Home

De wereld stopt niet bij de voordeur van het ouderlijk huis

Modern ouderschap Kinderen worden als privéaangelegenheid van de ouders gezien, en zo het ultieme maakbaarheidsproject. Geef kinderen en hun ouders weer een gemeenschap, betoogt Kiza Magendane.

Een meisje van een jaar zit in een buggy als de trein op Schiphol aankomt. Terwijl haar moeder met haar de trein in gaat, sjouwt haar vader zoveel mogelijk tassen als hij kan naar binnen. Daarna rent hij weer terug naar het perron. Hij heeft de laatste tassen net naar binnen gebracht als de deuren sluiten.

Vanavond zullen haar ouders het over een ‘cultuurshock’ hebben. Ze zullen aan Oeganda terugdenken, waar ze een etmaal geleden nog waren, en waar hun dochter in de openbare ruimte aandacht van vreemden kreeg. Hoe verschillende obers en omstanders in restaurants en hotels hun dochter op talloze momenten vasthielden en met haar speelden, zodat zij even een momentje samen konden hebben.

Op Schiphol dacht niemand eraan om de ouders met de baby te helpen. In de trein keken medepassagiers de dochter amper aan, haast iedereen zat op zijn telefoon. Niemand deed moeite om ruimte te maken voor de buggy, totdat haar vader daarom vroeg.

Ik ben de vader van het meisje in kwestie. Schiphol en de trein fungeerden als toegangspoort naar een wereld die mijn partner en ik maar al te goed kennen. Een wereld waar scherpe grenzen liggen tussen het kerngezin en de rest van de samenleving. De zorg en opvoeding voor kinderen wordt primair als de privéaangelegenheid van de ouders gezien. Zij zijn verantwoordelijk voor de lusten en de lasten.

Slagen of mislukken

In de praktijk betekent dit dat Nederlandse ouders het zijn verleerd om hulp te vragen. Zij zijn verantwoordelijk voor het ‘slagen’ of ‘mislukken’ van hun eigen kinderen. Om het Nederlands Jeugdinstituut aan te halen: „Ouders worden in hoge mate verantwoordelijk gehouden voor het kennen en vermijden van risico’s en problemen voor gezond, veilig en kansrijk opgroeien. Kinderen lijken maakbaar geworden.”

Kiza Magendane is politicoloog en schrijver. Hij is oprichter van De Nieuwe Kamer, een organisatie die schurende gesprekken faciliteert.

Maar er is natuurlijk een grens aan wat ouders zelf kunnen dragen. Zoals uit Staat van Gezinnen en andere studies blijkt, hunkeren ouders steeds meer naar een ‘village‘, een pedagogische basis die ouders steunt, zodat zij niet in hun eentje het lot van kinderen hoeven te dragen. Deze hunkering is niet verwonderlijk. Sociologische studies wijzen uit dat kinderen die niet alleen door hun ouders maar ook door de brede gemeenschap zijn opgevoed, doorgaans gezonder en gelukkiger worden, ook in hun volwassen jaren. Het betrekken van informele netwerken draagt bij aan kansengelijkheid. Kinderen uit kwetsbare gezinnen die sociale steun van buitenaf krijgen, ervaren positieve impact op hun ontwikkeling. En de samenleving heeft baat bij kinderen die niet alleen door hun ouders worden opgevoed: ze voelen zich meer verantwoordelijk voor de omgeving en zijn meer bereid om met anderen samen te werken aan gezamenlijke doelen. Om nog te zwijgen over de voordelen die ouders zelf ervaren. Ze kunnen meer ontspannen. En door die ontspanning kunnen ze zich nog beter inzetten voor hun kinderen en de samenleving.

Als de voordelen van mede-ouderschap zo overtuigend zijn, waarom zitten we dan toch gevangen aan het infuus van het kerngezin? Het antwoord is dat wij in onze poging om ons te bevrijden van betuttelende traditionele kaders, de baby met het badwater hebben weggegooid. Individualisering, emancipatie, zelfredzaamheid – deze begrippen hebben de opvoeding van kinderen tot een privéaangelegenheid gemaakt.

De Nederlander ontwikkelde de afgelopen decennia een lossere relatie met traditionele kaders zoals familie, kerk en buurt. Bevrijd van beknellende normen zou hij zijn eigen lot nu zelf bepalen. Het eigen geluk zelf vormgeven. En zo werd het kerngezin – vader, moeder, kinderen – het epicentrum van zelfoptimalisatie. Het verkrijgen en opvoeden van kinderen een verlengstuk van jezelf, een maakbaarheidsproject. 

Er ontstond een monsterverbond tussen het gezin, de markt en de overheid, ten koste van de gemeenschap. De markt moest het kerngezin voorzien in zijn behoefte als consumerende entiteit, van exotische vakanties tot de boterham voor het ontbijt. Het onderwijs en de zorg, gefinancierd door de overheid, moesten het kerngezin steunen met de zorg en opvoeding. Ook ging de overheid kaders stellen en toezicht houden of het gezin het kind beschermde. 

Deze verheerlijking van het kerngezin heeft positieve resultaten laten zien. Nederlandse kinderen behoren in de ranglijst van Unicef al jaren tot de gelukkigste ter wereld. Moeders combineren werk en zorg best goed, vaders zijn meer betrokken, grootouders helpen mee. Over het algemeen voelen Nederlandse kinderen zich gezien en gehoord.

Uitgeputte ouders

Tot je even de tijd neemt om dieper te kijken, en ziet welke sinistere werkelijkheid schuilt achter die cijfers. Als je de warmte van het kerngezin niet hebt, val je buiten de boot. Eén op de acht kinderen groeit op in armoede. Inmiddels doet 14 procent van de jeugd onder de 18 een beroep op jeugdzorg. En die groep groeit.

Overigens is de prijs voor kinderen die wél in een warm nest zitten óók hoog. In eerste instantie voor hun ouders. Ouders gaan vaker over hun grenzen om dat geluk te bewerkstelligen. Parental burnout is inmiddels een veelvoorkomend fenomeen. Nog een leuke activiteit erbij, nog een aantrekkelijke vakantie, nog een extraatje – omdat ouders het gevoel hebben tekort te schieten als ze dat niet doen. Uit de SCP-studie Sociale netwerken van ouders blijkt dat ouders veel stress ervaren door de overvloed aan informatie, adviezen en opmerkingen. Het gevoel dat het beter moet, dat ze geen fouten mogen maken.

Je kunt je ook afvragen of kinderen die door overbelaste ouders worden opgevoed, op een gegeven moment zelf die overbelasting gaan overnemen. Inmiddels geeft bijna de helft van de Nederlandse jongeren tussen 16 en 25 jaar aan mentale problemen te ervaren, zoals prestatiedruk en stress. We weten dat kinderen het gedrag van hun ouders overnemen – niet alleen door DNA, maar door het na te doen, door te spiegelen. Het gaat niet om wat je zegt, maar om hoe je je gedraagt. En wat zien kinderen? Uitgeputte ouders die zich voortdurend afvragen of ze wel genoeg doen. Die zichzelf wegcijferen voor het welzijn van hun kinderen. Die weerbaarheid en autonomie prediken, maar zelf nauwelijks ruimte hebben om te ademen.

De mentale tirannie van het kerngezin leidt uiteindelijk tot een gespleten samenleving. Waar ouders het vermogen verliezen om kwetsbaar te zijn. Waar kinderen de kans wordt ontnomen om in aanraking te komen met andere perspectieven en opvoedstijlen, andere rolmodellen te ontwikkelen en om met frictie en verschillen om te gaan. Uit recent onderzoek van Unicef blijkt bijvoorbeeld dat slechts 41 procent van de Nederlandse kinderen aangeeft in staat te zijn een situatie vanuit het perspectief van een ander te zien. Op de lange termijn houden we een ieder-voor-zich-samenleving over, met burgers die niet in staat zijn om met verschillen om te gaan en het algemene belang centraal te stellen. De contouren hiervan zien we nu al in onze politiek, waar politici worden beloond als ze onze portemonnee centraal stellen en afstand met de ‘ander’ vergroten.

Ideaal van het kerngezin

In het debat over demografie gaat het veel over de noodzaak om meer kinderen te krijgen (of migranten toe te laten) om onze economie op peil te houden. Het gaat amper over de vraag hoe wij de kinderen die er al zijn opvoeden, en of de organisatie van onze samenleving wel een gezonde basis biedt voor ouders om kinderen te krijgen. Dit debat gaat ook amper over het feit dat jongeren het verkrijgen van kinderen steeds meer als een last zien, die hun carrière in de weg zit. Dat laatste verklaart waarom Nederlanders steeds op een latere leeftijd kinderen krijgen, en waarom hun lat zo hoog ligt.

Onderwijs en (gratis) kinderopvang worden algauw als oplossing gepresenteerd om ouders te steunen in de opvoeding. Het idee dat wij onze samenleving radicaal kunnen hervormen, waar collectieve zorg en opvoeding net zoveel waarde krijgen als betaald werk, dringt niet door tot de beleidstafels.

De meeste initiatieven die zich richten op het ondersteunen van ouders beperken zich tot de zogenaamde kwetsbare ouders. Alleenstaande moeders, minima – ouders die op allerlei manieren buitenspel werden gezet. Waar het in beleidsdiscussies niet over gaat, zijn ouders in de middenklasse en daarboven. Op papier lijken zij succesvol, omdat zij doorgaans aan het ideaal van het kerngezin voldoen. We vergeten daarbij dat ook deze ouders naar een gemeenschap hunkeren, dat ook zij willen leren van anderen.  Nederland bevindt zich op een kruispunt. Wij zijn een samenleving geworden waar families steeds kleiner zijn, en steeds verder van elkaar verwijderd.

Tegelijkertijd is er de opmars van de zogenoemde ‘fluïde families’, bestaande uit volwassenen die kinderen uit een eerder huwelijk meenemen, en met een partner een nieuw gezin starten.

De ‘fluïde familie’ geeft een inkijkje in wat de samenleving heeft verloren, en een indicatie van hoe die is te herstellen. Als een vader van een dreumes en drie stiefkinderen zie ik dat in mijn eigen samengestelde gezin. Kinderen worden in die samengestelde gezinnen opgevoed door meerdere ouders – ze krijgen er een ‘bonusvader’ of ‘bonusmoeder’ bij. Die bonusouders kunnen als nieuwe rolmodellen fungeren, en nieuwe perspectieven en verhalen met zich meebrengen. 

Bijkomend voordeel is dat kinderen in een samengesteld gezin zien dat het leven niet perfect is, dat je mag vallen en opnieuw beginnen. Omdat hun ouders ook de moed vonden om opnieuw te beginnen. Het onbekende te omarmen. Ze leren ook om te gaan met frictie en met broers en zussen samen te leven, ook als die een andere biologische vader of moeder hebben.

Stille getuigen

Een ieder die mijn dochtertje in Oeganda vasthield, deed dat niet uit medelijden. Maar omdat het zo vanzelfsprekend was. Omdat mijn dochter niet alleen van mij en mijn geliefde is, maar van de gemeenschap. Dat is geen romantisch ideaal, maar een praktijk die generaties heeft overleefd omdat het werkt. Het is precies wat psychoanalytica Alice Miller ‘stille getuigen’ noemt. Mensen die zich ontfermen over kinderen die thuis onvoldoende liefde en zorg ontvangen. Zoals bell hooks in Alles over liefde schrijft: „Vrijwel iedere volwassene die als kind onnodig leed heeft gekend, heeft een verhaal van iemand wiens vriendelijkheid, tederheid en bezorgdheid het gevoel van veiligheid herstelde.”

Het is onze opdracht om iedere dag weer stille getuigen te zijn. Want kinderen die door een extended family of gemeenschap worden opgevoed, zijn niet alleen gezonder en gelukkiger, ze zijn ook meer bereid om bij te dragen aan het algemeen belang. Ze leren dat de wereld niet ophoudt bij de voordeur van hun ouderlijk huis. 

En dat begint echt klein. Door vrienden, buren en collega’s die bijvoorbeeld geen kinderen hebben te betrekken bij de opvoeding. Of door via scholen verschillende grootouders een rol te geven in naschoolse opvang van kinderen, en niet alleen hun eigen kleinkinderen. Of door buurtinitiatieven te steunen die collectieve opvang en zorg willen organiseren buiten commerciële kinderopvang.

Als stille getuigen moeten wij het idee problematiseren dat kinderen ons exclusieve maakbaarheidsproject zijn. Niemand heeft dat zo mooi verwoord als James Baldwin: „The children are always ours, every single one of them, all over the globe; and I am beginning to suspect that whoever is incapable of recognizing this may be incapable of morality.” Zijn woorden lezen als een uitnodiging. Om de tirannie van het kerngezin los te laten, en onze kinderen te zien voor wie ze werkelijk zijn: het grootste bindmiddel tussen families, culturen en generaties.

Vijf auteurs reflecteren

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next