nu worden beschouwd als het landschap van de toekomst.’

‘Niet fast forward, maar past forward

Brinckmann brengt dat in de praktijk op het landgoed waarvan hij medebeheerder is. Daar is het historische vloeiweidesysteem hersteld, en dat dient nu zowel als instrument tegen verdroging als voor natuurlijke bemesting en irrigatie. Op het landgoed is de kringloop bovendien sluitend gemaakt.

Landbouw weer integreren in het natuurlijke landschap, dat is het idee. Zeker in de overgangsgebieden tussen natuur en de industriële landbouw. En vanuit de landgoederen is ook natuurherstel mogelijk in de nabije omgeving, aldus Brinckmann.

Ook Joks Janssen, planoloog, hoogleraar, onderzoeker en lid van de Raad voor de Leefomgeving, pleitte vorig jaar in zijn oratie voor een ‘wederombouw van het Nederlandse platteland’. Middels actieve grondpolitiek zou de overheid boeren die ‘groen willen doen’ moeten ondersteunen. Met als doel om het platteland minder monofunctioneel te maken, om naast voedselproductie ook andere waarden, ‘zoals biodiversiteit, water, zorg en wonen’, een plek te geven. Grond, gemeenschap en geschiedenis zijn daarbij cruciaal, aldus Janssen. ‘Niet fast forward, maar past forward.’

Geen nostalgisch concept

Egbert Jaap Mooiweer, directeur rentmeester van Stichting Twickel, het grootste particuliere landgoed (7.000 hectare) van Nederland, zegt het nog resoluter: ‘Het landgoedmodel verdient een plek in het regeerakkoord. Het is geen nostalgisch concept, maar biedt een bewezen en realistisch sturingsmodel voor de grote opgaven van onze tijd: stikstof, klimaat, energie en wonen.

‘De komende jaren stopt of transformeert een kwart van de agrarische bedrijven, en groeit het verpachte areaal naar bijna de helft van de landbouwgrond. Als we die verschuiving benutten om het land dezelfde kwaliteit te geven als op landgoederen – met natuur, houtwallen en rentmeesterschap – lossen we meerdere problemen tegelijk op.’

Wat daarbij overigens niet helpt, aldus Mooiweer, is ‘het nieuwe stelsel van box 3 inkomstenbelasting’, zoals dat in een wetsvoorstel van het demissionaire kabinet staat. ‘Daarin wordt generiek belasting geheven over de waardestijging van onroerend goed bij schenking óf overlijden. Daardoor wordt het generatiebestendige beheer uitgehold. Want die lasten kunnen zelden uit de exploitatie worden betaald, waardoor juist delen van landgoederen moeten worden verkocht – met versnippering als gevolg. Precies wat de Natuurschoonwet al bijna honderd jaar voorkomt.’

De verzamelde landgoederen lobbyen inmiddels om de ‘weeffout’ te herstellen en het nieuwe stelsel weer in lijn te brengen met de Natuurschoonwet.

Landgoederen zijn niet uit te vlakken als het gaat om oppervlakte. Er zijn meer dan 1.800 particuliere landgoederen in Nederland, met een gezamenlijke oppervlakte van rond de 200 duizend hectare. Dat is net zoveel als Natuurmonumenten en de provinciale landschapsorganisaties in beheer hebben.

In Overijssel zou je zelfs van een netwerk van landgoederen kunnen spreken. ‘Een tapijt dat op sommige plekken versleten is en gaten heeft, maar dat we weer proberen te verweven’, zo zegt Heidi van Limburg Stirum, bewoner en eigenaar van landgoed Spijkerbosch.

Kwestie van geduld

Een voordeel van een landgoed is daarbij dat geduld onlosmakelijk is verbonden met het beheer van landgoederen, zegt Judith Snepvangers, directeur en rentmeester bij IJssellandschap, een stichting die 4.600 hectare landerijen rond Deventer (60 procent landbouwgrond en 40 procent bos en natuur) in eigendom heeft, van oudsher gronden van de gasthuizen van Deventer.

‘We zijn al eeuwen bezig met de balans tussen maatschappelijke waarden. Vroeger zorg voor mensen, nu de zorg voor het landschap, gecombineerd met activiteiten waarmee je geld verdient. Ons huidige landgoedmodel is dat we met de inkomsten uit onze landbouwgronden het bos- en natuurbeheer kunnen uitvoeren.’

Een natuurrijk, agrarisch cultuurlandschap is daarbij ‘onze stip aan de horizon’, aldus Snepvangers, op het hoofdkantoor in Kasteel de Haere. ‘Daarvoor is verdere vergroening van de landbouw belangrijk. Met onze eeuwenoude historie zijn we eraan gewend dat ontwikkelingen langzaam maar gestaag gaan. Onze pachters met reguliere pachtcontracten proberen we met kortingsregelingen en stimuleringsregelingen te verleiden om groener te boeren.

‘En soms moeten we geduld hebben als we sneller willen dan de bedrijven aankunnen. Bijvoorbeeld door te wachten tot er een opvolger is. Het is belangrijker om een beweging in gang te zetten dan om een exact doel morgen te realiseren. We zeggen niet, zoals de overheid doet: u zult morgen… Dan gaan de hakken in het zand. Juist met elkaar in gesprek zijn werpt vruchten af. Er is een wederzijdse afhankelijkheid: wij kunnen niet zonder de boeren om het landschap te beheren en zij kunnen niet boeren zonder onze grond.’

Verdroging, verzuring, vermesting

Nodig is het wel, die geleidelijke transitie richting extensieve en natuurinclusieve landbouw, vindt Snepvangers, en niet alleen op landgoederen. ‘Wij zien de gevolgen van klimaatverandering en te intensief grondgebruik terug in onze bossen en natuurterreinen. Verdroging, verzuring, vermesting, de gevolgen worden steeds zichtbaarder.

‘We merken het met name aan de vitaliteit van de bossen. De beuken die door verdroging bij bosjes zijn omgevallen hier op De Haere, eiken die verzuren en wegkwijnen, naaldbomen die sterven door de letterzetter (een keversoort, red.). De stressfactoren zijn groot.’

Dus probeert IJssellandschap de boeren op de verschillende landgoederen (rond de 150 pachtcontracten) met zachte hand en goed overleg richting ‘natuurvriendelijk met een fatsoenlijk verdienmodel’ te bewegen. Snepvangers: ‘Dat betekent wel dat de pachtprijzen in verhouding moeten staan met wat we verwachten van pachters. Extensiever boeren geeft minder productie, dan zal er iets tegenover moeten staan om het rendabel te maken. Bijvoorbeeld door realistische vergoedingen voor ecosysteemdiensten die boeren leveren. Of doordat wij als landgoedeigenaar ons economisch model weten bij te buigen en minder afhankelijk worden van de landbouwinkomsten.

‘Daarvoor hebben we de overheden nodig. Bijvoorbeeld door meer wettelijke ruimte te maken voor nieuwe bedrijvigheid of om nieuwe vormen van wonen te kunnen ontwikkelen op onze landgoederen. Dat is nu heel ingewikkeld.’

1,2 koe per hectare

Op vijf minuten loopafstand van het kasteel ligt de boerderij van Remon Keurhorst. Ruim vijftien jaar geleden kreeg hij de kans om zijn melkveebedrijf te verplaatsen naar dit landgoed, en uit te breiden. ‘Ik was al redelijk extensief, met anderhalve koe per hectare, maar we bouwen nu nog iets verder af. Ik heb nu 1,2 koe per hectare.’

Daarmee zit hij ver onder het gemiddelde van twee koeien per hectare. Keurhorst doet nu mee aan een extensiveringsregeling van de overheid, die vier jaar duurt. Hij krijgt het verlies van het inleveren van vee gecompenseerd. Het betekent dat hij voldoende grond heeft voor de weidegang van zijn 138 koeien.

Hij brengt ook geen kunstmest meer op het land. ‘Mij past het wel. Je hebt hier toch te maken met het stikstofverhaal en met de natuur.’

Zeker, er zitten nadelen aan het pachten, zegt hij. ‘Ik mag niet zomaar een stuk grond ophogen of verlagen, want de grond is niet mijn eigendom. En ik heb ook wat incourante percelen. Maar daar doe ik dan botanisch beheer, tegen een vergoeding. Dat noem ik dan maar een neventak. Ik vind dat ook wel mooi. Al is het maar omdat ik hier in een schitterende omgeving woon en werk. Ik zou hier niet meer weg willen.’

Boerenlandgoed

Later in Twente, achter Enschede, een wandeling op een ander boerenbedrijf, Erve ’t Derkink. Vanaf een pad met nog jonge eikjes is er zicht op de zestig vleeskoeien (Blonde d’Aquitaine) en de boerderij. Je zou het niet zeggen, maar ook dit is een landgoed, een boerenlandgoed.

Koort Verveld combineert hier het werk op de boerderij met zijn werk bij een adviesbureau. Er was altijd al tamelijk veel natuur op het bedrijf, in de vorm van houtwallen en bomenrijen. Toen zijn vader ging stoppen met het bedrijf wilde geen van zijn kinderen hem opvolgen, ook Koort aanvankelijk niet. ‘Maar ik heb me op een gegeven moment bedacht. Ik miste het buitenwerk. Mijn vader ging het aantal koeien afbouwen en toen was het voor mij toch te combineren met mijn andere werk.’

Zijn vader had van het boerenbedrijf al een landgoed gemaakt, met het oog op het belang van zijn kinderen. Met onder meer het doel om de grond in familiebezit te houden. Op een boerenlandgoed moet zeker 30 procent natuur zijn en het moet gedeeltelijk worden opengesteld voor publiek. Daar staan fiscale voordelen en mogelijke nieuwe inkomstenbronnen tegenover.

Een ideale constructie voor Koort. ‘Er was hier al heel veel natuur. Ik heb zelf nog kruidenrijke akkerranden ingezaaid en eiken geplant. En nu al heb ik het idee dat ik hier meer vogels zie, uilen, spechten, fazanten, noem maar op. We hebben dus minder koeien dan voorheen. Dat kun je ook positief bekijken. Ik denk altijd: iets minder koeien, iets minder werk, iets meer vrije tijd. En we houden zo ook het Twentse coulisselandschap in stand. Het is mooi om te zien dat het gewaardeerd wordt door de bezoekers hier, en door de bezoekers van onze winkel.’

Heropleving van boerenlandgoed

Het boerenlandgoed is geen nieuw fenomeen, maar beleeft wel een bescheiden opleving. Vermoedelijk vanwege de stikstofcrisis, maar ook omdat veel stoppende boeren geen opvolger hebben. Het is een fiscaal gunstige methode om de gronden wel in familiebezit te houden.

Het model is ook geschikt voor boeren die willen omschakelen naar extensievere, grondgebonden bedrijfsvoering, zegt Patrick de Groot van adviesbureau Eelerwoude. De constructie levert fiscale vrijstellingen op gronden. Natuurontwikkeling en landschapsbeheer worden financieel interessanter door fiscale voordelen en subsidies, en het levert meer natuur op.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next