Home

Scholen beginnen eigen uitgeverij: Neon wil het anders doen dan de machtige schoolboekenuitgevers

Al jaren klagen scholen over dure en slechte lesmethoden. Schoolboeken sluiten niet aan bij leerbehoeften, leerkrachten worden gereduceerd tot lopendebandwerkers. Nu zetten tientallen schoolbesturen samen een eigen uitgeverij op: Neon. Kan die de markt veranderen?

Toen Niek Bootsma begin jaren negentig als docent Nederlands voor de klas begon, werkte hij met een paar dunne ‘basisboeken’. Die dienden als leidraad. De lessen bouwde hij zelf, met eigen voorbeelden en opdrachten. Afhankelijk van de leerlingen die hij voor zich had, behandelde hij een onderwerp langer of korter.

Tegenwoordig, schetst Bootsma, gebruiken scholen vrijwel uitsluitend volledig uitgewerkte methodes. Uit angst om ‘iets te missen’ werken docenten de boeken pagina voor pagina af. ‘Dat heeft een sterk debiliserend effect op docenten. We hebben ambachtslieden aan de lopende band gezet.’

Leraren hebben volgens Bootsma, inmiddels bestuurder bij Quadraam, een scholengroep in en rond Arnhem met zo’n 12.500 leerlingen, te weinig regie over hun onderwijs. Methodes bevatten vaak te veel stof en het is niet altijd helder welke onderdelen nodig zijn om aan de wettelijke leerdoelen te voldoen.

Zijn kritiek is breed gedragen, blijkt uit gesprekken met rectoren, bestuurders en docenten die de Volkskrant voor dit artikel heeft gevoerd. In een Kamerbrief en het manifest ‘Meer grip op kwaliteit van leermiddelen’, opgesteld door onder meer vakbonden en koepelorganisaties, klagen ze over de gebrekkige wetenschappelijke onderbouwing en de one size fits all-benadering waardoor methodes onvoldoende aansluiten bij leerlingen uit het praktijk- of speciaal onderwijs.

Scholen zijn gefrustreerd over de dominante positie van vier uitgeverijen (Noordhoff, Malmberg, ThiemeMeulenhoff en Zwijsen), die samen zo’n 80 procent van de markt beheersen. De keuze is daardoor beperkt en wie een methode afneemt, betaalt voor digitale licenties en werkboeken voor álle leerlingen, ook voor leerlingen die ze amper gebruiken. Veel werkboeken verdwijnen – deels ongebruikt – bij het oud papier.

De kritiek is niet nieuw. In 2007 waarschuwde literatuurhistoricus Frits van Oostrom in deze krant dat schoolboeken weliswaar ‘steeds blitser’ werden, maar dat leerlingen juist daardoor overzicht en samenhang misten en dat ze de rol van de leraar verzwakten. Ook bekritiseerde hij de kosten, die met tientallen procenten stegen doordat ‘spotgoedkope schriften vervangen werden door aan de methode vastgeklonken werkboeken’. Zijn advies: dunnere boeken en ‘dikkere’ docenten.

Nieuwe uitgeverij

Het Nederlands Onderwijsinstituut, afgekort Neon, moet het tij keren. De non-profituitgeverij in oprichting is geboren uit de kritiek die al jarenlang leeft. Vooralsnog verenigen zo’n vijftig schoolbesturen zich daarin, goed voor 500 duizend leerlingen (20 procent van het totaal). De ambitie is groot: Neon wil voor alle vakken in het primair en voortgezet onderwijs nieuwe methodes ontwikkelen. Die kunnen ze bovendien, claimt Neon, voor een fractie van de kosten van de huidige aanbieders leveren.

Neon kreeg een miljoeneninjectie uit de filantropische sector. Onder meer de Afas Foundation en het VSBfonds stelden een royaal startkapitaal beschikbaar. Initiatiefnemer is Marten Blankesteijn, die ook oprichter was van Blendle, een platform voor losse kranten- en tijdschriftartikelen, en de Universiteit van Nederland, dat gratis colleges en podcasts aanbiedt.

Blankesteijn werkte ruim een jaar bij uitgeverij Noordhoff en schrok naar eigen zeggen van hoe moeilijk het was om vernieuwingen door te voeren en technische systemen te verbeteren (Noordhoff verwees voor een reactie door naar de brancheorganisatie).

Dit bracht hem op het idee om een platform te beginnen waar scholen hun lesmateriaal zelf kunnen samenstellen en aanpassen, technologisch verwant aan het Blendle-principe. Net als bij de Universiteit van Nederland is er geen winstoogmerk. Blankesteijn wordt verantwoordelijk voor de technologie. De inhoud en didactiek worden bepaald door auteurs die in dienst komen van Neon. De eerste 45 vacatures daarvoor verschijnen vandaag online.

Doorbraak?

Als Neon zijn ambitie waarmaakt, kan het de Nederlandse markt voor lesmateriaal stevig opschudden. Een brede overstap van schoolbesturen naar Neon zou de dominante positie van uitgevers rechtstreeks raken. Wat wil Neon anders doen?

Het belangrijkste verschil is dat leraren straks niet alleen de methode kunnen gebruiken, maar die ook eenvoudig kunnen aanpassen. Onderwerpen inkorten of overslaan kan met een paar muisklikken. Verrijken ook, met bijvoorbeeld eigen voorbeelden of materiaal dat beter past bij de klas, of voor specifieke doelgroepen zoals nieuwkomers en hoogbegaafden. De Neon-software zet die keuzes automatisch om in digitale lessen en printklare pdf’s.

Docenten kunnen hun toevoegingen ook uploaden, en na een kwaliteitscheck door Neon-auteurs komen die in een centrale bibliotheek terecht, zodat ook andere docenten ze kunnen gebruiken.

Onderwijskundige Erik Meester van de Radboud Universiteit, die zelf commercieel lesmateriaal ontwikkelt, vindt het initiatief sympathiek en begrijpelijk vanuit de frustratie, die hij herkent. Maar ziet ook twee grote risico’s: dat er wordt gestart vanuit de technologie in plaats van een stevig doordacht onderwijskundig ‘grand design’. En: er wordt veel geld opgehaald op basis van beloftes over kwaliteit en snelheid die ‘zeer moeilijk waar te maken zijn’.

Het streven om scholen al begin 2026/2027 het eerste Neon-materiaal te laten testen noemt hij ‘onrealistisch’. Goed lesmateriaal ontwikkelen vraagt veel tijd, visie en vakmanschap, benadrukt hij. Ook waarschuwt Meester dat te veel flexibiliteit in het samenstellen van lesmateriaal ten koste kan gaan van de samenhang: ‘Eén les is geen les.’

Dat sluit aan bij wat John Nouwens, directeur van uitgeverij Malmberg, zegt in reactie op het initiatief. Volgens hem kost het jaren om een complete leerlijn van bijvoorbeeld groep drie tot en met groep acht te ontwikkelen. Ook herkent Nouwens zich niet in de kritiek dat het onduidelijk is welke stof bijdraagt aan de kerndoelen. Die informatie is wel degelijk beschikbaar, zegt hij, onder meer in aparte docentenhandleidingen. Nouwens erkent dat niet alle stof uit de methodes van Malmberg voor elke leerling nodig is, maar zegt dat het aan docenten is om hierin keuzes te maken. Toch staat hij positief tegenover de komst van Neon als nieuwkomer in de markt, een geluid dat ook klinkt bij MEVW, de brancheorganisatie voor educatieve uitgeverijen. ‘Nieuwe toetreders geven prikkels aan de kwaliteit en houden grote partijen scherp’, zegt voorzitter Jorien Castelein.

In loondienst

Michelle van Dijk, jarenlang docent Nederlands in Rotterdam en inmiddels fulltime werkzaam bij Neon, werkt aan de kwaliteitsvisie, de selectie van auteurs en de doorlopende leerlijnen – een traject waarvoor, net als bij de grote uitgeverijen, meerdere jaren wordt uitgetrokken.

Van Dijk onderstreept dat Neon zich wezenlijk anders wil ontwikkelen dan bestaande uitgevers. Auteurs komen bij Neon in loondienst, terwijl commerciële uitgevers vrijwel altijd met freelancers werken. Ze werken in vaste teams en geven elkaar structureel feedback. ‘Auteurs werken drie dagen per week aan hun vak: één dag samen ontwerpen en twee dagen schrijven. Zo groeit alles in samenhang, van opdrachten tot toetsing.’

Al het lesmateriaal moet evidence-informed worden ontwikkeld – gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten – en met inspraak vanuit het onderwijsveld. Zo levert een Neon-lerarenteam, met verschillende ‘Leraren van het Jaar’ in de gelederen, input op de methodes. Zowel schoolbesturen als leraren krijgen een plek in de raad van toezicht. ‘Dat is uniek’, zegt Van Dijk. ‘Het houdt de kwaliteit hoog.’ Neon hoopt volgend schooljaar het eerste materiaal te testen, maar erkent dat het ‘jaren kost’ om een compleet portfolio op te bouwen.

De timing is gunstig. Vanaf schooljaar 2026-2027 worden vanuit de overheid nieuwe kerndoelen ingevoerd in het primair en voortgezet onderwijs. Die bepalen per leerjaar wat leerlingen minimaal moeten leren en kunnen.

De kerndoelen worden concreter en actueler, met meer nadruk op basisvaardigheden, vakoverstijgende samenhang, digitale geletterdheid en burgerschap. Alle uitgeverijen moeten hun lesmateriaal de komende jaren dus herschrijven. Neon wil juist op dat kantelpunt instappen. Van Dijk. ‘We kunnen meteen ontwikkelen volgens de nieuwe kerndoelen.’

Slanke organisatie

Scholen besteden nu gemiddeld rond de driehonderd euro per leerling per jaar aan lesmateriaal, al lopen de kosten per vak sterk uiteen. Een licentie voor wiskundemethode Getal en Ruimte (veruit de meest gebruikte methode in het voortgezet onderwijs) is bijvoorbeeld drie keer zo duur als lesmateriaal voor andere vakken.

Neon claimt voor een fractie van de prijs van de bestaande uitgeverijen lesmethodes aan te kunnen bieden. Hoe dan?

Allereerst heeft Neon geen winstoogmerk, in tegenstelling tot de huidige uitgevers. Die zijn deels beursgenoteerd en in handen van private-equity, waardoor de winst in de zakken van aandeelhouders belandt. Over hoe hoog die winstmarges zijn, en welke kosten er precies worden gemaakt, wordt geen openheid van zaken gegeven.

Neon wordt een ‘slanke’ organisatie, zegt initiatiefnemer Blankesteijn. Hij rekent op ongeveer tien miljoen euro aan jaarlijkse kosten om de 45 methode-ontwikkelaars te betalen plus de developers die de achterliggende software bouwen. Sales- en marketingafdelingen zijn er niet.

De jaarlijkse kosten van Neon worden naar rato verdeeld. Als de deelnemende scholen 500 duizend leerlingen vertegenwoordigen – er daarop mikt Neon bij de lancering – komt dat dus neer op 20 euro per leerling, nog geen 7 procent van wat er nu wordt uitgegeven. Sluiten meer scholen zich aan, dan daalt het bedrag nog.

Bovenop die contributie komen wel drukkosten, maar die vormen volgens Neon een extra prikkel voor scholen om compacte en herbruikbare boeken te maken, die over meerdere jaren kunnen worden afgeschreven. Scholen bepalen zelf of ze een leer- of werkboek bestellen (of allebei). De verwachting is dat scholen hierdoor veel minder lesmateriaal verspillen en de totale kosten ver onder het huidige niveau blijven.

Uitgevers bevestigen dat de prijs van hun methodes vooral schuilt in de ontwikkeling ervan, niet in het drukwerk. ‘Aan elke methode werken tientallen mensen’, zegt Castelein van branchevereniging MEVW. Meestal zijn dit docenten die naast lesgeven ook materiaal ontwikkelen. ‘Het is een miljoeneninvestering’, vervolgt ze. ‘En het actueel houden kost ook doorlopend geld.’

Sparren met collega’s

Het succes van Neon staat of valt met de vraag hoe snel het initiatief volwaardige methodes van voldoende kwaliteit levert. Schoolbesturen die nu als ‘oprichterslid’ instappen, betalen de eerste twee jaar zeven à tien euro per leerling per jaar, bovenop hun bestaande uitgaven aan lesmateriaal. Met andere woorden: scholen investeren nu extra, terwijl er nog geen compleet alternatief ligt.

Bij veel scholen moet de medezeggenschapsraad (mr) of raad van toezicht nog instemmen met deze investering. Annet Kil, voorzitter van de Gooise Scholenfederatie (circa zevenduizend leerlingen) en bestuurder bij de VO-raad, noemt zichzelf een ‘believer’ in Neon en kreeg haar mr al mee. ‘Als je aan de voorkant kunt meedenken en meeontwikkelen heb je ook invloed op het resultaat. Wil je goed onderwijs en versterking van de beroepsgroep, dan gaat de kost voor de baat uit.’

Geen van de rectoren die de Volkskrant sprak voor dit artikel is van plan snel en volledig over te stappen op Neon-methodes. Leraren die blij zijn met hun methode mogen die gewoon blijven gebruiken. Bij een contributie van twintig euro per leerling kan het al uit wanneer er voor één vak gebruik wordt gemaakt van een Neon-methode, stelt Blankesteijn.

Volgens Kil biedt Neon docenten de kans om zich inhoudelijk te blijven ontwikkelen. Het geld dat scholen besparen, kan worden ingezet om docenten aan eigen lessen te laten werken. Via Neon vinden ze bovendien makkelijker collega’s om mee te sparren. ‘Dat motiveert leraren mateloos. Leraren die stoppen, geven vaak als argument dat ze te weinig professionele ruimte en zeggenschap hebben over de inrichting van hun eigen curriculum.’

Niek Bootsma van scholengroep Quadraam erkent dat veel nog moet worden waargemaakt, maar ook hij gelooft in het initiatief en ziet dat het mes aan twee kanten kan snijden. ‘Je hebt nooit honderd procent garantie,’ zegt hij. ‘Maar als je docenten serieus neemt en ze ook ruimte geeft, dan denk ik dat het onderwijs veel aantrekkelijker kan worden en dat de uitval veel lager zal zijn.’

Source: Volkskrant

Previous

Next