is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Als ik ergens droevig van word, zijn het mensen die zeggen dat de taal ‘leeft’. Het klinkt als een folder en doet me daarnaast een beetje denken aan schijnbaar activistische T-shirts voor trans personen waarop staat: ‘Trans people exist.’ In beide gevallen denk ik: ja, hè hè. Wanneer alleen al het benoemen van het bestaan van iets een statement is geworden, weet je zeker dat het fenomeen in kwestie zich aan de rand van de afgrond begeeft.
Er valt het een en ander voor te zeggen dat de Nederlandse taal zich aan de rand van de afgrond begeeft en daarom is het leuk, misschien zelfs belangrijk, dat er aandacht op wordt gevestigd. Radio 1 doet dit al meer dan tien jaar in de vorm van het programma De Taalstaat van Frits Spits, die iedere zaterdagochtend zijn licht laat schijnen op de schoonheid van het Nederlands.
Juist omdat ik de Nederlandse taal een warm hart toedraag, erger ik me al meer dan tien jaar blind aan dit programma. Ik erger me aan Frits Spits maar vooral aan waarvoor hij staat: mensen die iets begraven door het in leven proberen te houden. De Taalstaat pretendeert namelijk een programma te zijn over de vitaliteit en beweeglijkheid van taal, maar brengt in feite een ode aan witte oubolligheid.
Zo worden er wekelijks zestien singer-songwriters uitgenodigd, waarbij we van vijftien nooit meer iets zullen horen, maar is De Taalstaat nog nooit op het idee gekomen om haar oren te openen voor een rapper. Als er één domein is waar taal aan vernieuwing onderhevig is, één vorm is van taal die evenveel geeft als neemt van jonge mensen, is het die muziek. Überhaupt begrijp ik niet hoe je kunt menen geïnteresseerd te zijn in het Nederlands van nu, zonder je ook maar een moment te verdiepen in het Arabisch, Surinaams en Turks dat er ontegenzeggelijk deel van uitmaakt.
Een merkwaardig aspect aan deze column is het feit dat Spits een maand geleden heeft aangekondigd te stoppen als radiomaker. Je kunt je daarom afvragen waarom ik dit alles dan alsnog opschrijf. Het eerste antwoord daarop is dat tien jaar aan ergernis er beter laat dan nooit uitkomt. Daarnaast leek het me goed om Spits nog kort te attenderen op een aantal woorden waar hij – beter laat dan nooit – wat aandacht aan kan besteden.
Zo zijn er verschillende termen uit de zogeheten jongerentaal met een betekenis die door het standaard Nederlands eigenlijk niet gedekt kunnen worden. Neem kifesh: een Marokkaans-Arabisch begrip dat wordt gebruikt om verontwaardiging of verbazing mee uit te drukken. Een voorbeeldzin is: ‘Kifesh, die hypotheekrenteaftrek is nog steeds niet afgeschaft?’ Maar je kunt ook gewoon een VVD’er aanspreken en zeggen: ‘Kifesh?’
Een ander veelgebruikt en feitelijk onvervangbaar woord is het Surinaamse faya. De oorspronkelijke betekenis hiervan is ‘vuur’, maar het is inmiddels een multi-inzetbare term waarbij de betekenis sterk afhangt van de context. Voorbeelden zijn: ‘Peter heeft Anja gedumpt via WhatsApp. Zíék faya.’ Hier betekent faya zoiets als ‘lullig’. Maar je kunt Peter ook opbellen en zeggen: ‘Anja is op weg naar je huis met drie ziedende vriendinnen, je bent faya man.’ In dit geval bedoel je dat Peter nog niet jarig is.
Dus mocht Frits Spits nu denken: kifesh Tobi bekritiseert me twee maanden voor mijn pensioen?, dan kan ik weer zeggen: sorry Frits, zo faya bedoelde ik het ook weer niet.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtijnen.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant