Home

Boris Becker en Björn Borg waren als tennissers larger than life. De val daarna was hard, en diep

Na het eind van hun tenniscarrière struikelden Björn Borg en Boris Becker allebei van schandaal naar schandaal. Waarom is het normale leven voor hen zo moeilijk?

Saai, ongelooflijk saai. Dat is wat ik van Boris Becker vond toen ik halverwege de jaren negentig het internationale mannentennis begon te volgen.

Op dat moment was Becker al een decennium lang een absolute wereldster. Om precies te zijn vanaf juli 1985, toen hij op 17-jarige leeftijd Wimbledon won. In West-Duitsland was destijds alleen Volkswagen bekender; Becker had een naamsbekendheid van 98 procent. Had ik al gezegd dat hij op dat moment 17 was?

Op mij kwam hij, tien jaar later dus, over als een overblijfsel van een andere generatie, wat hij in zekere zin, ondanks zijn leeftijd, ook was. Die stijve, mechanische servicetechniek, waardoor hij nooit volledig ontspannen op de baan leek te staan. Nee, ik was fan van Sampras, Agassi, Safin, Rafter, Krajicek, Ivani­šević­. Dat waren in mijn ogen andere types, hen wilde ik zijn. Aan Becker wijdde ik amper een gedachte.

God, wat zat ik ernaast.

Ter verdediging: ik was te jong. Becker was, hoewel hij in 1996 nog de Australian Open zou winnen, allang niet meer het tieneridool dat hij tien jaar eerder was geweest. Hij was een gearriveerde prof die alles al had meegemaakt, vaker dan eens zelfs. En zo tenniste hij ook, vond ik. Plichtmatig, routineus. De echte ‘honger’ leek er al niet meer te zijn.

De dieptepunten na zijn carrière – de scheidingen, de tabloidverhalen, de ‘zaadroof’ (googel maar!), het faillissement – volgde ik zijdelings, en toen ik in 2018 het bericht las dat hij attaché zou zijn geworden voor de Centraal-Afrikaanse Republiek in een poging beslaglegging op zijn eigendommen te voorkomen na zijn faillissement, haalde ik mijn schouders op. Ach, dacht ik, hij kon zo goed tennissen.

Voor de hoogte- en dieptepunten van Björn Borg, nog zo’n icoon, was ik hoe dan ook te laat. Ik ben zo’n beetje ingestapt aan het begin van de middelbare school, eind jaren negentig, toen het soort boxershort dat je droeg ineens iets ging betekenen.

Natuurlijk wist ik dat Borg een oud-tennisser was. Ik kende zijn iconische uiterlijk, de haarband om het lange blonde haar, de iconische Fila-kleding, de rivaliteit met McEnroe, en het klassieke houten Donnay-racket. Maar ik had hem nooit zien spelen, en ik had niet het idee dat ik iets had gemist.

Monomane klootzakken

Het is een algemeen bekend feit dat topsporters, zeker degenen die uitkomen in een individuele sport, monomane klootzakken zijn. Het lijkt zelfs een voorwaarde.

Becker was op die regel geen uitzondering. Hij was er een meester in onder de huid van zijn tegenstander te kruipen. Dat begon al in de kleedkamer. Bij tennis is de kleedkamer gemeenschappelijk, ook op Wimbledon, dus daar begint de wedstrijd. Becker bediende zich, in elk geval voorafgaand aan de finale van 1985, van de stare game: continu zijn tegenstander beloeren. Zonder gezichtsuitdrukking.

En zodra die tegenstander zich omdraaide, keek hij hem aan via de spiegel. Dat is, als je er niet tegen gewapend bent, doodeng. Het is pure intimidatie.

Wat dit soort tactieken betreft word je weinig wijzer van het lezen van Hartslag, de onlangs verschenen autobiografie van Borg. Ik kreeg soms het idee dat hij amper met tegenstanders bezig was. Dat zou je met wat goede wil een superieure vorm van monomanie kunnen noemen: geen enkele gedachte wijden aan je tegenstander. Doen alsof er geen tegenstander bestaat.

Alleen, het klopt niet. Borg was, in elk geval op de baan, juist heel erg bezig met wie er aan de overzijde van het net stond.

Waarom tenniste Borg eigenlijk?

Ja, hij was waanzinnig talentvol, en natuurlijk wilde hij winnen, de beste zijn, en nergens was hij zo op zijn plek als op een tennisbaan – hij was er op een bepaalde manier onaantastbaar. En juist daardoor ging het mis. ‘Waar ik eerder vier uur per dag in de buitenlucht had getraind’, schrijft Borg op zeker moment, ‘trainde ik nu één à twee uur. Het was alsof het er niet toe deed, want ik versloeg toch iedereen.’

Anders gezegd: het was voor Borg gewoon te makkelijk. En dus: verveling, verdwijnende motivatie. Een draaikolk van negatieve emoties en gedachten, en uiteindelijk, op 26-jarige leeftijd, het besluit te stoppen. Op dat moment is in het leven van Borg de val al ingezet. Zodra het tennis naar de achtergrond verdwijnt, komen de problemen naar voren.

Gewoon de beste zijn

Anders dan ik over Borg begon te vermoeden, tenniste Becker niet om op de been te blijven. Becker was in feite eendimensionaler, platter. Die wilde gewoon het gevecht winnen, de beste zijn, simpel, en zijn weapon of choice was een tennisracket. Becker wilde ten koste van alles een grote jongen zijn.

Voorstelbaar, zo’n houding, voor iemand die drie keer Wimbledon wist te winnen, maar ook ingewikkeld. Zeker wanneer je na je carrière een poging doet jezelf om te katten tot succesvol zakenman.

Gevolg: slechte deals, absurde uitgaven, schulden, fraude, gevangenisstraf. Becker werd in 2022 door een Engelse rechter veroordeeld tot dertig maanden cel. Over de acht maanden die hij uiteindelijk moest zitten, gaat het grootste deel van Binnen, zijn net verschenen gevangenismemoir/tennisautobiografie.

Natúúrlijk is Becker ten onder gegaan aan de roem. Aan de limousineladingen modellen die hem ter beschikking stonden, aan elke denkbare verleiding die een onuitputtelijke bankrekening met zich meebrengt. En niet te vergeten aan de pers, aan het opwachten en afjagen.

Boris Becker viel diep, en groots. Zoals je mag verwachten van iemand met een naamsbekendheid van 98 procent.

De val van Borg was juist klein, of liever: huiselijk, en daardoor misschien wel des te tragischer. Maar ook een beetje, ja, saai. Zelfs als je er de details bij bedenkt, wat nodig is, want die krijg je in Hartslag amper aangereikt. (Vermoedelijk niet het beste idee om je autobiografie door je vrouw te laten opschrijven.) Ook over de opwindende dingen die Borg meemaakt vertelt hij ongeïnspireerd, op het lachwekkende af. Over een avond in New York waarop Bianca Jagger hem uitnodigt op de hotelkamer van haar en Mick, zegt Borg: ‘Ik hoefde niet lang na te denken, kleedde me aan en ging erheen. Het was een gezellige ontmoeting.’

Ik bedoel het niet onaardig, maar wat nu als Borg gewoon niet zo’n boeiende figuur is? Dat hij, zoals een vriend van me het weleens verwoordt, niet gehinderd wordt door enige vorm van persoonlijkheid?

Het ‘geval-Becker’ is heel anders. Borg klaagde erover dat hij, ‘ook als [hij] gewoon in een restaurant zat en in alle rust wilde eten’, er voortdurend mensen naar hem toe kwamen. Becker vertelt in het tweede hoofdstuk van Binnen fijntjes hoe hij reageerde na de eerste keer dat een vriend ‘een verhaal over [hem] aan de kranten verkocht’: ongeloof. De tweede keer: pech. Daarna ‘nam [hij] afscheid van bepaalde vrienden’.

Beckers probleem was nu juist dat hij zo graag iets, en het liefst alles, van zijn status op de baan wilde meenemen naar het ‘normale leven’. Waar andere regels gelden. In elk geval andere wetten. De tragiek van beide tennissers – en je kunt wellicht zeggen: van elke topsporter – is natuurlijk dat ze zich op de baan, in een stadion, zo op hun gemak voelden, er zo thuis waren, dat zo’n beetje alles buiten de baan automatisch een beproeving werd. En tegenviel.

Voor Borg ging dat zelfs zover dat hij daardoor het plezier in tennis verloor. Hij ontwikkelt ‘problematische gedachten’, zoals hij zijn angststoornis en depressie ergens noemt – specifieker dan dat wordt het niet. ‘Het fijnste van alles’, schrijft hij, ‘vond ik het om terug op mijn hotelkamer de deur achter me dicht te trekken. Afgezien dan van de wetenschap dat ik de ochtend erop weer zou moeten tennissen.’

Borgs tennispensioen was een vlucht, ontegenzeggelijk. Hij zocht vrijheid, maar hij draaide zich vast in dat verlangen, en hij kende zichzelf bovendien slecht. Hij was niet in staat in te zien dat het juist tennis was dat hem, in zekere zin, al die jaren op de been hield, dat de ‘minutieuze routines, (...) elke dag hetzelfde schema en [een] leven van totale controle’ er nu juist voor hadden gezorgd dat hij al die jaren níét was ingestort.

Eenmaal gestopt hielden zijn ‘gevoelens van eenzaamheid en ontheemdheid’ aan. Enter zelfmedicatie. ‘Het werd’, schrijft Borg, ‘een gevaarlijke mengeling van drugs, pillen en drank’, waarmee hij zichzelf leek te willen uitwissen, ongeveer zoals hij zichzelf jarenlang had uitgewist op de tennisbaan. Juist door die ultieme zichtbaarheid, als icoon, als personage, deed zijn persoonlijkheid er niet werkelijk meer toe. Borg verschuilde zich achter een masker met zijn eigen gezicht.

Dat is misschien wel het belangrijkste verschil tussen de twee mannen. Borg wekt de indruk het liefst onzichtbaar te zijn, terwijl Becker zich juist wil tonen, vanuit een mengeling van trots en geldingsdrang. Daarom is zijn rivaliteit met André Agassi zo veel interessanter dan die van Borg met McEnroe. Becker vecht met Agassi niet alleen om de overwinning, maar ook om dezelfde plek in de spotlights. Becker: ‘Hij is flamboyant. Hij is de grote superster. (...) En dat kan ik maar moeilijk verkroppen. Ik heb dat publiek nodig.’

Becker wil bewonderd worden, geliefd zijn. Borg wil in alle rust in een restaurant kunnen eten.

In dat licht is het veelzeggend dat Becker elk hoofdstuk begint met een brief van een fan, en later ook van bekende vrienden en collega’s, die telkens vertellen hoeveel Becker voor hen heeft betekend en hoe erg ze het vonden dat hij vastzat. Het is gênant en treurig en aandoenlijk, en dat allemaal tegelijk. En je wilt er meer van.

Borg is een depressieveling, Becker is, met een beetje goede wil, vooral een naïeve sukkel. Borg wil je met een kop thee en een dekentje op de bank leggen, om vervolgens met je eigen leven verder te gaan, Becker wil je waarschuwen voor de volgende kuil waar hij in dreigt te vallen. En als hij niet luistert – een reële mogelijkheid – blijf je (beschaamd!) toekijken hoe hij zichzelf, opnieuw, in de problemen brengt.

Over zijn acht maanden ‘binnen’ zegt Becker zelf herhaaldelijk dat hij er een ander mens door is geworden. Tsja. Ik geloof best dat hij dat denkt. Ik zou het ook denken. Maar ik geloof ook dat mensen maar moeilijk kunnen veranderen.

Becker is net getrouwd, voor de derde keer, en hij wordt voor de vierde keer vader. Hij is pas 57 jaar. Er is nog tijd genoeg, zou je zeggen, om opnieuw in de fout te gaan. Om opnieuw te vallen. De tabloids staan ongetwijfeld al klaar om de foto’s te publiceren.

Boris Becker: Binnen Winnen, verliezen, opnieuw beginnen. Uit het Duits vertaald door Frans Reusink. Inside; 448 pagina’s; € 24,99.

Björn Borg: Hartslag Mijn autobiografie. Uit het Zweeds vertaald door Jasper Popma. Nieuw Amsterdam; 320 pagina’s; € 24,99.

Martijn Simons is schrijver. Zijn laatste roman, Het einde van de wereld zoals we die kennen (2024), was mede geïnspireerd door zijn eigen tennisgeschiedenis. Zijn backhand is (nog steeds) geweldig.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next