Home

Hoogtetenten zijn allang geen geheim meer in de schaatssport, toch hangt er nog mysterie omheen

Ooit iets voor de experimenteel ingestelde sporter, nu een vast element in de trainingsprogramma’s van schaatsers: de hoogtetent. Hoe werkt het en wat zijn de effecten?

Eens in de zoveel tijd verkast Marcel Bosker naar de logeerkamer. Niet omdat hij ruzie heeft met zijn vrouw, collega-schaatser Melissa Wijfje, of omdat hij snurkt, maar omdat hij dan in zijn hoogtetent kampeert. Zo bootst hij thuis in Sintjohannesga, op ongeveer een meter onder NAP, de omstandigheden van een verblijf op een berg na.

Wie tegenwoordig een hotelgang binnenstapt waar toevallig schaatsers verblijven, kan zomaar een brommende generator voor een deur treffen. Vanaf dat apparaat leidt een slang de kamer in naar een hoogtetent. Tot een jaar of zes geleden was de hoogtetent nog een attribuut voor een voortvarend individu, of een enkele profploeg. Inmiddels maken alle grote schaatsploegen er gebruik van.

Net als bij een hoogtestage – een daadwerkelijk verblijf op een hoge berg – ervaart Bosker het gebruik van een tent als gunstig voor zijn conditie. Nadat Bosker er rond 2019 bij zijn toenmalige ploeg TalentNED mee had geëxperimenteerd, kocht hij er vijf jaar geleden zelf eentje. Kosten? ‘Iets van 3.500 euro.’ Bosker noemt het gebruik ‘verschrikkelijk saai’. Zijn streven is om telkens minstens 12 uur of langer in zijn tent te zitten – het optimum. ‘Dus zit je er buiten je slaap om nog zeker een dagdeel in.’

Omringd door mysterie

Bosker, viervoudig wereldkampioen met de ploegenachtervolging, vermoedt dat hij de enige schaatser is die zelf zo’n tent heeft gekocht. Hij is niet de enige die het profijt ziet, dat weet hij zeker. ‘Hoogtetenten zijn al lang geen geheim meer’, zegt ook Robin Derks, zijn trainer bij Team Reggeborgh. Toch hangt er tegelijkertijd een soort mysterie omheen.

Vraag hoofdcoaches van diverse schaatsploegen om informatie over hoogtetenten en ze antwoorden in eerste instantie enigszins terughoudend. Ze willen hun concurrenten niet wijzer maken; schaatswedstrijden kunnen worden beslist op honderdsten van een seconde. De protocollen die ze hanteren houden ze geheim. Bovendien, is de uitleg die steevast volgt: het is maatwerk. Een verblijf in een hoogtetent pakt niet voor iedereen hetzelfde uit. Daarom is voorzichtigheid geboden.

Wat doet een verblijf op hoogte precies? Elke ademteug in ijle berglucht bevat door de lagere luchtdruk minder zuurstofmoleculen dan op zeeniveau. Een lichaam reageert daarop door extra rode bloedlichaampjes aan te maken. Dat zijn, dankzij het eiwit hemoglobine, de zuurstoftransporteurs in het lichaam. Als een soort vrachtwagentjes brengen ze zuurstof naar al het weefsel in een lijf, ook naar de spieren. Door meer vrachtwagentjes te laten rijden, krijgt een lichaam het in ijle lucht toch voor elkaar om voldoende zuurstof op de plaats van bestemming te krijgen.

Verschillende perspectieven

In de wetenschap wordt doorgaans van een hoogtestage gesproken vanaf zo’n 1.800 meter. ‘Zo staat het in de boekjes’, zegt Jacob Veenstra, performancecoach bij Team IKO-X2O. ‘Wij houden 1.800 tot 2.500 meter aan, maar er zijn verschillende perspectieven. Ik was laatst bij een masterclass van NOCNSF waar Laurent Meuwly, de coach van Femke Bol, vertelde dat hij met zijn sprinters trainingsstages doet op 1.400 meter hoogte. Daar is de prikkel kleiner, maar niet afwezig.’

Wie na een verblijf op hoogte teruggaat naar zeeniveau, houdt nog een paar weken een overschot aan rode bloedcellen en kan daardoor tijdelijk meer zuurstof opnemen. Dat is goud waard in sporten waar uithoudingsvermogen een voorname rol speelt, zoals in het schaatsen. Daarom lassen sommige trainers een aantal weken voor een belangrijke wedstrijd of in het trainingsseizoen een hoogtestage in.

Maar een reis naar de Pyreneeën, de Alpen, of vulkaan El Teide op Tenerife, vraagt aanpassingen. Daar ligt geen 400-meterijsbaan. Er komen bovendien verblijfkosten en reistijd bij. Bij IKO-X2O gebruiken ze de hoogtetenten soms direct na een trainingsstage in de bergen. Dan slapen de schaatsers na terugkeer nog een tijdje in een tent om zo de hoogtestage te verlengen, maar tegelijkertijd niet te lang van huis te zijn.

Extra rode bloemlichaampjes

Met een hoogtetent – of nauwkeuriger: een zuurstoftent – is het mogelijk om in laaggelegen gebieden effecten van hoogte te bewerkstelligen. Een generator zuigt lucht uit de omgeving aan en filtert er zuurstofmoleculen uit. Het gevolg: in de tent bevat de lucht minder zuurstofmoleculen dan erbuiten. Net als op een bergtop wordt het lichaam gedwongen om dat tekort met extra aanmaak van rode bloedlichaampjes op te vangen.

Anders dan een reis naar de bergen is het slapen in een hoogtetent zo gepiept. Bosker: ‘Je bouwt de tent om je bed heen en sluit de slangen en generator aan.’ De generator zet hij in de kamer ernaast, om het gebrom van het apparaat op afstand te houden. Het is kiezen tussen twee kwaden, want lucht wordt in golven aangezogen en in de tent geblazen. Een beetje zoals een mens een ballon opblaast: er komt telkens een luchtstoot naar binnen. Hoe langer de slang tussen generator en tent, hoe harder dat klinkt: ‘Dus je wil die generator ook niet te ver weg hebben staan.’

Op de telefoon van Jac Orie, hoofdcoach van Team Essent, staat een foto van een met generatoren gevulde gang. Gemaakt in de winter van 2020-2021 in het Van der Valk-hotel in Wolvega. Het is het moment waarop de als bewegingswetenschapper geschoolde schaatscoach de hoogtetent voor het eerst, noodgedwongen, omarmde.

Orie hanteert in zijn trainingsschema’s een aantal terugkerende elementen. Een paar weken voor de belangrijkste wedstrijden van het seizoen organiseert hij standaard een trainingskamp in Italië, naar de op bijna 1.200 meter hoogte gelegen buitenbaan van Collalbo. Maar in die winter van 2020-2021 was een bezoek aan Italië door strenge coronamaatregelen onmogelijk. ‘Toen werd ons project: als wij niet naar Collalbo kunnen, halen we Collalbo naar ons.’

Nieuw was het gebruik van hoogtetenten destijds niet, haast Orie zich te zeggen. In andere sporten, zoals wielrennen, is het al veel langer een standaardingrediënt. Maarten van der Weijden bemachtigde in 2008 in Beijing olympisch goud in het openwaterzwemmen. Na afloop was hij de eerste sporter die openlijk en gepassioneerd vertelde over zijn gebruik van een hoogtetent: hij lag er tussen de 12 en 15 uur per dag in. Ook van de Britse hardloper Mo Farah, viervoudig olympisch kampioen, is bekend dat hij in aanloop naar de Zomerspelen van 2012 in Londen een hoogtetent gebruikte.

In het schaatsen is coach Jillert Anema al jaren overtuigd van het nut van hoogtetenten. Individuen zoals marathonschaatser en stayer Jouke Hoogeveen gingen er op eigen houtje mee aan de slag. Dat gold ook voor Jan Blokhuijsen, olympisch kampioen op de ploegenachtervolging. Zijn poging om thuis hoogtestages na te bootsen was in 2013 uiteindelijk een van de redenen voor een breuk met de TVM-ploeg. Hoofdcoach Gerard Kemkers vond dat Blokhuijsen, die ook op eigen houtje ging skeeleren, shorttracken en met een extern team werkte, te veel zijn eigen plan trok.

Orie was lang van mening dat er niets boven een gewone hoogtestage ging, toch bleef hij het verblijf in tenten toevoegen aan zijn trainingsschema’s nadat de coronamaatregelen waren opgeheven. ‘We gebruiken ze wel minder nu we weer naar Collalbo kunnen.’

Ook Orie ziet de praktische voordelen van het gebruik van een tent: zo hoeft hij minder vaak op trainingskamp, of kan hij per sporter variëren in hoogte. Het slapen in een hoogtetent is soms eenvoudiger dan het opzoeken van een berg. De ploeg heeft geen tenten in bezit. Orie: ‘We huren ze elke keer. Ze komen ze dan gewoon brengen, helemaal up-to-date en netjes geijkt.’

Wisselende resultaten

Maar het is geen kwestie van simpelweg een tent opzetten, liggen en wachten op een verbetering van je conditie. De resultaten van een verblijf in een tent zijn nooit helemaal eenduidig, zegt Gerard van Velde, hoofdcoach bij Team Reggeborgh. Zijn ploeg maakt sinds de Spelen van Beijing gebruik van hoogtetenten. ‘Je krijgt de resultaten die je verwacht niet altijd keihard terug.’

Bij een aantal sporters zorgt een periode waarin ze in de zuurstoftent slapen voor een duidelijke verbetering van hun conditie. Bij anderen is dat effect veel minder, afwezig of verslechtert hun vorm, merkt Van Velde. ‘Bij sommigen zorgt het voor een slechte nachtrust. Dan heft dat de positieve effecten op. Er zijn echt mensen die er helemaal niet goed op gaan.’ Daarom is niemand bij Reggeborgh verplicht de bedomptheid van de zuurstoftent op te zoeken.

Bosker gaat er wel ‘goed op’, maar dat neemt niet weg dat hij het slapen in de tent bepaald geen pretje vindt. Het tentje is luchtdicht, anders werkt het niet, maar daardoor wordt het er ook snel warm en benauwd. Wel zet Bosker als het nodig is het raam van zijn logeerkamer open, dan zakt tenminste de omgevingstemperatuur en is het in zijn tent ook iets koeler.

Bij Van Veldes ploeg past de inzet van zuurstoftenten in de professionaliseringsslag die het team doormaakte. Er kwam de laatste jaren door een hoger budget steeds meer ruimte om de trainingsaanpak te verfijnen. Reggeborgh heeft nu meer leden in het begeleidingsteam en een ‘embedded scientist’, een sportwetenschapper. Maar het is niet het gouden ei, waarschuwt Van Velde. ‘Het is een van de vele dingen die we doen.’

Eigen onderzoek

Orie ziet net als Van Velde wisselende resultaten van de sessies in de tent. De coach, die meerdere wetenschappelijke publicaties op zijn naam heeft, pakte de eerste ‘hoogtestages’ in Wolvega in 2020 uiterst serieus aan. Hij gebruikte die periode voor onderzoeksmateriaal. ‘Het was een onderzoek voor onszelf, maar wel helemaal volgens de wetenschappelijke regeltjes’, zegt Orie.

Nog altijd monitort Orie nauwgezet de effecten van een verblijf in een hoogtetent bij zijn sporters. De hoofdcoach van Essent stuitte de afgelopen jaren op een opmerkelijke casus: tot zijn eigen verbazing blijkt dat een van zijn schaatsers na een verblijf in een hoogtetent beter presteert, terwijl die sporter een ‘non-responder’ is. Oftewel, iemand wiens lichaam volgens de gemeten bloedwaarden niet reageert op het zuurstoftekort.

Een verklaring heeft Orie niet. ‘Dat komt ergens vandaan. Maar waar? Ik kan het niet vinden.’ Om wie het gaat wil de coach niet zeggen. Ook niet tegen de persoon zelf. ‘Want hoewel we niks kunnen meten, gaat hij er wel harder van schaatsen.’

Minder zuurstof

In een zuurstoftent kun je tot grote hoogten gaan. De tenten zijn in staat om veel zuurstof uit de lucht te filteren. Bosker varieert in de hoogtes die hij simuleert. Grofweg van 1.600 tot 2.800 meter. Op zeeniveau bevat de lucht bijna 21 procent zuurstofgas, op 2.800 meter zo’n 15 procent.

Naar minder zuurstof, oftewel grotere hoogte, gaat Bosker op zijn logeerkamer niet. ‘Volgens mij kan ik tot 6.000 meter, maar dat is hartstikke gevaarlijk. Dan loop je het risico op orgaanfalen en andere ellende.’ Met een spottend lachje: ‘Ik ben niet zo nieuwsgierig dat ik mezelf helemaal naar de klote help. Ik weet dat ik, met wat ik doe, veilig zit.’

Derks testte wel een keer de effecten van plotselinge grote hoogte. Niet in een tent, maar in een drukkamer, een ruimte waarin de luchtdruk kan worden verlaagd en zo ijle lucht ontstaat. ‘We hebben die ruimte op zo’n 4.000 à 5.000 meter gezet en gingen er een minuutje in.’ Dat deed Derks gewapend met een saturatiemeter, waarmee hij het zuurstofgehalte in zijn bloed kon meten. ‘De zuurstof in het bloed zakt als een malle. Je wordt er heel dizzy van.’

Nog los van de gezondheidsgevolgen is hoogte ook uit trainingstechnisch oogpunt een middel dat met enige voorzichtigheid moet worden ingezet. Een lijf moet wennen aan een zuurstoftekort. Te intensieve trainingen kunnen verkeerd uitpakken en een zwaardere wissel trekken op het lijf dan gewenst.

Ook de aansturing van de ledematen is op hoogte een punt van aandacht. Schaatsen is een technische sport. De schaatstechniek goed uitvoeren is lastiger op hoogte, meent Derks: ‘Omdat je coördinatie minder wordt. Je moet gewoon heel goed uitkijken hoe je het inzet, en wanneer. Dat is een puzzel.’

En dan is er volgens Orie nog het spanningsveld tussen conditie, die door verblijf op hoogte kan verbeteren, en spierkracht. Op hoogte spreekt het lichaam – veel meer dan op zeeniveau – het spierweefsel aan als bron om energie uit te putten. Orie: ‘Als je op 2 kilometer hoogte zit, verlies je heel snel spiermassa.’ Dat is, zeker voor de explosievere schaatsers, een gevaar. De balans daarin vinden, de ‘trade-off’ zoals Orie het noemt, is niet eenvoudig. Dat geldt zowel voor een echte hoogtestage als voor simulatie in een tent.

Bij Team IKO-X20 wordt om die reden een onderscheid gemaakt tussen de sprinters en de allrounders. Die eerste groep gaat niet op hoogtestage en niet in de hoogtetent. Ook als de ploeg een hotel opzoekt waar complete hoogtekamers zijn ingericht, gaat bij de spurters het zuurstoffilter niet aan. Terwijl de allrounders op hoogte slapen, overnachten de sprinters op zeeniveau. Veenstra: ‘Je wil de individuele benadering, maar het sociale aspect is ook belangrijk in een schaatsploeg. En als zo iedereen toch ’s avonds samen kan eten, dan is dat bonus.’

Geheimzinnig over aanpak

Hoe vaak de tenten worden ingezet en hoelang exact, houden de meeste schaatscoaches voor zich. Ze willen de concurrentie niet wijzer maken dan die al is. Net zomin delen ze de hoogtes of zuurstofpercentages – dat doen ze immers ook niet met andere elementen uit hun trainingsprogramma. Hun belangen zijn groot, uiteindelijk worden ze afgerekend op prestaties.

De aanpak van Orie verschilt per seizoen. Halverwege november is de eerste wereldbekerwedstrijd in Salt Lake City; daar is automatisch sprake van een hoogteprikkel. Orie verklapt wel dat hij de hoogtetenten dit winterseizoen maximaal twee keer inzet, voor een periode van tien tot veertien dagen. ‘Daarbij ligt het eraan hoeveel ruimte je tussen wedstrijden hebt’, zegt hij. Niet iedere schaatser heeft hetzelfde wedstrijdprogramma. Hij past het protocol per persoon aan. Ook Orie heeft schaatsers die überhaupt geen gebruik maken van hoogtetenten.

In de zomer verkiest hij de bergen boven de tent, want hoewel de zuurstoftenten de ijle berglucht benaderen, is het niet hetzelfde. Dat heeft te maken met gasmoleculen en de verhoudingen. Lucht bestaat voor 78 procent uit stikstofgas. 21 procent is zuurstofgas, 1 procent argon en dan is er nog een klein percentage aan overige gassen, zoals koolzuurgas. Op hoogte is dit hetzelfde als aan zee. Maar omdat de gasmoleculen verder uit elkaar zweven, komt er per ademteug minder van binnen dan op zeeniveau.

In de tent zijn de verhoudingen anders. Daar wordt alleen een deel van de zuurstof eruit gefilterd. Dus maken de andere gassen een relatief groter deel uit van de lucht die de thuiskampeerder inademt: meer stikstofgas, meer koolzuurgas. Orie: ‘Het is een ander mengsel en dus zijn de processen in je lichaam net anders. Het lijkt op hoogte, maar het is niet hetzelfde.’

De coach heeft soms het idee dat het effect van de hoogtetent een beperkte houdbaarheid heeft. Dat de positieve gevolgen minder lang aanhouden dan na een trainingskamp in Collalbo. ‘En het lijkt erop dat bij sommige mensen het lichaam het herkent en daardoor het effect vermindert. Op echte hoogte heb je dat niet.’

Ook Bosker kent de beperkingen van de hoogtetent. ‘Hoogte op de berg is honderd keer beter dan de tent. Daarvan ben ik overtuigd. Maar de tent is beter dan niks.’ Waar hij daarnaast van overtuigd is: als hij stopt met schaatsen, zal hij er nooit meer in liggen. Dan gaat de tent in de verkoop, of verdwijnt het ding in de kast. En is de logeerkamer gewoon weer voor logés.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next