De klad zit in de uitbreiding van de Europese Unie. Het Hongaarse veto en twijfelende kandidaatlanden bemoeilijken de voortgang, maar ook de EU zelf maakt geen haast.
is EU-correspondent van de Volkskrant. Hij woont en werkt in Brussel.
Alle indringende verklaringen over de geopolitieke noodzaak – onze veiligheid! – van het EU-lidmaatschap voor de Balkanlanden en Oekraïne ten spijt. Het jaarlijkse voortgangsrapport dat de Europese Commissie dinsdag presenteert getuigt vooral van marginale vorderingen en lauw enthousiasme.
Tekenend is ook dat de analyse hoe de EU zelf moet veranderen om de komst van nieuwe leden mogelijk te maken – lees: meer geld, minder veto’s – is uitgesteld. Wat op tafel lag aan bevindingen en suggesties, was volgens Commissievoorzitter Ursula von der Leyen niet goed genoeg. Zij kent de politieke gevoeligheid hierover en wil extra tijd voor overleg met de hoofdsteden.
Om met de lichtpuntjes te beginnen, want die zijn er: Montenegro en Albanië zijn nagenoeg klaar voor het EU- lidmaatschap. Beide landen hebben afgelopen jaren zwaar hervormd om aan alle EU-wetten te voldoen. De Commissie schat dat Montenegro (kandidaatlid sinds 2010) volgend jaar de onderhandelingen kan afronden. De daadwerkelijke toetreding tot de EU kan dan vanaf 2028, mits alle parlementen in de huidige EU-landen dat goedkeuren.
Voor Albanië (kandidaatlid sinds 2014) is het doel 2029. Als de toetredingsverdragen voor beide landen inderdaad nergens op een nationaal veto stuiten, zou de EU voor het eerst sinds 2013 (Kroatië) weer uitbreiden.
Het tweede en tevens laatste lichtpuntje: Oekraïne en Moldavië (beide kandidaat sinds juni 2022, direct na de Russische invasie van Oekraïne) hervormen in recordtempo. Hoewel toetreding nog jaren op zich zal laten wachten, wordt hun enthousiasme zeer gewaardeerd in Brussel.
Daarmee houdt het positieve nieuws op, want het enthousiasme van Kyiv wordt ruw de kop ingedrukt door Hongarije. Premier Viktor Orbán blokkeert al maanden de officiële start van de echte toetredingsonderhandelingen. Hoewel de gesprekken tussen Kyiv en Brussel op technisch niveau doorgaan, bemoeilijkt het Hongaarse veto de voortgang. En het frustreert Kyiv. De animo om de vereiste pijnlijke hervormingen door te voeren neemt daardoor af.
Het beeld in de andere kandidaatlanden is evenmin reden voor optimisme. Georgië krijgt steeds autocratischere trekjes. Het kijkt meer en meer naar Moskou, het contact met Brussel is nagenoeg verbroken. Servië weet ook nog steeds niet of het bij de EU wil horen of bij Rusland. En om de voortgang te kunnen staven van de gesprekken met Bosnië en Herzegovina en Noord-Macedonië is het scherpe oog nodig van een uitbreidingsexpert. Over Turkije (kandidaatlid sinds 1999) praat sowieso niemand meer.
Het zijn evenwel niet alleen kandidaatlanden die verzaken. De EU zelf maakt ook weinig haast. Het bestuurlijke en financiële raamwerk van de huidige EU-27 moet op de schop wil ze kunnen doorgroeien tot een EU-30+. De noodzakelijke analyse hierover is echter voor onbepaalde tijd uitgesteld.
Opmerkelijk, want van de acht kansrijke kandidaten (Turkije valt erbuiten zolang president Erdogan daar de democratie knevelt) is er maar één die echt gewicht in de schaal legt: Oekraïne. Dat land, met ruim 40 miljoen inwoners en een grote landbouwsector, zal als EU-lid een flink deel van de EU-subsidies krijgen. De overige zeven kandidaatlanden tellen bij elkaar circa 21 miljoen inwoners.
Qua beleid en financiën zijn de gevolgen van uitbreiding volgens betrokken EU-ambtenaren voor de nabije toekomst te behappen. Zeker omdat in de toetredingsverdragen kan worden vastgelegd dat de nieuwkomers pas geleidelijk aanspraak kunnen maken op de EU-subsidies. Dat gebeurde ook in 2004 toen Polen en negen andere Oost-Europese landen EU-lid werden: de boeren daar kregen pas na jaren dezelfde financiële steun uit Brussel als hun concurrenten in de ‘oude’ lidstaten.
De besluitvorming in de EU met een dertigtal leden wordt er niet makkelijker op. Maar, stellen diplomaten: dat is het nu ook al niet. Er valt volgens hen een mouw aan te passen.
Problematischer is de steun onder EU-burgers om nieuwe broeders en zusters te verwelkomen. Iets meer dan de helft (56 procent) van de mensen ziet dat zitten, blijkt uit onderzoek (Eurobarometer) dit jaar. Bijna 40 procent is tegen. In 2015 was 51 procent tegen, in 2006 42 procent.
De verschillen tussen de landen zijn echter groot, en daar zit de pijn. In Frankrijk zijn meer mensen tegen uitbreiding (48 procent) dan voor (43 procent), in Tsjechië en Oostenrijk is dat ook het geval. In Duitsland houden tegen- en voorstanders elkaar nagenoeg in evenwicht (47 versus 49 procent). Nederland zit met 69 procent voorstanders ruim boven het EU-gemiddelde.
Dat de bevolking van de twee grootste EU-landen (Duitsland en Frankrijk) forse twijfels heeft over het nut en de noodzaak van EU-uitbreiding, baart Brussel grote zorgen. Als de motor van de EU hapert, maakt de rest zeker geen voortgang.
Het verklaart het overleg dat Von der Leyen wil met de hoofdsteden. Commissie-ambtenaren bepleiten gerichte campagnes om Duitsers, Fransen en andere weifelaars te overtuigen van de voordelen van een grotere EU. Daarbij zal de nadruk niet zozeer op de economische kant liggen – meer handel, meer afzet – maar op de geopolitieke noodzaak van een sterkere Unie. ‘We vragen heel veel van de kandidaatlanden, dan kunnen we zelf niet achterblijven’, aldus een diplomaat.
Dat zo’n campagne verre van eenvoudig is, leert het referendum in Nederland en Frankrijk over de Europese Grondwet in 2005. De ja-campagne faalde, ondanks alle steun van de overheid. Het was het einde van de Grondwet.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant