Home

‘Hij knikte enthousiast. Ik zag die verwonderde kinderogen, hij was diep onder de indruk’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. André Stolte (62) leidde een kleuter rond in zijn politiebureau, en besefte pas later de impact daarvan.

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

‘Mijn collega Ton en ik surveilleerden in Amsterdam-Zuidoost. We reden door de Venserpolder toen we ineens op een kruising een gezinsauto zagen staan met draaiende motor en de bestuurdersdeur wagenwijd open. Er zat niemand in. Je weet meteen: dit klopt niet.

Ziek

‘We stopten, stapten uit en gingen kijken. Er zat geen sleutel in het contact, de draden hingen eruit. Deze auto was duidelijk gestolen.

‘Via de portofoon gaven we het kenteken door, vroegen om de tenaamstelling te achterhalen en de auto te komen weghalen. Na twintig minuten kwam de kraanwagen van de politie. Ze takelden de auto op en brachten hem naar ons bureau in de Bijlmer. Toen we daar zelf ook aankwamen, hoorden we van wie de auto was.

‘Ik belde de eigenaar, een jonge vrouw nam op. ‘U spreekt met de politie’, zei ik, ‘is die-en-die auto van u?’ Ze bevestigde dat, en ik vervolgde: ‘Weet u ook waar uw auto nu is?’ Ze antwoordde dat die bij het academisch ziekenhuis stond, waar haar man met haar zoontje naartoe was. ‘Hij is ziek’, vertelde ze. Hun kind was terminaal ziek, hij was uitbehandeld. Haar man zou vandaag te horen krijgen hoe het verder moest.

‘Terwijl collega’s die vader in het ziekenhuis ophaalden om aangifte te komen doen, gingen Ton en ik die gestolen auto verder op braaksporen onderzoeken. Bij terugkomst in het bureau stond die vader daar, een jonge vent met een vrolijke blonde kleuter. We vertelden de vader hoe we zijn auto hadden aangetroffen. Hij had niks gemerkt, de auto was gestolen terwijl hij en zijn zoontje bij de arts zaten.

‘Een collega ging zijn aangifte opnemen, dus wij zeiden tegen dat ventje: ‘Zullen we jou het bureau laten zien?’ Nou, dat vond hij prachtig. Hij knikte enthousiast. Je zag die verwonderde kinderogen, hij was diep van alles onder de indruk.

‘Energiek en totaal niet verlegen liep hij met Ton en mij mee naar beneden, naar de politiehonden. Bij de kennels legden we uit dat politiehonden mensen kunnen pakken – je zegt zoiets in kindertaal. Daarna gingen we naar de schietbaan waar we leren schieten. Kinderen vinden onze pistolen altijd spannend.

‘We liepen ook langs de stalen deuren van het cellenblok, naar de plek met alle apparatuur waar het radioverkeer binnenkomt, de kleedruimte waar de uniformen hangen en de fitnessruimte waar we trainen. Daarna reden we een rondje met hem over het wagenpark in een dienstauto met zwaailicht en sirene.

‘Het jochie vroeg of hij ook even achter het stuur mocht zitten. Terwijl wij hem een politiepet opzetten, heeft een rechercheur professionele foto’s van hem gemaakt. Die stuurden we diezelfde week naar hem op.

‘Het is leuk om zo’n kind rond te leiden. Je bent trots op je werk, dus dat laat je ook graag zien. Toen we terugkwamen zei dat ventje tegen z’n vader: ‘Ik wil later ook bij de politie.’

Dubbelgevouwen kaart

‘Voordat ze vertrokken gaf dat jochie me een hand en zei: ‘Dankuwel meneer.’ Heel keurig. Daarna stort je je weer in de waan van de dag.

‘Vier weken later lag er een envelop in mijn postvak, gericht aan Ton en mij. Er zat een grote, dubbelgevouwen kaart in. De voorkant was een foto van dat blonde kereltje met die grote ogen, binnenin stond dat hij was overleden. Het was een rouwkaart. De linkerkant was volgeschreven door zijn moeder. Ze bedankte ons voor de bijzondere dag die we haar zoon hadden gegeven, die veel voor hem had betekend.

‘Dat kaartje kwam hard binnen. We wisten dat hij ziek en uitbehandeld was, maar daar ben je niet mee bezig. Emoties schakel je uit. Als je je alles gaat aantrekken, wordt ons werk wel heel zwaar. Maar dat kaartje drong door dat pantser heen.

‘Ik heb zelf ook kanker gehad, en dan besef je hoe belangrijk het is als mensen aandacht voor elkaar hebben. Een klein gebaar kan ontzettend belangrijk zijn. Ik heb zelf destijds een paar honderd kaarten gekregen en ze allemaal bewaard. Toen moest ik aan dat kaartje van die moeder terugdenken.

‘Op zo’n moment realiseer je je dat dingen die voor ons heel normaal lijken, zoals die rondleiding, een groot effect kunnen hebben. En dat geldt eigenlijk voor het overgrote deel van het politiewerk: je steunt mensen in moeilijke tijden, dat zijn vrijwel alle meldingen waarbij emoties komen kijken.

‘Ik vergeet bijvoorbeeld nooit meer die verschrikkelijke aanrijding, waarbij ik mensen moest tegenhouden die naar de overkant van de weg wilden omdat hun wieldop daar lag. Het lukte om ze tot rust te brengen, te kalmeren, te troosten. En naderhand besef je: ik heb ze toch echt kunnen helpen. Dat is misschien wel de kern van het politiewerk, er gewoon zijn als iemand je nodig heeft.’

Bij uitgeverij Prometheus verscheen deze week Dit vergeet ik nooit (296 pagina’s; € 21,99), een bundeling van afleveringen uit deze rubriek.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next