Lionel Richie, de man van de suikerzoete ballad Hello, leek lange tijd de grootste kwijlebal uit de muziekgeschiedenis. Lees zijn (verrukkelijke) autobiografie en je weet óók wie de motor was achter een van de grootste hits aller tijden.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
Het liedje zelf was al een draak, maar weinig videoclips riepen in 1984 zo veel weerzin op als Hello van Lionel Richie.
Daarin speelt de zanger een leraar die verliefd is op een blind meisje in zijn klas. Ze zit te boetseren. Aan het einde van de clip toont ze iets: een replica van zijn hoofd. Gemaakt op de tast. O, wat knap, maar mag ik een teiltje?
Van Lionel Richie waren we wat betreft mierzoete ballads wel wat gewend. Eind jaren zeventig haalde hij immers met liedjes als Easy, Three Times A Lady en Sail On al iedere soul en funk uit de platen van de Commodores, de band waarvan hij sinds 1968 lid was.
Reputaties veranderen continu. In deze rubriek kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert.
Prima funkband, die Commodores, een beetje in de stijl van Kool & The Gang en Earth, Wind & Fire. Hun Brick House werd ook hier in 1978 een hit. Ergens in die tijd kreeg Richie door dat er genoeg jongens in zijn band zaten die dansbare liedjes konden schrijven, maar dat het de Commodores ontbrak aan hitgevoelige ballads; net het soort nummer dat hij in z’n vingers had. Misschien moest hij zich daar eens op toeleggen.
Dat hebben de Commodores en de rest van de wereld geweten. In rap tempo schudde hij de drie genoemde wereldhits uit de mouw.
En dat niet alleen, hij leverde ook op aanvraag liedjes aan Kenny Rogers (Lady, 1980) en Endless Love (een duet met Diana Ross, 1981). Zijn positie binnen de Commodores bleek niet langer houdbaar, het vriendenclubje uit Tuskegee, Alabama, had geen zin meer in zijn temerige ballads op hun albums.
De rest van de wereld wel: zijn besluit als soloartiest verder te gaan, werd verzilverd met nieuwe hits. Zijn debuutalbum deed het dankzij het liedje Truly al goed, maar Can’t Slow Down (1983) maakte van hem de succesvolste artiest op het Motown-label.
Dankzij Caribische dansritmes in de hit All Night Long werd zijn muziek ook eindelijk weer geschikt voor de dansvloer. Maar elk krediet verspilde hij vervolgens met dat onontkoombare Hello van hetzelfde album. Lionel Richie was een beroepsslijmbal geworden. Muziek voor huisvrouwen en andere Sky Radio-luisteraars, zeiden wij popsnobs tegen elkaar.
Jarenlang, decennia zelfs, leek er geen reden om deze mening te herzien. Dat er na 1987 een gat van een kleine tien jaar in zijn productie zat, was ons niet eens opgevallen. Je hoorde zijn ballads nog altijd, overal, en na 1996 ging hij weer onverstoorbaar door met de aanlevering van mierzoete liedjes.
Goed, ieder zijn meug. Toen de hits na de eeuwwisseling opdroogden, vergaten we hem helemaal.
En dan zit je op een zondagmiddag, in juni 2015, naar de BBC-verslaggeving van het Glastonbury Festival te kijken. Lionel Richie komt op voor een dolenthousiast publiek van meer dan 150 duizend festivalgangers in alle leeftijden.
Hij krijgt de hele mensenmassa mee met Dancing On The Ceiling; tussen het podium en de dranghekken staan de mannen en vrouwen van de security in twee rijen dik te dansen.
De synchrone danspasjes waren weliswaar ingestudeerd, maar wat een vrolijkheid daar. Lionel Richie gaf er het concert van zijn leven, je kreeg ook op de bank zin om alle evergreens (want dat waren het inmiddels) mee te zingen. Zelfs Hello was te verdragen.
De feestelijkheden werden door Richie een paar weken later op North Sea Jazz voortgezet.
Het voelde nog altijd niet als echte soul, maar vermakelijk en van hoog niveau was het wel.
Glastonbury was ook voor Richie zelf heel bijzonder. Zijn deze maand verschenen, vuistdikke autobiografie Truly begint ermee. Een verrukkelijk boek, niet alleen vanwege de vele anekdotes over alle beroemdheden die hij heeft ontmoet, maar ook om de relativerende toon die hij vasthoudt in zijn verhalen over Michael Jackson, Stevie Wonder, Frank Sinatra en Tina Turner.
Op iedere bladzijde lees je de verbazing van iemand wie alle successen ook maar zijn overkomen – en je gelooft hem. Zijn eerste ballads? Iemand moest het doen. Zijn soul verkopen aan Kenny Rogers? Rogers vroeg hém toch om een liedje?
En, misschien wel het mooist van alles: zijn medewerking aan het liedje en de opnamen van We Are The World van USA for Africa. Dankzij de Netflix-documentaire The Greatest Night in Pop (2024) weten we hoe de opnamen in die ene nacht zijn verlopen.
Tot vorig jaar was altijd wat onderbelicht gebleven welke rol Richie daarin heeft gespeeld. Niet alleen schreef hij samen met Michael Jackson het liedje, hij was, een paar uur nadat hij in Los Angeles de American Music Awards had gepresenteerd, ook bepalend tijdens de opnamen van We Are The World, met deels dezelfde artiesten. Quincy Jones was dan wel de producer, maar Richie moest in de studio alle sterren aansturen en tevreden houden, van Bob Dylan tot Diana Ross en van Stevie Wonder tot Cindy Lauper.
In Truly vertelt hij erover alsof het zijn dagelijks werk was, en ja, het was leuk om met een genie als Michael Jackson te schrijven. Al was het wel even schrikken toen die enorme slang achter de kast vandaan kwam.
Lionel Richie is na lezing van zijn boek niet meer die kwijlebal, maar iemand die een cruciale rol speelde in de popmuziek van de jaren zeventig en tachtig. Daar was hij nooit op uit, het overkwam hem gewoon.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant