In Barones tussen de armen beschrijft Astrid Schutte het leven van een vrouw die opgroeide tussen de adel, maar in een sloppenwijk in Parijs haar ware bestemming vond.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
Je kunt je afvragen of aan Alwine Antoinette barones de Vos van Steenwijk (1921-2012) een biografie zou zijn gewijd als zij niet van adel was geweest.
Natuurlijk: zij was een van de eerste vrouwelijke diplomaten van het Koninkrijk der Nederlanden. Zij werd aanbeden door talrijke mannen, maar koos – eerst aarzelend, later resoluut – voor het celibaat. En dat hing weer samen met de levensbestemming waarvoor zij omstreeks haar 40ste koos: zij verruilde het protestantisme voor het katholicisme, en stelde haar leven in dienst van de armen.
Haar ongewone levensloop spreekt vooral tot de verbeelding omdat zij zichzelf de zekerheden ontzegde die haar milieu haar bood. Astrid Schutte vat het bondig samen in de biografie die zij van Alwine de Vos van Steenwijk schreef: Barones tussen de armen.
Zij was de dochter van een rentenierende vader, die doorgaans niet vóór twaalf uur het bed uitkwam. Haar moeder, Marie von der Goltz, was de dochter van een van de intimi van de Duitse keizer Wilhelm II. De naam van de vader waarborgde een aangenaam bestaan. In haar geval betekende dat: een witgepleisterd huis met een torentje in de duinen van Noordwijk, een glijbaan in de tuin, de permanente nabijheid van een Zwitserse gouvernante, drie Duitse dienstmeisjes, en een kostschool in Engeland (‘het héérlijke Allenswood’).
Midden in deze weelde werd ook soberheid betracht: Alwine deelde een fiets met haar twee oudere zusjes, en haar garderobe bestond uit niet meer dan twee rokken, twee truien en een Beiers pakje met een groen kraagje. Haar ouders waren mensen op afstand. Moeder was vaak uithuizig, vader was onbenaderbaar. ‘In mijn leven heb ik in totaal nog geen twee dagen met hem gesproken’, zou Alwines jongere broer Roelof later zeggen.
In Leiden bezocht zij het gymnasium, en daar raakte haar sociale geweten voor het eerst geschokt bij de aanblik van werklozen bij het stempellokaal aan de Garenmarkt. Nooit was haar verteld wie die haveloze mensen waren en waarom ze in de rij stonden.
Van de grimmige werkelijkheid van de Duitse bezetting kon de familie zich niet afzonderen. Alwines moeder bleef trouw aan haar geboorteland (en moest zich daarvoor na de oorlog voor de rechter verantwoorden), haar vader schipperde tussen goed en fout (in verband waarmee hij in 1947 eervol werd afgezet als voorzitter van de Hoge Raad van Adel), maar Alwine verkeerde hoofdzakelijk in verzetskringen. In 1943 werd haar geliefde Jan ten Bosch door de Duitsers vanwege zijn verzetswerk terechtgesteld (onder de uitroep ‘dood aan Hitler’). Later merkte Alwine deze gebeurtenis aan als ‘vingerwijzing naar het plan dat God met haar had’.
Dat plan ontvouwde zich toen zij op 2 januari 1960, toen zij in Parijs werkzaam was als tweede secretaris bij de Nederlandse vertegenwoordiging van de OEES, de voorganger van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso). Op die dag bracht zij een onaangekondigd bezoek aan een sloppenwijk in de Parijse voorstad Noisy-le-Grand, na lezing van een artikel in de glossy Elle over dit helse oord.
Zij maakte er kennis met de priester Joseph Wresinski (père Joseph), die zich ontfermde over de 252 gezinnen die het boomloze barakkenkamp bewoonden. ‘Hij wekt de indruk van iemand die zo krachtig is en actief, dat niets hem kan raken’, schreef Alwine later over hem. Binnen een uur na aankomst stond ze in een loods afgedankte kleren en schoenen te sorteren. Huilend. Niet vanwege de kou, zoals Wresinski veronderstelde, maar uit plaatsvervangende schaamte over de rommel die rijken onder het mom van liefdadigheid aan de armen afstaan.
Wresinski op zijn beurt was ontroerd door haar oprechtheid, en stapte na verloop van tijd grootmoedig over haar, in zijn ogen suspecte, afkomst heen. De ridderslag werd haar later toegediend door een inwoner van een andere sloppenwijk die haar als ‘iemand van ons’ bij zijn vrouw introduceerde. ‘Een grotere eer kan mij niet gegeven worden’, jubelde Alwine.
Als naaste medewerker, later huisgenoot, van père Joseph beijverde zij zich voor de statusverhoging van diens hulporganisatie Aide à toute détresse (ATD). Zij tuigde ATD op met een onderzoeksbureau en een cultuurstichting, en zij verschafte haar organisatie een vaste plek aan tafel bij de VN en Unesco. Deze wapenfeiten gingen gepaard met een verabsolutering van haar idealen. Alwine verviel in een blinde adoratie voor père Joseph, voor wiens heiligverklaring zij zich vergeefs inzette. Alleen van hem kon zij tegenspraak verdragen. Zij spoorde ATD-vrijwilligers aan tot echtscheiding opdat zij zich volledig op hun nobele zaak konden toeleggen.
‘Onduidelijk blijft aan wie ze haar toewijding wilde bewijzen’, schrijft Astrid Schutte. ‘God, Wresinski? Of toch haar familie?’ Het kan de lezer op den duur bijna een beetje gaan vervelen, maar wat haar motief ook was, ze gaf zich er met ziel en zaligheid aan over.
Astrid Schutte: Barones tussen de armen. Spectrum; 320 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant