Op de laatste zaterdag voor de verkiezingen, vorige week, stond Geert Wilders in café De Vliegende Hollander in Volendam. Er waren PVV-aanhangers uit het hele land en ook veel kandidaat-Kamerleden van de PVV, journalisten, fotografen. De PVV trakteerde op kibbeling. Wilders ging achter de toonbank op de foto met acht jonge vrouwen, bijna allemaal blond, die hielpen in de bediening. Buiten regende het.
Deze zaterdag zitten in De Vliegende Hollander vier twintigers uit Hongarije, een van hen weet wie Wilders is. „Een vriend van Orbán. En wij houden niet van Orbán.” Er is een vrouw uit de Filipijnen samen met haar man, een Macedoniër. Achter de toonbank staat een zwarte vrouw, ze schept voor de toeristen vis en saus in bakjes. De eigenaar van het café is er niet, de vrouw die in zijn plaats de leiding heeft, wil me weg hebben. „Ik vind het niet prettig als u hier met mensen praat.”
Het regent weer.
Volendammers, hoor ik bij de haven, komen nooit in De Vliegende Hollander. Onder de luifel van een winkel zegt muzikant Thomas Tol, 75 jaar, dat hij wel had geprobeerd om Wilders te zien. Maar het was te druk. „Ik kon geen glimp opvangen.” Hij had die middag tegen een journalist van De Telegraaf gezegd dat hij op het CDA ging stemmen. Maar het was, zegt hij nu, toch Mona Keijzer geworden, de nummer 2 van BBB die zelf ook uit Volendam komt. „Ik vind dat zij verstandig praat.”
In 2023 had 43 procent van de inwoners van Edam-Volendam op de PVV gestemd, woensdag was dat 28 procent. BBB verloor zo’n beetje overal, maar niet in Volendam: daar ging die partij van 8 naar 11 procent, bijna alle BBB-stemmen (2.874) waren voor Keijzer. Zij kreeg er 2.629, Caroline van der Plas 194.
Op de dijk en in café Lennon’s spreek ik met PVV’ers die niet zijn gaan stemmen en daar nu spijt van hebben, met ex-PVV’ers die Wilders een slechte verliezer noemen omdat hij berichten verspreidt over gesjoemel met stembiljetten, en ook met D66’ers. Het is moeilijk, zeggen zij, om in Volendam níét rechts te zijn. Het valt me op dat FVD’ers niet zeggen dat ze op FVD hebben gestemd, ze zeggen „op Lidewij”.
Met één zo’n ‘op Lidewij’-stemmer, Simon Kemper, loop ik mee het dorp in, onder zijn paraplu. Hij is 63, hij werkte in een magazijn, hij was ook chauffeur en visfileerder, nu is hij met pensioen. Dat veel Volendammers rechts zijn, komt volgens hem omdat ze hard werken. „De rijkdom die ze met bloed, zweet en tranen hebben verdiend, willen ze niet delen.” En als dat niet zo aardig klinkt: „Dan maar niet.”
Op een van de huizen waar we langskomen hangt, heel hoog, een bordje: „In 1916 kwam het water tot HIER!” Waar zouden de Volendammers naartoe vluchten, vraag ik aan Simon Kemper, als dat weer gebeurt? Hij denkt even na. „Een sporthal op de Grebbeberg?” Hij denkt dat vluchten voor „iets verschrikkelijks” anders is dan vluchten voor armoede. Al wil hij niet gezegd hebben dat Volendam zijn rijkdom wel wil delen met mensen die iets verschrikkelijks hebben meegemaakt. „Wij willen géén azc.”
Dat hoge water, zegt hij dan, komt er echt niet zomaar. „Je kan mij dus net zo goed vragen: wat doe je als de lucht naar beneden valt?”
Petra de Koning doet elke dinsdag verslag over de Haagse politiek (p.dekoning@nrc.nl)
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC