China beloofde vorige week de Verenigde Staten meer medewerking bij de bestrijding van het fentanylprobleem. Toen een Chinese ambtenaar in de 19de eeuw het Britse koninkrijk opdroeg te stoppen met de export van opiaten naar China, liep dat slecht af voor het Chinese keizerrijk.
is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Vlaskamp was 18 jaar correspondent in Beijing.
Voordat de Chinese ambtenaar Lin Zexu in 1839 overging op een hard drugsbeleid, schreef hij de Britse koningin Victoria. ‘Ik heb gehoord dat u in uw eigen land opium streng verbiedt (...) maar u kiest ervoor om dit kwaad naar andere landen te brengen, zoals China. Waarom?’
In de 19de eeuw brachten Britse handelaren op grote schaal opium, een verslavend goedje dat gewonnen wordt uit papavers, op de Chinese markt, met een verslavingsepidemie als gevolg. ‘Ze mogen dan niet de bedoeling hebben anderen opzettelijk te schaden, maar ze zijn zo geobsedeerd door materieel gewin dat ze zich geen zorgen maken over de ellende die ze anderen berokkenen. Hebben ze geen geweten?’, aldus Lin over de Britse drugsdealers.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
Soortgelijke argumenten gebruikten Amerikaanse onderhandelaars de afgelopen jaren ongetwijfeld ook om de Chinese regering tot hardere actie te bewegen inzake fentanyl. Dat synthetische opiaat is vijftig keer sterker dan heroïne. De Chinese farmaceutische industrie exporteert de pijnstiller naar de VS. Eerst als pillen, en toen dat van Beijing in 2019 niet meer mocht, als losse ingrediënten.
Omdat fentanyl jaarlijks tienduizenden Amerikanen het leven kost, legde Trump China een extra importtarief op. Daar haalt hij nu tien procent van af, omdat de Chinese leider Xi Jinping vorige week beloofde het fentanylprobleem aan te pakken.
Net als nu had het Westen in de 19de eeuw de pest aan het Chinese handelsoverschot. De Britten waren grootafnemers van porselein, thee en rabarber uit China. De Chinese keizers hadden echter geen interesse in het Britse handelswaar, dus creëerden de Britten die behoefte.
Ze overspoelden China met opium, geproduceerd in hun Indiase kolonie. Door toedoen van de Britten lag tien procent van de Chinese bevolking aan een opiumpijp te lurken. Er vloeide zo veel Chinees zilver naar Britse opiumhandelaren dat de bodem van de zilvervoorraad in zicht raakte.
Lin, belast met buitenlandse handel, dreigde de Britse vorstin met handelssancties. Zonder Chinese thee raken de darmen van buitenlanders verstopt, dacht hij, dus rekende hij erop dat de koningin in het belang van de stoelgang van haar onderdanen de opiumhandel zou stoppen.
Toen antwoord uit Londen uitbleef, liet Lin bij Britse handelaren ruim een miljoen kilo opium in beslag nemen. Vijfhonderd man vermengden het goedje met zout en kalk en gooiden het in zee, een klus die volgens het boek The Opium War, Drugs, Dreams and the Making of Modern China van de Britse historicus Julia Lovell ruim twintig dagen duurde.
Lin maakte een inschattingsfout, want de Britten stopten helemaal niet met de opiumhandel, maar stuurden oorlogsschepen voor een reeks militaire confrontaties met het verzwakte Chinese keizerrijk. Westerse machten, gevolgd door Japan en Rusland, dwongen China op de knieën. De Qing-dynastie moest steeds meer grondgebied afstaan, waar buitenlandse verdragshavens kwamen. Van daaruit werden alsnog de goederen die de Chinese keizer niet wilde importeren aan de man gebracht, of dat nu opium uit Brits-India was of bier uit Duitsland.
Met opium en landjepik werd het isolationistische keizerrijk opengebroken voor buitenlandse handel. De pijn van deze ‘Honderd jaar Nationale Vernedering’ werkt in China tot op de dag van vandaag door, want dit nationale trauma kleurt China’s houding tegenover de buitenwereld.
Lins misrekening kostte hem zijn carrière. ‘Als het de natie ten goede komt, zet ik mijn leven op het spel’, dichtte hij in ballingschap in het uiterste westen van China. In de nadagen van de Qing-dynastie werden zijn inspanningen om opium uit China te krijgen alsnog gewaardeerd. De Chinese communisten verhieven Lin tot patriottische held.
De Amerikaanse krant The New York Times ging onlangs naar de Zuid-Chinese stad Fuzhou. Daar is Lins geboortehuis omgebouwd tot een gedenkhal in nationalistische sfeer, waar Chinese kinderen leren wat er gebeurt als China niet sterk genoeg is om buitenlandse druk te weerstaan. Dit is het werk van de Chinese leider Xi Jinping, die lang werkte in Lins geboorteprovincie. Als inspiratie had Xi in die jaren Lins van vaderlandsliefde druipende dichtregels op zijn bureau liggen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant