Emeritus hoogleraar Ido Weijers, die als kind ook weleens een robbertje vocht, maakt korte metten met het idee dat de jeugdcriminaliteit uit de hand aan het lopen is. Daar is namelijk geen enkel bewijs voor. Wel wordt de politie tegenwoordig veel sneller ingeschakeld bij ‘flutdelicten’. ‘Met alle gevolgen van dien.’
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
Als Ido Weijers op een feestje vertelt dat hij wetenschappelijk onderzoek doet naar jeugdcriminaliteit, is de gemiddelde reactie iets als: ‘Die is enorm toegenomen, toch?’ Nee, zegt hij dan, die is de afgelopen twintig jaar juist flink gedaald.
Het komt geregeld voor dat hij vervolgens een tijdlang probeert aan te tonen dat het echt zo is, want veel gesprekspartners denken dat hij ongelijk heeft. Doorgaans blijkt dat ze zich baseren op, zoals Weijers dat noemt, ‘sensatieverhalen’ van kranten of tv-programma’s, waarin ook vaak de suggestie wordt gewekt dat minderjarige criminelen steeds jonger en harder worden. Dat is volgens hem eveneens onjuist.
Weijers is een autoriteit op zijn vakgebied. Als emeritus hoogleraar jeugdrechtspleging en jeugdbescherming heeft hij meer dan driehonderd wetenschappelijke artikelen en dertig boeken gepubliceerd, onder meer over jonge veelplegers. Hij is nu 77 en nog volop actief. In zijn nieuwe boek Criminele jeugd – De sensatieverhalen, de feiten en een paar adviezen richt hij zich op een breder publiek en probeert hij de beeldvorming over minderjarige delinquenten bij te stellen.
In het kader daarvan heeft hij de afgelopen tijd de berichtgeving over misdaad in kranten en op televisie bestudeerd. ‘Dat deed ik niet voor mijn lol’, zegt hij aan de eettafel van zijn bijna 100 jaar oude bovenwoning in Amsterdam-Zuid. In sommige media kwam hij namelijk veel tegen wat niet klopte.
Onjuiste mediaberichten waren de aanleiding, maar vormen niet de hoofdmoot van zijn boek. Criminele jeugd is geen recensie van de journalistiek. Toch ontkomt Weijers er niet aan om voorbeelden te noemen.
‘Waar ik me het meest over opwond’, zegt hij, ‘is hoe sommige kranten aan de haal gingen met een groot onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum. Het WODC is een fantastisch instituut, dat valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid en elke twee à drie jaar een degelijk, glashelder rapport over jeugdcriminaliteit uitbrengt.’
Toen het WODC in september 2023 constateerde dat het aantal jeugdige verdachten in Nederland sinds 2010 was gehalveerd, deden de NOS en meerdere andere media daar objectief verslag van, vindt Weijers. Maar er ging ook veel mis.
Het Algemeen Dagblad liet de daling onvermeld en concentreerde zich op iets anders uit dit rapport: de toename van het aantal winkeldiefstallen door meisjes. ‘Groeiend aantal tienermeisjes op het foute pad’, stond in grote letters op de site. De Telegraaf sloeg ook aan op dit nieuws: ‘Rovende tienermeisjes maken opmars’, kopte de krant.
Het aantal winkeldiefstallen door meisjes was in een jaar met 42 procent gestegen. Waarom vindt u het zo kwalijk dat het AD en De Telegraaf de nadruk hierop legden?
‘Omdat ik vind dat ze de waarheid verdraaiden door bewust het accent te leggen op iets wat, ondanks het goede nieuws, toch nog onrust kon veroorzaken.’
Of keken ze verder dan deze al langer bekende trend en gingen ze op zoek naar iets anders wat hun lezers interessanter vinden?
‘Voor hun lezers was het kennelijk niet spannend dat het in hoofdlijnen goed gaat met de jeugdcriminaliteit. Maar als je dat niet opschrijft of het halverwege zo’n artikel wegfrommelt, wakker je ten onrechte gevoelens van onveiligheid aan en gaan politici ermee aan de haal.’
Gebeurt dat vaak?
‘Ja, bijvoorbeeld na een tragisch sterfgeval in Schiedam, in februari. Toen werd een 13-jarige jongen doodgestoken door een leeftijdsgenoot. Niet lang daarna pleitte een VVD-Kamerlid voor boetes aan ouders van kinderen die ernstige delicten hebben gepleegd. Dat klinkt stoer, maar in Engeland is allang gebleken dat dit averechts werkt. Als politicus moet je dat weten, vind ik.’
U ergert zich aan het enorme aantal mediaberichten over misdrijven zoals in Schiedam. Maar zo’n sterfgeval is toch opmerkelijk?
‘Het gaat me vooral om de mate waarin ze dit doen. Sommige kranten bleven een week lang stukken publiceren naar aanleiding van dit tragische sterfgeval, andere hielden het bij één verhaal.
‘Soms gaat het ook inhoudelijk mis. De Telegraaf liet bijvoorbeeld Jan Struijs aan het woord, de oud-voorzitter van de Nederlandse Politiebond die nu actief is voor 50Plus. Struijs beweerde dat de daders van ernstig geweld steeds vaker buitengewoon jong zijn, soms amper 12, dat jongeren steeds gewelddadiger worden en dat er sprake is van een zorgwekkend patroon dat zich al jaren aftekent.
‘Al die dingen kloppen niet. Als je inzoomt op heel jonge delinquenten, zie je juist een spectaculaire afname: het aantal verdachten dat jonger is dan 12 is sinds 2010 gedaald van ruim 1.400 naar minder dan 500. En de gemiddelde leeftijd van minderjarigen die met de politie in aanraking komen, daalt helemaal niet. Die schommelt al jaren rond de 15 jaar. En hun eerste delict is niet ernstiger dan voorheen.’
Feit is wel dat er steeds meer jongeren worden aangehouden met een verboden wapen, zoals een mes. Vorig jaar waren dat er 1.375. Dat zijn er bijna vier per dag. Is dat geen reden tot zorg?
‘Jawel. Maar die stijging wordt ook veroorzaakt doordat de politie alerter is geworden op verboden wapenbezit en elk misdrijf sinds een paar jaar apart moet registreren.
‘Daar komt bij dat het niet zo is dat jongeren veel vaker een mes gebruiken. Wat vooral toeneemt, is het bezit, omdat ze zich onveiliger voelen. Met name door sociale media, waar ze filmpjes plaatsen waarin ze elkaar belachelijk maken of bedreigen.’
Zo kunnen ruzies op school of op straat sneller escaleren, zag je laatst in Beverwijk en Haarlem, waar scholen preventief werden gesloten.
‘Ja, precies. Doorsneejeugdcriminaliteit is iets wat op straat plaatsvindt, in groepjes. Juist in de eerste jaren van de middelbare school. Vroeger moest je weten waar je vijand woonde of ging je ergens naartoe om te vechten. Nu kun je elkaar ook digitaal bedreigen of aanpakken. En dan volgt al snel een reactie. Dat verhoogt de druk voor ouders, leerkrachten en politieagenten.’
In Criminele jeugd staan cijfers die zijn verhaal onderbouwen. Het aantal minderjarige verdachten en het aantal minderjarige veroordeelden is volgens het WODC de afgelopen twee decennia gehalveerd. Ook andere bronnen, zoals zelfrapportages, wijzen in die richting.
Weijers voegt daar wel aan toe dat veel dalende trends op het gebied van jeugdcriminaliteit enkele jaren geleden tot stilstand zijn gekomen. De cijfers schommelen sindsdien, of stijgen weer een beetje, maar zijn nog wel veel lager dan twintig jaar geleden.
Dat roept tal van vragen op, zoals: waarom is er nu veel minder jeugdcriminaliteit dan twintig jaar geleden? En hoe komt het dat de daling niet langer lijkt door te zetten?
‘Ik snap dat je dat vraagt, maar dat is meer iets voor een criminoloog. Dat ben ik niet. Als het gaat om de korte termijn, zou ik moeten speculeren en dat wil ik niet doen. Want er is nog geen onderzoek gedaan naar de oorzaken, voor zover ik weet.
‘Als je kijkt naar de langere termijn, die daling in de laatste decennia, dan valt op dat die plaatsvindt in de hele westerse wereld. Een mogelijke verklaring van wetenschappers is de toegenomen beveiliging van auto’s, winkels en huizen. Wat ook meespeelt is de verschuiving naar internetcriminaliteit, waar de politie minder zicht op heeft. En door de toegenomen welvaart zou er minder noodzaak zijn om te stelen. Ik vermoed dat alle drie een deel van de verklaring bieden.’
Opvallend is dat het aantal minderjarige veroordeelden voor zware mishandeling of doodslag sinds 2018 is gestegen, en nu stabiliseert. Er is een groep heftige, jonge criminelen, zeker in Amsterdam en Rotterdam.
‘Ja, met de kanttekening dat het kleine aantallen zijn, en de cijfers wijzen niet op een heel sterke toename. Maar het is zorgelijk, ja. Vaak zijn het jongeren met weinig maatschappelijk perspectief, die worden geronseld door de georganiseerde drugscriminaliteit.
‘Voordat ze het weten, zitten ze er zo diep in dat het moeilijk is om eruit te komen. Wijkagenten zien dat gebeuren, bijvoorbeeld als zo’n jongen rondrijdt in een snelle wagen. Maar als ze de recherche inseinen, komt die er vaak niet aan toe om het criminele netwerk rond zo’n jongen in kaart te brengen.
‘Ik vind dat doodzonde. Dit zijn de jongens op wie we als samenleving meer aandacht moeten richten. Zij moeten onze absolute prioriteit zijn.’
De praktijk is anders, schrijft u. De politie steekt veel tijd en energie in het aanhouden van jongeren voor ‘flutdelicten’, zoals te vroeg vuurwerk afsteken, winkeldiefstal en vechten op straat.
‘Precies. Natuurlijk is het vervelend dat kinderen zoiets doen. Maar het is jeugdig experimenteergedrag, van kinderen met wie niets aan de hand is. Laten we dat met z’n allen accepteren, ook als het een keer uit de hand loopt.’
Zelf stak u als jochie in Den Haag rond oud en nieuw ook graag een vuurtje aan en raakte u weleens verwikkeld in vechtpartijen op het schoolplein.
Hij schiet in de lach. ‘Ja, mijn vader, die musicus en muziekleraar was, heeft me leren vechten, omdat ik me eerst altijd in elkaar liet slaan op straat. Toen ik dat had geleerd, sloeg ik er geregeld op los. Van mijn 11de tot mijn 13de, zeg maar. In die tijd moesten mijn ouders geregeld naar school komen als ik weer eens iemand een bloedneus had geslagen of de spaken van een fiets had ingetrapt.’
Hoe werd daarop gereageerd?
‘Van de school en mijn ouders kreeg ik geen straf. Ze probeerden me te leren anders te reageren als ik weer eens driftig werd of het nodig vond om mijn zusje te verdedigen. Het idee was dat zulk gedrag erbij hoorde, op mijn leeftijd. Nu zie je dat de politie sneller wordt ingeschakeld. Met alle gevolgen van dien. Zoals een strafblad.’
Sinds 2020 kunnen alle politiekorpsen in Nederland kinderen een ‘reprimande’ geven. Die is bedoeld voor minderjarigen die voor het eerst worden opgepakt. Uit wetenschappelijk onderzoek, begeleid door Weijers, blijkt dat zo’n waarschuwing volgens alle betrokkenen meerwaarde heeft. Daarom vindt hij dat de politiereprimande veel vaker moet worden gebruikt.
‘Hoe dat werkt, in de praktijk? First offenders van een klein misdrijf, zoals winkeldiefstal, worden niet meer naar het politiebureau gebracht, waar ze eindeloos in de cel zitten wachten op een advocaat, omdat ze die nodig hebben voor het verhoor.
‘Het alternatief is dat politieagenten eerst kijken of er al een dossier over de arrestant is. Zo niet, dan maken ze een afspraak voor een waarschuwingsgesprek, met de ouders erbij. Als die meedoen, kan de politie meteen zien hoe zij reageren en inschatten of er meer moet gebeuren.’
Wat gebeurt er daarna?
‘Doorgaans zien ze het kind daarna niet meer terug en heeft de misstap geen juridische gevolgen. Tenzij het kind nogmaals in de fout gaat. Het voordeel: kinderen hoeven niet lang vast te zitten en het bespaart de politie tijd.’
U heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de aanpak van jonge veelplegers. Een deel van hen is absoluut niet van plan om te stoppen. Hoe kun je hen het best aanpakken?
‘Die moet je arresteren, als je genoeg bewijs hebt, en opsluiten. Keer op keer. Dat klinkt heel repressief, maar het heeft een doel: zorgen dat ze hun criminele routine moe worden en alsnog gaan twijfelen aan het criminele leven.’
En als ze eenmaal twijfelen?
‘Dan heb je als hulpverlener of agent een haakje waarmee je aan de slag kunt. Dan moet je ze niet alleen stevig aanpakken, maar ook zorg en hulp aanbieden: een woning, een opleiding, schuldhulpverlening, noem maar op.
‘Waar het om gaat, is dat ze in zichzelf de motivatie vinden om te stoppen. Want dat is een worsteling. Ze moeten hun zelfbeeld bijstellen: van stoere, onafhankelijke jongen naar iemand die bereid is te werken voor een laag salaris, of een uitkering heeft. Meer zit er vaak niet in, met hun IQ en opleiding. En dan raken ze ook nog eens al hun vrienden van de straat kwijt.’
Als ze beginnen met de criminaliteit, doorgaans rond hun 15de, zijn ze extra gevoelig voor spanning en groepsdruk. Op hun 30ste zijn ze bijna allemaal gestopt. Hoe veranderen ze in de tussentijd?
‘Ze worden minder impulsief, waardoor ze tot hun eigen verbazing in staat blijken een normaal gesprek te voeren met hun ouders of voor een baas te werken. En ze ontwikkelen, vaak relatief laat, empathische gevoelens. Maar dan alleen voor hun ouders en eventuele broertjes of zusjes. Ze krijgen door wat voor ellende ze hun hebben bezorgd.
‘Ik heb rechters geleerd om daarop in te spelen, door tijdens de strafzaak van zo’n verdachte vooral goed op de ouders te letten die in de zaal zitten. Zodra een rechter ziet dat ze emotioneel worden, moet die tegen zo’n jonge crimineel zeggen: ‘Kijk, je vader heeft het moeilijk.’ Dat vergroot de kans dat de verdachte beseft dat hij zijn familie in de vernieling aan het helpen is.’
Uiteindelijk willen bijna al deze criminele jongeren hetzelfde: huisje-boompje-beestje.
‘Ja, en als ze ouder worden beseffen de meesten dat ze dat niet zullen bereiken in de criminaliteit. Tenzij ze uitzonderlijk slim zijn en erin slagen afstand te houden van de jongens die het gevaarlijke werk doen.’
U bent 77. Hoelang blijft u nog doorwerken?
‘Totdat ik erbij neerval. Als wetenschapper wil ik duidelijk blijven maken wat werkt in de strijd tegen jeugdcriminaliteit, en wat niet. Dat wordt steeds belangrijker in een tijd waarin politici allerlei plannen maken die niet worden ondersteund door onderzoek en feiten. Hopelijk verandert dat tijdens de kabinetsformatie. Want met beleid dat is gebaseerd op onderbuikgevoelens schieten we weinig op.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant