In de maakbare samenleving ligt teleurstelling op de loer, zegt de Frans-Israëlische socioloog Eva Illouz. In Explosieve moderniteit kijkt ze verder dan de ‘onderbuik’ van de boze burger.
Kijk, daar is-ie weer: Menno ter Braak. Als de meutes in het zwart door de straten trekken en de politiek van de zondebok hoogtij viert, is er altijd wel weer een broodschrijver – allow me – die teruggrijpt op onze beroemde antinazistische martelaar.
De grote Nederlandse intellectueel, die zich na de capitulatie in 1940 liever van het leven beroofde dan ook maar een dag onder Duitse heerschappij te leven.
Zijn meest gelezen essay, Het nationaal-socialisme als rancuneleer (1937) is nog altijd de referentie voor wie het rechts-populisme wil verklaren vanuit het ressentiment – de afgunst, de wrok, de wraakzucht – van een vernederd electoraat.
Van zijn zelfdoding op 38-jarige leeftijd kun je je als hedendaagse, psychologiserende lezer afvragen of zoiets geheel een getuigenis is van de kracht van idealen, of dat er een depressie speelde. Ter Braak wilde al dood, suggereerde W.F. Hermans, nogal venijnig; de bezetting was een kans om er met waardigheid tussenuit te knijpen.
Het nationaal-socialisme als rancuneleer is strijdbaar, maar heeft ook wel iets fatalistisch. Van zijn eigen slag, de intelligentsia, geloofde Ter Braak eigenlijk niet dat ze veel konden doen tegen het oprukkende nazisme. Nietzsche indachtig zag hij het ressentiment dat de brandstof vormde van dat nazisme als een onvermijdelijk product van de democratie. Die heeft immers gelijkheid als ideaal, en dat is utopisch.
De ongelijke realiteit zal op den duur altijd de wrok van de minderbedeelden voortbrengen. Doe je niets tegen.
En als je er dan eenmaal tegenover staat, dat razende ressentiment, dan halen argumenten en feiten niets uit. Dat geldt net zozeer voor begrip van de motieven erachter. Deze haat wil jouw begrip niet, en niet je redelijkheid. Deze haat wil alleen zichzelf – pure emotie, als een natuurkracht.
Ter Braaks omstreden aanname dat de democratie zélf het ressentiment voortbrengt, vond ik terug in Explosieve moderniteit – Hoe emoties onze tijd bepalen, het recente boek van de invloedrijke Frans-Israëlische socioloog en hoogleraar Eva Illouz (1961), zelf momenteel ook enigszins omstreden.
Illouz is als linkse intellectueel een scherp criticus van zowel de Israëlische regering en haar oorlogsmisdaden als het in haar ogen te dogmatische linkse academische discours over kolonialisme en zionisme. Israël ontzegde haar vorig jaar een nationale prijs omdat ze anti-Israël zou zijn. Deze week mocht ze niet meer komen spreken aan de Erasmus Universiteit, omdat ze aan de Hebrew University is verbonden. Meerdere kampen boos, dus; ironisch voor iemand die met een boek komt over de explosieve identiteitsconflicten in onze tijd, en de gevoelens die daarmee gepaard gaan.
Een van de grote emoties die een eigen hoofdstuk krijgen in dit imposante, moeilijk samen te vatten boek is afgunst. Eeuwenlang geldt afgunst, de ‘pijn bij het geluk van anderen’, vooral als een hoofdzonde. In Shakespeares Othello, schrijft Illouz, ‘is afgunst het grootste kwaad – vele malen verwoestender dan (...) toorn, hebzucht of luiheid’.
Maar in de 18de eeuw begint die christelijke moraal plaats te maken voor de notie dat afgunst ook een productieve ondeugd is, omdat ze mensen competitief maakt. Koloniale handel lokt een eerste consumentenrevolutie uit, en de ongekende zichtbaarheid van luxe die daarmee gepaard gaat, transformeert afgunst tot een normaal kenmerk van het sociale leven.
Illouz citeert Alexis de Tocqueville, filosoof van de moderne democratie, die daaraan toevoegt dat afgunst een essentieel onderdeel is van de democratie, omdat die het resultaat is van een ‘passie voor gelijkheid’. Illouz: ‘Democratie wakkert de dorst naar gelijkheid aan, waardoor de ongelijke verdeling van rijkdommen niet alleen dubieus wordt, maar een afgunst oproept die een beslissende vraag stelt: en ik dan?’
Het is voor Illouz dus niet puur de democratie die de afgunst centraal stelde, maar ook de opkomende consumptiecultuur. Die presenteerde zich als een democratisch project, dat mensen er middels afgunst toe motiveerde ‘om spaargeld te verruilen voor artikelen waarmee ze mensen die hoger op de maatschappelijke ladder stonden konden imiteren’.
Gelijkheid door middel van competitie dus, ziedaar de paradox van de moderne democratie die veel van Illouz’ analyses grondvest.
Dat democratie altijd afgunst en uiteindelijk ressentiment schept, was voor Ter Braak een reden om de gelijkheidsidealen van de democratie te wantrouwen (die brachten behalve nazi’s ook communisten voort, brrr). Maar daarmee wees hij de verkeerde schuldige aan, zeggen zijn critici.
Door alles te gooien op de onredelijke onderbuik ontkennen de aanhangers van de ressentimentstheorie de (gevaarlijke) intellectuele inspiraties van extreemrechts. Tegen migratie zijn, bijvoorbeeld, is een politiek standpunt, niet alleen hysterie.
De theorie ontkent, met andere woorden, dat de boze massa ook ratio bezit. Het is een te simpele verklaring, die ‘boze burger’ (en daarmee impliciet ook domme burger: Ter Braak sprak minzaam van de ‘halfbeschaving’ van het volk, dat ternauwernood kan lezen, maar niet kan denken.).
Illouz kun je van zulke simplificaties niet beschuldigen. Ja, haar terrein is dat van de emoties, maar haar werk maakt inzichtelijk dat ratio en emotie niet makkelijk van elkaar te scheiden zijn.
Ten tweede is afgunst bij haar maar één deel van een veel breder palet aan emoties, die op elkaar en de wereld inspelen. Zo geeft ze veel meer kleur aan de ‘onderbuik’, die je doorgaans toch voor je ziet als een ondoorzichtige poel met drek.
De boze burger is ook hoopvol, bang en liefhebbend. De boze burger, let wel, dat ben jij ook.
Nu dan iets over Illouz’ bijzondere aanpak. Ze schrijft: ‘Waar Freud [in Het onbehagen in de cultuur uit 1930] het toenemend door geweld geteisterde Europese klimaat verklaarde door de maatschappij te bestuderen door het prisma van op zich innerlijke psychische mechanismen, doe ik het tegenovergestelde en lees maatschappelijke mechanismen in emoties.’
Niet de samenleving verklaren vanuit emoties, maar kijken hoe de samenleving die emoties vormt. Deze socioloog bedrijft een soort omgekeerde vorm van psychologie.
Dat past bij Illouz, die altijd geïnteresseerd is in de innerlijke mens – ze schreef dikke boeken over liefde en intimiteit – maar die een groot deel van haar oeuvre heeft gewijd aan het bekritiseren van de wetenschap van dat innerlijk. De psychologie komt er bij haar zelden goed van af. Ze is een van de voornaamste critici van wat we therapiecultuur noemen.
Ook hier weer: ‘Waarom zouden we meer geloof hechten aan de sociologie dan aan de psychologie? Het meest overtuigende [argument] is dat de eerste veel minder nauw verbonden is met machtige economische belangen dan de tweede. De psychologie heeft een wereldwijd leger van experts geproduceerd om de beroepsbevolking te leiden, de productiviteit te verhogen, en de rol te verhullen die genderongelijkheid, competitie en een mislukte meritocratie spelen bij emotionele pijn. In het aangezicht van vele scheuren in het maatschappelijk weefsel ten gevolge van kapitalisme, liberalisme, globalisering en ongelijkheid, is de psychologie blijven eisen dat wij, en alleen wij, de verantwoordelijkheid nemen voor onze angst, depressie of woede.’
De commerciële psychologie heeft er in het denken van Illouz niet alleen voor gezorgd dat we onze emoties krankzinnig serieus nemen (wat je voelt is waar), maar ook dat we ons in eindeloos zelfonderzoek afkeren van de maatschappij. Het lijkt haar grote project om emoties weer te koppelen aan het sociale.
‘De alomvattende vraag in dit boek is hoe de moderniteit – een vaag en ingewikkeld concept – zich in ons emotionele leven ontvouwt’, schrijft Illouz. ‘Als socioloog ben ik niet zozeer geïnteresseerd in het genezen van geestelijke wonden, maar des te meer in de manier waarop de maatschappij bijdraagt aan het slaan daarvan.’
Hoe onderzoekt een socioloog die geestelijke wonden precies? Zoals Illouz het bekijkt, bevinden emoties zich op het snijvlak van het persoonlijke en het publieke. ‘Emoties zetten het werk van de maatschappij binnen het zelf voort.’ Dat kruispunt, meent ze, is ook het terrein van de literatuur, en dan met name de roman, omdat die de psychologie van personages inbedt in een sociale wereld. Romans laten zien ‘waarvan een cultuur droomt, waar ze ongerust over is, wat ze verwacht’.
Alles begint, zoals je in een schrijfklasje ook zou leren, met hoop. Wat wil dit personage, waar streeft het naar? In hoofdstuk één constateert Illouz dat de literatuur van de 19de en vroeg-20ste eeuw bol staat van personages die ‘de wereld intrekken en zich daarbij oriënteren op de poolster van hun ambitie’.
Dat weerspiegelt de opkomst in de verlichte en sociaal mobiele moderniteit van een ‘nieuwe sociale grammatica van de persoon’, gebaseerd op hoop.
Hoop op een beter leven, hoop op een beter zelf, hoop op een betere wereld.
Je kunt hele ideologieën bouwen op deze krachtige emotie. Democratie, marktkapitalisme en nationalisme varen wel bij het vooruitzicht van een toekomst vol voorspoed, overvloed en broederschap. Het kan wél.
Gevaarlijk, natuurlijk. Hoop zat niet voor niets in Pandora’s doos met plagen; de Amerikaanse droom is niet voor niets een droom. Via onder meer de valse beloften van de meritocratie (ook een project van hoop) voert Illouz ons naar een onvermijdelijk volgend hoofdstuk: teleurstelling.
Hier treffen we, met haar neus in de boeken, een ultieme moderne heldin, Madame Bovary, de vrouw die alles heeft waarop ze mag hopen, als vrouw van een plattelandsarts, en toch verlangt naar meer. Haar psychologie, schrijft Illouz, is die van het cliché: ‘In bijna alles wat Emma [Bovary] overkomt, functioneren geprefabriceerde gedachten en gevoelens als tussenschakel.’ Haar verlangen naar romantiek en luxe komt uit de romantische boeken die ze verslindt.
Illouz: ‘Langs de weg van stereotiepe betekenaars en consumptie-ijver wordt Emma een sociaal subject vol hoop.’ Ze loopt over van verwachtingen en gevoelens die samenhangen met die verwachtingen. Daarmee staat ze symbool voor een middenklasse die de vrijheid verworven heeft om een grootser en beter leven te wensen, maar daardoor ook altijd vatbaar is voor teleurstelling.
De moderne mens is eeuwig Emma in het voortdurende gevoel dat het echte leven tegenvalt in vergelijking met het gedroomde. De hotelkamer is niet wat ons beloofd werd op de site, maar dan existentieel. Hiermee doe ik Illouz’ analyse tekort, maar wat blijft hangen is het besef dat het grote drama, in de moderne literatuur en in de maatschappij, is gemaakt uit hoop en teleurstelling.
Uit deze tweespalt komt het culturele onbehagen voort. Maar dan zijn we pas bij hoofdstuk twee. De andere grote emoties die Illouz een hoofdrol geeft, volgen deels uit die humuslaag van hoop en teleurstelling. Met afgunst, woede en angst erbij komen we een eind in de richting van de ressentimentstheorie. Maar wanneer ze nostalgie, trots en liefde ten tonele voert, wordt ook duidelijk welke geborgenheid de geëmotioneerde en ontheemde burger kan vinden in nationalisme en identiteitspolitiek.
Van al die emoties wil Illouz dat je begrijpt dat ze niet zomaar in een of andere authentieke vorm in ons opborrelen, maar dat de cultuur ze construeert en (als we niet oppassen) uitbuit. ‘Liefde’, schrijft ze, in een typisch strenge Illouz-zin, ‘is de vorm die de Amerikaanse droom heeft aangenomen voor vrouwen – een economische en emotionele fantasie dus.’
Romantiek moet het hier, net als in eerder werk, vooral ontgelden als een patriarchaal-kapitalistisch gedrocht. Daar kun je natuurlijk helemaal niets mee als je – ik noem maar wat – verliefd bent. Geen van deze traktaatjes laat zich goed koppelen aan het individuele emotionele leven, met al zijn unieke wederwaardigheden. Dit is nogmaals geen psychologie, en zeker geen zelfhulp.
En toch. Het inzicht dat wij de maatschappij niet alleen vormen met onze inborst, maar dat die inborst ook gevormd – en hervormd – kan worden door hoe we de maatschappij inrichten, kan wel strijdbaar maken. Emoties zijn niet per se onredelijk, maar net als verhalen zijn het geen waarheden. Ze kunnen krachtig oplaaien, maar we hoeven er niet aan overgeleverd te zijn.
Eva Illouz: Explosieve moderniteit – Hoe emoties onze tijd bepalen. Uit het Engels vertaald door Eelke Verhagen. Ten Have; 288 pagina’s; € 29,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant