Kiezen voor kinderen Klimaatzorgen, maatschappelijke verwachtingen, praktische obstakels: de keuze voor een kind is zowel hoogst individueel als zeer politiek. Vijf schrijvers reflecteren op de vraag: ‘wie wil er nog een kind?’
Er worden steeds minder kinderen geboren in Nederland. Waar het kindertal in 2010 nog op gemiddeld 1,80 kinderen per vrouw lag, was dit in 2024 gedaald tot 1,43. Dit is het laagste geboortecijfer sinds de Tweede Wereldoorlog. Deze daling is niet uniek voor Nederland, maar zien we ook in veel andere rijke, westerse landen, waaronder België, Frankrijk, de Verenigde Staten en de Scandinavische landen. Het dalende kindertal is deels een gevolg van uitstel van het krijgen van kinderen naar latere leeftijden. Zo steeg de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen een eerste kind krijgen van 29,4 jaar in 2010 naar 30,4 jaar in 2024.
Het dalende kindertal komt niet zozeer doordat jonge mensen geen kinderen meer willen. Gevraagd naar hoeveel kinderen ze het liefst zouden krijgen, zegt de grote meerderheid van de huidige twintigers namelijk twee of zelfs drie kinderen te willen. Het lijkt er eerder een gevolg van te zijn, dat het steeds lastiger wordt voor jongvolwassenen om aan de voorwaarden die zij stellen aan het ouderschap te voldoen, onder andere wat betreft hun woon- en werksituatie.
Aan de ene kant is de positie van jongvolwassenen op de woning- en arbeidsmarkt de afgelopen decennia gestagneerd en op sommige punten zelfs verslechterd. De 25- tot 35-jarigen van nu hebben bijvoorbeeld vaker een tijdelijk arbeidscontract en een studieschuld dan dezelfde leeftijdsgroep tien jaar geleden, terwijl ze juist minder vaak een woning hebben gekocht. Hun inkomens zijn, na correctie voor inflatie, vrijwel niet gegroeid.
Aan de andere kant lijken de voorwaarden die gesteld worden aan het ouderschap juist te zijn toegenomen. Zo investeren ouders steeds meer in hun kinderen, zowel qua tijd als qua geld, wat mogelijk leidt tot strengere normen wat betreft het gewenste welvaartsniveau voordat men aan kinderen begint. Denk aan het hebben van een grotere auto of elektrische bakfiets, maar bijvoorbeeld ook aan gewenste investeringen in sport- en muziekles. Ook is het krijgen van kinderen steeds vaker een bewuste keuze, die minutieus gepland wordt zodat de transitie mooi binnen de bredere levensloop van beide partners past.
Het resultaat is een groeiende mismatch tussen de economische positie van potentiële ouders enerzijds en het welvaartsniveau dat zij willen bereiken voordat ze aan kinderen beginnen anderzijds. Stellen die niet aan de strenge voorwaarden van het ouderschap voldoen – bijvoorbeeld stellen zonder huis met een tuin of aparte kamer voor elk kind – stellen het krijgen van kinderen uit of mogelijk zelfs af. Uit mijn onderzoek blijkt dat de kans dat mensen een kind krijgen steeds sterker samenhangt met hun inkomen, zowel voor mannen als vrouwen. Het krijgen van kinderen wordt daarmee steeds meer een ongelijkheidsvraagstuk, dat vooral is weggelegd voor personen met een gunstige woon- en werkpositie die wel aan de voorwaarden van het ouderschap kunnen voldoen. Jongvolwassenen in een minder gunstige positie stellen het krijgen van kinderen juist uit. Het ondersteunen van deze groep jongvolwassenen, bijvoorbeeld in het vinden van een gezinsvriendelijke woning, is cruciaal om te zorgen dat uitstel niet tot afstel leidt.
Richting mijn veertigste hoorde ik mezelf steeds vaker in de niet-vorm over mijzelf spreken. Dat kwam door de vragen die me werden gesteld – van die typische vragen waarmee wordt gecheckt of het leven wel helemaal volgens verwachting gaat. Het gebeurde in kennismakingsgesprekken op mijn werk, maar ook op verjaardagen van vrienden, door vreemden. Of ik kinderen heb? En anders misschien dan hopelijk toch wel een relatie?
Ik ben niet moeder. En zo richting mijn veertigste (de cruciale leeftijd, je kunt de overstap nog maken) merkte ik hoe sterk het moederschap nog altijd de norm is. We zijn nog altijd vertrouwd met het gezin als maatstaf van een geslaagd leven en met het moederschap als vanzelfsprekendheid voor vrouwen. De wetgeving is er grotendeels op ingericht, net als onze huizen, en de taal die we gebruiken om onszelf en anderen te beschrijven. Wanneer je niet aan het ideale plaatje voldoet, verval je al snel in stilte.
Om het niet-moederschap hangt een stilte. Natuurlijk, soms verschijnt er een podcast over, of een documentaire, een theaterstuk, of een boek zoals dat van mij, maar een maatschappelijk thema wil het maar niet worden. De niet-moeder blijft in de marge. Ook in gesprekken met vrienden, familie of op de werkvloer gaat het er bijna nooit over.
Het is een vreemde paradox, want het aantal geboortes daalt al jaren. Steeds meer vrouwen krijgen geen kinderen, en de redenen hiervoor zijn divers.
Maar door vrouw-zijn gelijk te blijven stellen aan moederschap, blijft het beeld van vrouwen zonder kinderen onveranderd. Je omschrijft ze dan logischerwijs aan de hand van wat ze niet zijn, als afwijking van de norm. Ze zijn egoïstisch, onvolwassen of emotioneel gemankeerd. Er ontbreekt blijkbaar iets aan je, en dat voel je als niet-moeder.Deze gevoelens van uitsluiting ben ik gaan onderzoeken. Wat betekent het eigenlijk als je een vrouw bent zonder kinderen? Als ‘anders’ leven al snel voelt als ‘onvolledig’. Het werd een zoektocht van jaren schrijven, reflecteren, lezen en erover praten. Vanuit het opgelegde niet-zijn heb ik de woorden gevonden voor wie ik ben en wat ik belangrijk vind in het leven. Ik voel me meer geworteld en mijn stem is krachtiger geworden. Ik ben me meer gaan uitspreken, en ik hoop dat meer niet-moeders dat gaan doen. Door bij jezelf te beginnen, door je uit te spreken en door in een andere, nieuwe taal te leren spreken die beschrijft wie je bent, in plaats van wat er van je verwacht wordt.
Steeds meer jonge mensen twijfelen of het nog verantwoord is om kinderen op de wereld te zetten, in tijden van klimaatcrisis en uitstervende diersoorten. Wie wil een nieuw leven beginnen op een planeet die, zo lijkt het, afstevent op de ondergang? (En bovendien dragen kinderen nog bij aan de uitstoot ook). Toch had een pasgeboren baby nooit betere vooruitzichten dan in 2025, alle feiten in ogenschouw genomen en ondanks terechte zorgen over het klimaat.
Tot twee eeuwen geleden stierven in Nederland bijna één op de 10 kinderen voordat ze hun vijfde verjaardag vierden. Dat is vandaag nog vier op 1.000, een honderdvoudige daling. Een pasgeboren baby heeft nu uitzicht op een langer, gezonder en schoner leven dan ooit tevoren. Als het vandaag in Nederland niet verantwoord is om een nieuw leven te verwekken, dan was het dat nooit en nergens.
Kan een klimaatcatastrofe straks al die vooruitgang ongedaan maken? Activisten voorspellen „miljarden doden” en een „instortende beschaving”, maar voor zulke doemscenario’s ontbreekt elke wetenschappelijke grond. Het klimaatrapport van het IPCC schat dat de wereldeconomie zelfs in een scenario van drie graden opwarming slechts enkele procentpunten minder snel groeit dan in een wereld zonder opwarming. Onze welvaart zal dus blijven toenemen — alleen minder snel. Ernstig, maar niet existentieel.
Dat komt door iets wat lastig te modelleren is in een fysisch klimaatmodel: menselijke vindingrijkheid en innovatie. De mens kijkt niet machteloos toe, maar innoveert en past zich voortdurend aan. De afgelopen eeuw is het aantal doden door natuurrampen met 99 procent gedaald. Niet doordat orkanen of overstromingen milder zijn geworden, maar omdat we onszelf beter beschermen: denk aan stevige huizen, dijken, waarschuwingssystemen, airco’s, medische zorg. Rijkdom is het beste schild tegen natuurgeweld.
Ook de angst voor een instortende voedselvoorziening blijkt overtrokken. Dankzij irrigatie, meststoffen, mechanisatie en genetische veredeling produceert de wereld vandaag vier keer zoveel voedsel als vijftig jaar geleden. De VN verwacht dat, zelfs mét klimaatverandering, de wereldvoedselproductie tot 2050 nog eens met 30 procent zal stijgen. Menselijke vindingrijkheid is onze sterkste natuurkracht.
Bovendien vergeten we de doembeelden van vorige generaties. Een halve eeuw geleden voorspelden denkers als Paul Ehrlich miljarden doden door overbevolking, milieuvervuiling en uitputting van grondstoffen. Dat spoorde sommigen aan tot sterilisatie. Een babyboomer schreef daarover onlangs een tragische brief aan The Wall Street Journal: „Ik was student toen ik The Population Bomb van Paul Ehrlich las. Ik heb het ter harte genomen en heb nu geen kleinkinderen, maar vijftig jaar later is de bevolking zonder ernstige gevolgen gegroeid tot acht miljard. Ik was naïef en stom.”
Het zou doodjammer zijn als jongeren met een kinderwens daarvan afzien door een nieuwe lading angstbeelden. Zoals Barack Obama zei toen hij nog president was: „Als je een moment in de geschiedenis mocht kiezen om geboren te worden, zonder te weten wie je zou zijn, dan zou je nú kiezen.”
Voor veel van mijn heteroseksuele vriendinnen was het idee dat ze ooit moeder zouden worden meer een gegeven, dan een open vraag. Het moederschap is een maatschappelijke verwachting die zo ongeveer elke vrouw (onvrijwillig) krijgt opgelegd. Voor mij was dat anders, om maar één enkele reden: omdat ik queer ben. Toen ik twintig jaar geleden uit de kast kwam, betekende mijn geaardheid dat ik in feite snel vaarwel kon zeggen tegen een doorsnee burgerlijk leven en dat het moederschap ook niet meer vanzelfsprekend in mijn kaarten lag.
Aanvankelijk deerde me dat niet zo, want er zit ook een immens voordeel aan queer zijn: je wordt ontslagen van alle verwachtingen die een maatschappij aan heteroseksuele vrouwen en mannen stelt. Wat een vrijheid, wat een bewegingsruimte. De keerzijde van de medaille voelde ik pas rond mijn dertigste, toen ik tegen alle verwachting in begon te hunkeren naar een modaal, eenvoudig bestaan. Eentje mét een kind. Misschien wel drie. Ik droomde van een jaren-dertigwoning met stapelbedden in kinderkamers. Van rondslingerende schoenen en speelgoed. Oneindig veel snotneuzen en uitgesmeerde Nutella op de bank. In plaats van de ongebreidelde vrijheid die queer zijn bood, koos ik liever voor de onbedwingbare chaos van het huiselijke leven. Ik was de enige van mijn queer vrienden die koos voor het soort leven waar mensen zoals wij voortdurend van weggeleid worden. Plots was ik the odd one out in een gemeenschap die bekendstaat om zijn diversiteit.
Ik vond het lange tijd ingewikkeld om mezelf tussen twee identiteiten te bewegen; die van moeder en die van queer vrouw. Aan beide hangen sterke archetypische beelden vast die moeilijk te verenigen zijn. Dat ook anderen moeite hadden met het verzoenen van die twee identiteiten, werd duidelijk toen ik mijn kinderwens actief begon na te jagen. Het meest flagrante voorbeeld kwam ik tegen in fertiliteitsklinieken die een beleid voeren waarbij heteroseksuele koppels direct geholpen worden in hun kinderwens, maar queer personen eerst een psychologische keuring moeten ondergaan. Als je queer bent, bepaal niet jijzelf, maar een team van artsen of je geschikt bent om een ouder te zijn. Vernederend.
Het had wat voeten in aarde om uit de clichématige hokjes te breken waar je als vrouw én als queer persoon ingepropt wordt. Mijn dubbele identiteit van queer moeder heb ik moeten bevechten. Als je dus aan mij vraagt wie er nog een kind wil, dan denk ik meteen aan die trotse queer moeders én vaders (to be). Degene die genadeloos en onvermoeibaar allerlei hokjes aan diggelen slaan. En dan vooral aan hen die, net zoals ik, ook simpelweg ongestoord willen genieten van hun doorsnee burgerlijke leven; één waarvoor ze hemel en aarde hebben moeten bewegen.
Waarom een kind krijgen terwijl de wereld in brand staat? Die vraag vormde voor mij het begin van een zoektocht naar hoop en moed in tijden van ecologische ontwrichting, die uitmondde in De eeuw van Felix (2022), het boek dat de eerste drie jaar van zijn leven omvat. Inmiddels is hij bijna zeven, vol leven, dromen en fantasie. Een leven zonder hem kan ik me in theorie voorstellen, maar in werkelijkheid wil ik het niet meer. Hij is onlosmakelijk onderdeel van mijn bestaan.
Met de planeet om hem heen gaat het inmiddels niet beter. Sterker: het lijkt alsof we de strijd tegen ecologische ontwrichting hebben opgegeven of op z’n best tijdelijk ‘in de koelkast’ hebben gezet, wat in de praktijk op hetzelfde neerkomt. Hebben we er goed aan gedaan om hem in zo’n instabiele wereld te brengen? Die vraag komt soms nog wel eens langs, als een zachte echo van twijfel. Maar dan denk ik meteen: mensen hebben kinderen gekregen in tijden van oorlog, armoede, ballingschap. Niet omdat de omstandigheden gunstig waren, maar omdat het verlangen om leven door te geven sterker bleek dan de angst voor wat dat leven te wachten stond.
Is een kind krijgen in tijden van een opwarmende planeet egoïstisch, een projectie van eigen verlangen zonder rekening te houden met de wereld waarin dat kind opgroeit? Ik hoor (jonge) ouders dat wel eens, enigszins beschaamd, zeggen. Ik begrijp die gedachte, want ze raakt aan een reële verantwoordelijkheid. Tegelijk doet ze echter geen recht aan het feit dat dit verlangen niet alleen uit persoonlijke behoefte kan voortkomen, maar ook uit verbondenheid: de bereidheid om ons leven te vervlechten met dat van een ander, ondanks de onzekerheid.
Een kind krijgen is zelden een rationeel besluit, geen optelsom van voor- en nadelen. Het is een emotionele sprong: een leap of faith, een daad van liefde, een poging iets blijvends te creëren dat ons overstijgt. Een liefde die zich overigens ook op andere manieren kan uiten, in zorg, kunst, activisme, in het behoeden van wat nog leeft. Een kind krijgen is daar slechts één uitdrukking van, misschien wel de meest kwetsbare.
De werkelijke vraag is dus misschien niet of we nog kinderen moeten krijgen, maar hoe we onze liefde voor het leven vorm durven geven, met of zonder nageslacht. Dus als je graag een kind wilt, zou ik zeggen: neem die sprong. Maar doe het niet om jezelf te bevestigen, niet omdat het van je verwacht wordt of omdat je denkt dat een kind zin zal geven aan je leven. Doe het alleen als je bereid bent die sprong te maken met open ogen, uit liefde, ondanks alles.
Vijf auteurs reflecteren
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC