Bij veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem zal op 25 november een koffertje worden geveild van Ada Kat, de eerste grote liefde van Harry Mulisch. Het bevat brieven en gedichten die Mulisch als jongeman schreef. ‘Een schatkist.’
schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.
Harry ontmoette Ada op 16 maart 1946. Hij was achttien, zij vierentwintig. In het koffertje zitten typoscripten van verhalen en toneelstukken, handschriften van onbekende gedichten uit de naoorlogse tijd van Mulisch’ ontluikende schrijverschap, zakagenda’s van Ada en brieven, die getuigen van hun onstuimige liefde.
‘Mijn lieve, mijn allerliefste Aatje’, schreef Harry op 21 oktober 1947. ‘Ik was bezig aan mijn roman, ik heb twee bladzijden geschreven die ik je niet meer zal kunnen voorlezen, – toen ik plotseling moest huilen. Ik bedwong mij, ik huilde niet, maar ik greep dit vel papier, dat anders bladzijde III geworden zou zijn, en ik begon een brief aan jou te schrijven (…). Weet dan dat ik van je houd!’
‘Dit koffertje is een schatkist,’ zegt Jeffrey Bosch van het veilinghuis. ‘Er is nog nooit zo’n biografisch interessante en literair hoogwaardige collectie van Harry Mulisch opgedoken. Mulisch was een toegewijde archivaris van zijn eigen werk, bewaarde alles in zijn persoonlijk archief. Dus manuscripten, typoscripten én brieven van Mulisch komen zelden of nooit op de markt.’
Ada Kat heeft alle documenten over haar relatie met Harry Mulisch altijd in het koffertje bewaard en over de wereld met zich meegesleept. In 1951 trouwde Ada met de Pakistaan Tahir Zaïdi en ging in Karachi wonen. Ze scheidde in 1957 en kwam terug naar Nederland.
Aan het einde van haar leven – zij stierf in 2019, negen jaar na Mulisch – gaf zij het koffertje aan een vriend. ‘Omdat de inhoud één fantastisch verhaal vertelt,’ zegt Bosch, ‘zal de collectie als één lot ter veiling worden aangeboden.’
Toen Harry Ada ontmoette, was hij van school getrapt en straatarm. Hij woonde alleen met huishoudster Frieda in het huis van zijn vader in Haarlem. Zijn Joodse moeder was al in 1938 vertrokken en zijn oorspronkelijk Duits-Oostenrijkse vader zat gevangen in kamp Laren, omdat hij tijdens de oorlog de directeur was van een bank die de Nazi’s gebruikten om Joden te beroven. Harry had geen idee wat hij met zijn leven aan moest.
‘Ja Ada, ik weet het: ik ben het kwade! Ik zwam! Ik praat nonsens! Het is niet waar wat ik zeg! Luister niet Ada. Misschien ben ik een misdadiger, misschien een heilige! Maar één ding Ada, – één ding is niet waar. Ik heb géén andere vrouwen gehad! Dat is een leugen!’
Op 16 maart 1946, zo blijkt uit de brieven in het koffertje, ontmoette Harry Ada voor het eerst. Op een envelop in het koffertje staat geschreven: ‘Alleen voor Ada.’ Binnenin zit een getypt gedicht, waaruit blijkt dat die jongen zijn toon en stijl nog helemaal moest vinden: ‘De photo’, gedateerd ‘1.4.46’, ‘Voor Ada’. De eerste regels luiden: ‘Omringd door mijn boeken, daar zie ik je staan/ Weemoedig kijk j’op mij neer./ Steeds als ik kijk kijk je me aan/ En zie ik je prachtogen weer.’
Ada werkt bij muziekuitgeverij Donemus en zingt in een Bachkoor. Harry teert op haar zak. ‘Ik heb me dan ook vast voorgenomen om, zo gauw ik hier uit ben, een baan te zoeken en ditmaal serieus’, krabbelde hij op een ongedateerd briefje. ‘‘t Is toch te gek dat jij al je geld voor mij uit geeft.’
Van dat baantje kwam niets terecht. Harry speelde met Ada in het toneelstuk Het eeuwige monster, maar verder deed hij niets dan schrijven. Ada was getuige van zijn eerste publicatie, het verhaal ‘De Kamer’, gepubliceerd op 8 februari 1947 in Elsevier. ‘Toen ik de krant opensloeg,’ schreef Mulisch in Mijn getijdenboek, ‘en het zag staan, wist ik: dit is het.’
‘Harry opgewonden. Novelle is klaar. Gepraat tot 4 uur ’s nachts,’ noteerde Ada Kat in haar agenda op 3 mei 1947. Die novelle was Tussen hamer en aambeeld, waarvan twee vroege versies in het koffertje zitten, eentje onder de titel ‘Een kleine, domme man’. In zijn debuutroman Archibald Strohalm schreef Mulisch de opdracht: ‘6.X.’52. Voor Ada, die de geboorte nog heeft meegemaakt!’
Uit de brieven in het koffertje blijkt dat Harry Ada zelfs tijdens haar huwelijk met Zaïdi nog heeft gezien. Na een ontmoeting in Amsterdam schreef Mulisch op 26 maart 1952: ‘Liefste Pietje van mij! Als je eens wist hoe ik naar je verlangd heb, al die tijd dat je weg was. (...) Ik houd van je, Ada, zoals ik nooit meer van iemand zal kunnen houden. Je hebt gelijk: dit zal altijd blijven bestaan, dat is nu bewezen, – waar we ook mogen zijn en hoe het ons ook zal vergaan. Later, in een boek, zal ik een monument voor ons beiden oprichten!’
Dat boek heeft Mulisch nooit geschreven. Na een ontmoeting in 1957 in Haarlem verloren zij elkaar voorgoed uit het oog. Wel portretteerde hij Ada in De ontdekking van de hemel als Ada Brons, cellospeelster, de grote liefde van Mulisch’ alter ego Max Delius (én van zijn aartsvriend Onno Quist).
In de oude agenda’s van Ada is de teloorgang van hun relatie dag voor dag te volgen. 23 juni 1949: ‘’s Avonds naar Harry. Vreselijke huilbuien, maar geen oplossing.’ 25 juni 1949: ‘Uit! Harry en ik gaan definitief uit elkaar.’ 1 juli 1949: ‘Jarig. Niets van Harry gehoord. Ook beter zo.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant