Eén van de vervelendste emoties die we kennen is spijt, omdat het gaat over iets wat je zelf gedaan of juist niet gedaan hebt. In deze nieuwe serie spreekt Barbara van Beukering mensen die een beslissing hebben genomen die vergaande consequenties heeft.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
Anneloes (58, muziekdocent):
‘De kinderen waren 4 en 2 jaar toen we naar Bussum verhuisden. Ons huis, een twee-onder-een-kapwoning, stond in een nieuwbouwwijkje tegen het oude centrum aan. Een buurtje met allemaal jonge gezinnen. De kinderen speelden met elkaar, de ouders borrelden samen. De sfeer was gemoedelijk en gezellig. Ik was er ruim vijftien jaar enorm happy. Nooit heb ik overwogen om er weg te gaan.
‘Toen kwam corona. Tijdens de lockdowns werd alles afgezegd, je kon nergens meer naartoe. Op een gegeven moment was alleen nog de Albert Heijn open, zelfs de kleine winkels waren gesloten. Wij hadden genoeg ruimte om naar buiten te gaan, andere mensen hadden het veel zwaarder. Maar ik raakte in die tijd mijn baan kwijt en vond het heel moeilijk om elke dag thuis te zitten zonder eropuit te kunnen. Om eerlijk te zijn werd ik er gillend gek van.
‘Opeens zat ik op Funda. Ik weet niet eens meer waarom, want ik was absoluut niet op zoek. Misschien had iemand een link van een huis doorgestuurd en ging ik uit verveling verder scrollen. Ik stuitte op een gebouw dat ik altijd vanuit de trein zag. ’s Avonds zei ik tegen Mark, mijn man: ‘Op Funda staat een appartement te koop in dat gave gebouw dat we altijd vanuit de trein zien, zullen we daar naartoe gaan? Bij wijze van leuk uitje?’ Het was veel te duur voor ons, maar dat weet zo’n makelaar natuurlijk niet. We konden ons best voordoen alsof we rijk waren. Lekker binnen kijken. De afspraak met de makelaar werd gemaakt.
‘Het was een belachelijk mooi penthouse. Aan de achterkant uitzicht over het IJ, aan de voorkant uitzicht over heel Amsterdam. Tweehonderd vierkante meter met een enorm terras. Tijdens de rondleiding riepen we ‘oh’ en ‘ah’, maar toen de makelaar later belde biechtten we eerlijk op dat we het niet konden betalen. Tot onze verbazing belde hij later terug met de vraag wat we ons dan wel konden veroorloven. Vanaf dat moment is het uit mijn handen geglipt. Mark ging er mee aan de slag en de onderhandelingen begonnen. We hadden er niet echt een gesprek over want ik dacht: wie wil er nou niet in zo’n mooi huis wonen? ’s Nachts schrok ik wakker en dan dacht ik: ‘Ik wil dit helemaal niet, ik wil niet weg, ik woon hier lekker. Ik heb de pantoffels aan, wat moet ik daar in Amsterdam?’
‘We hebben op een gegeven moment een aankoopmakelaar in de hand genomen. Zij had al snel door dat ons huis in Bussum veel meer waard was geworden. Daar had ik geen idee van. Het had me nooit geïnteresseerd, ik wilde toch niet verhuizen. De makelaar zag de mogelijkheid om de koop en de verkoop aan elkaar te knutselen. Als we Bussum goed zouden verkopen, dan konden we het penthouse, dat inmiddels gezakt was in prijs, kopen. En opeens was het: het kan, we doen het! De kinderen vonden het geweldig. De jongste, die nog thuis woonde, ging mee en zij verheugde zich intens. De oudste woonde al in Amsterdam en hij vond het ook superleuk. En Mark vond het eveneens fantastisch. Ik vond het doodeng, maar je moet weleens iets doen dat je eng vindt. In plaats van te praten of mijn gevoel serieus te nemen, dacht ik: Heerlijk, ik heb een project. Ik kan opruimen en inpakken. Het gaf me in die ellendige coronatijd een duidelijke taak.
‘Toen ik de eerste ochtend in het nieuwe huis wakker werd, brak de paniek uit. Het voelde alsof ik in een luxe hotel opgesloten zat. Ik wilde naar huis. Gedurende het hele verhuizingsproces had ik mezelf gesust met de gedachte: als je je spullen bij je hebt, en je man, de kinderen en de poes, dan ben je thuis. Maar dat was niet zo, dat voelde helemaal niet zo. Ik had vreselijke heimwee, kon alleen maar denken: ik wil naar mijn tuin. Ik wil naar mijn buurtje, ik wil naar Bussum. Ik wil naar huis. Ik vond Amsterdam een verschrikkelijke stad. Ik durfde niet te fietsen, vond die drukte op straat doodeng. De Albert Heijn was ook helemaal niet leuk. Ik was diep ongelukkig.
‘Heimwee is vreselijk, maar het ergste was dat ik het zelf had gedaan. Ik had zo onnoemelijk veel spijt. Als er iets vreselijks gebeurt waar je niets aan kunt doen, dan overkomt het je. Ik gaf mezelf de hele dag op mijn kop. Wat ben ik een oen, wat een sukkel, waarom heb ik niet beter nagedacht, er meer over gesproken? Waarom heb ik niet naar mijn gevoel geluisterd? Dat zelfverwijt maakt het twintig keer zo erg. Mijn man snapte er niets van. Hij viel juist in een soort verrukking. Hij heeft de zeevaartschool gedaan en hij zat te genieten voor ons raam dat uitzicht bood over het IJ waar de hele dag boten voorbij voeren. Hij vond het ook heerlijk om de stad in te wandelen en naar Slagerij Vet op de Zeedijk te gaan. Ik vond het gek dat hij het nooit eerder had laten merken dat hij Amsterdam zo leuk vond. Dan hadden we het erover kunnen hebben.
‘Ik durfde de optie om terug te gaan niet te bespreken. Als ik mezelf zo voorbij was gelopen in deze grote beslissing, kon ik mezelf niet meer vertrouwen. Bovendien kónden we niet meer terug naar ons huis, daar woonden andere mensen. Ik vroeg me ook af waarom ik het allemaal zo zwaar maakte. Op televisie keek ik naar de familie Meiland die om de drie maanden verhuisden. Hoe deden die mensen dat? Ik zocht hulp bij een vriendin die lichaamswerk doet om minder streng te zijn tegen mezelf. Met de hele dag ‘stom, stom, stom’ zeggen, schiet je natuurlijk ook niets op.
‘Mark zei op een gegeven moment: ‘Maak het behapbaar. Over vier jaar is Sail in Amsterdam, laten we in ieder geval tot dat moment blijven want hier zitten we op de eerste rang. Dan heb je tot 2025 de tijd om uit te zoeken waar je wil wonen. Dat gaf mij rust. De oplossing kwam eerder. Een jaar geleden vonden we een huisje in het bos in het Oosten van het land. Eens in de twee weken brengen we daar het weekend door. Lekker in de tuin rommelen, daar kom ik tot rust. Ondertussen ben ik het verhaal gaan herschrijven, dat doe je kennelijk in je hoofd om tot acceptatie te komen. De kinderen zijn het huis uit, we zijn een nieuwe fase begonnen. En zo vreselijk is Amsterdam bij nader inzien ook weer niet. Het was misschien toch een goed idee. Stukje bij beetje lul je jezelf naar de uitgang.
‘Anderhalf jaar ben ik ongelukkig geweest in het huis. De heimwee was erg, maar de spijt en het zelfverwijt maakten het onverteerbaar. Ik had ook geen lotgenoten. Mensen keken me echt aan alsof ik gek geworden was. ‘Waarom heb je dat dan gedaan?’ ‘Ja, dat weet ik niet.’ Ik kan het oprecht nog steeds niet helemaal verklaren. Ik kom niet verder dan dat ik me echt intens verveelde. Maar dan kun je ook iets anders gaan doen: gewoon je huis opruimen.’
Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Anneloes gefingeerd. Kampt u ook met diepe gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com
Source: Volkskrant