Gianni da Costa snapt niet dat Nederland zo onverschillig omgaat met zogenoemde ongedocumenteerden. Hij trekt zich hun lot aan. ‘Ik houd ze voor: ongedocumenteerd zijn is een ervaring, geen identiteit.’
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘In Angola aten we twee warme maaltijden per dag. Mijn middagmaal gaf ik altijd weg aan een buurman, een buurmeisje of iemand anders van wie ik wist dat die het meer nodig had dan ik. Met religie had dat nog niets te maken, daar had ik in mijn jeugd niets mee. Wel met een wij-gevoel, dat heb ik altijd gehad. Ik ben altijd onderweg naar anderen, naar waar leed, verdriet, armoede is. Waar pijn is, daar wil ik zijn.’
De 40-jarige Gianni da Costa, opbouwwerker van de protestantse diaconie in Amsterdam, heeft zijn plek gevonden: ‘In Amsterdam ben ik geworteld. Als mensen aan me vragen waar ik vandaan kom, zeg ik altijd: Nederland. En wanneer ik op vakantie in het buitenland ben, denk ik al na een week: het is wel genoeg, ik wil weer terug naar huis. Ik voel me honderd procent Nederlander.’
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Sinds 2018 zet hij zich in voor ‘ongedocumenteerden’, in Amsterdam een groep van ten minste tienduizend mensen zonder verblijfsvergunning. ‘Formeel bestaan ze niet, waardoor ze veel minder rechten hebben dan andere Amsterdammers.’ Voor kinderen met deze status is hij de weekendschool Giving Back Projects begonnen. ‘We bereiken nu honderdvijftig kinderen. Dat is een mooi aantal, maar ons voortbestaan is wel in gevaar. We moeten het hebben van donaties. De gemeente applaudisseert voor ons werk, maar springt financieel niet bij.’
Tot zijn 17de woont hij in de Angolese hoofdstad Luanda, waar hij de oudste van vijf broers is. Zijn vader is een ‘strenge handelsman’, zijn protestantse moeder zorgt ervoor dat het thuis ‘warm en liefdevol’ is. Het gezin Da Costa behoort tot de middenklasse, ‘al waren er perioden dat de zaken van mijn vader minder goed gingen’. Zit de handel mee dan wordt de voorspoed royaal gedeeld met familieleden en buren; in huis wonen twee nichtjes en een neefje, terwijl een buurman ‘als een broer’ wordt gezien, ‘zo vaak kwam hij bij ons over de vloer’.
Op zijn 17de begint hij van Nederland te dromen, ingegeven door de wens van zijn ouders dat hun zonen in Europa studeren: ‘Zoals Nederlandse ouders hopen dat hun kinderen op een Amerikaanse of een Engelse universiteit terechtkomen.’ Met twee broers belandt hij in 2003 in Oss, waar een broer van zijn vader met zijn Nederlandse vrouw woont. ‘Hij heeft ons opgevangen alsof we zijn zonen waren.’ Een jaar later verhuist hij naar Nijmegen, waar hij in 2009 de mbo-studie handel en ondernemen afrondt. ‘Met die studiekeuze leefde ik de droom van mijn ouders, ik wilde dat ze trots op me zouden zijn. Maar ik kwam erachter dat die studie niet bij me paste, ik was mezelf niet.’
Waardoor is het geloof zo’n grote rol in uw leven gaan spelen?
‘Het korte antwoord is: liefdesverdriet. Ik had een Nederlandse vriendin, met wie ik na elf jaar zou gaan samenwonen. Maar dat is niet gebeurd, in 2013 besloten we uit elkaar te gaan. Toen ging het slecht met me. Mijn jongere broer die in Tilburg woonde, was al langer met religie bezig. Hij nodigde me geregeld uit een Braziliaanse kerk in Amsterdam te bezoeken. Ik hield dat af.
‘In Angola ging ik wel naar de katholieke kerk, maar dat was alleen omdat daar de mooiste meisjes kwamen. ‘De kerk is voor domme mensen, die worden daar gebrainwasht’, beweerde ik altijd. Maar nu was ik wanhopig. Toen mijn broer er voor de derde keer op aandrong, ben ik erheen gegaan. Het gesprek met de pastor voelde direct als een warm bad. Ik wist: hier ben ik thuis. Die ervaring kan ik verder niet goed beschrijven. Maar ik weet wel: zonder liefdesverdriet was het geloof niet op mijn pad gekomen.’
Wat bent u daarmee gaan doen?
‘Ik ben, naast mijn werk voor een Amsterdamse bank, religiestudies in Utrecht gaan doen. Ik voelde een groeiend verlangen mijn geloof te praktiseren. Aan het eind van mijn studie heb ik de overstap gemaakt en ben ik diaconaal opbouwwerker bij de protestantse kerk geworden.
‘De Braziliaanse kerk heb ik vijf jaar bezocht, maar gaandeweg voelde ik dat de kerkleden te veel naar binnen waren gericht. Ze hielden zich vooral bezig met de eigen organisatie en eigen vieringen, terwijl ik behoefte had aan direct contact met mensen in kwetsbare posities.’
Hoe bent u bij ongedocumenteerden uitgekomen?
‘In die Braziliaanse kerk kwamen veel mensen die tot die groep behoorden, veel Braziliaanse vrouwen maken huizen schoon in Amsterdam. Een van hen had grote problemen met haar 10-jarige zoon, die zich op school niet goed gedroeg. Dus vroeg ze mij of ik hem huiswerkbegeleiding wilde geven. Binnen vier weken had ik tien kinderen onder mijn hoede en dat aantal is almaar verder gegroeid. Kennelijk deed ik iets goed.’
Wat was dat, denkt u?
‘Wat ik de kinderen vooral probeerde mee te geven was de boodschap: ongedocumenteerd zijn is een ervaring, maar niet je identiteit. Mensen kunnen wel dat stempel op je willen drukken en daardoor je het gevoel geven dat je er niet bij hoort, maar laat dat je leven niet bepalen. Als kind zonder verblijfsvergunning heb je net als ieder ander kind recht op onderwijs, dat kan niemand je afpakken, dus doe je best, dan vergroot je je kansen. Morgen kan je leven er daardoor beter uitzien.
‘Die positieve boodschap is belangrijk voor de kinderen. Want gaandeweg hun leven komen ze erachter dat hun status anders is dan die van hun vriendjes en vriendinnetjes, bijvoorbeeld wanneer ze een bijbaantje willen: zij krijgen dat niet, hun leeftijdgenoten wel. Dat kan ze het gevoel geven er niet bij te horen, tweederangs te zijn, wat zwaar is, zeker voor tieners. Dan helpt het als ze inzien dat hun status wél een ervaring is maar níét hun identiteit.’
U bent na uw studie ook politiek actief geworden. Met welk motief?
‘Wanneer je roept: ‘Ik wil niks met de politiek te maken hebben’, dan vergeet je iets belangrijks: de politiek heeft altijd wel iets met jou te maken, of je dat nu fijn vindt, of niet. Daarom wilde ik niet langer langs de zijlijn staan. Ik wil daar zijn waar de besluiten worden genomen die een impact hebben op de mensen voor wie ik me inzet. Dus heb ik me aangemeld bij de ChristenUnie, omdat ik me met die partij kon identificeren. In Amsterdam heeft mijn partij voorgesteld de gemeente een zorgplicht te geven voor ongedocumenteerden. Dat is een stap in de goede richting.’
Werd u politiek actief uit verontwaardiging over de houding van Nederlanders tegenover ongedocumenteerden?
‘Zeker! Ik ben daarover nog steeds verontwaardigd. Wat ik het ergst vind, is dat deze jongeren na hun 18de hun recht op onderwijs verliezen. Daardoor zie ik ze op de middelbare school afhaken, omdat ze denken dat ze hun dromen toch nooit kunnen waarmaken. Zowel jongens als meisjes vallen soms voor de verleiding van gemakkelijk geld. Zij hebben gezien hoe zwaar het leven van hun ouders is, met lange werkdagen en weinig geld. Als je dan te horen krijgt dat je niet mag doorleren, worden criminaliteit en prostitutie aantrekkelijk. Als dat gebeurt, voelt het alsof ik zelf heb gefaald.’
Terwijl niet u, maar het systeem faalt?
‘Toch vraag ik me altijd af wanneer we iemand aan de criminaliteit kwijtraken of we wel genoeg voor hem of haar hebben gedaan. Ik kan daar echt wakker van liggen. In mijn ogen zijn we nu potentiële criminelen aan het opleiden door ze na hun 18de niks meer te bieden. Gelukkig is er in Amsterdam sinds 2022 een convenant, waardoor doorleren voor hoger onderwijs ook voor ongedocumenteerden mogelijk wordt. Enkele leerlingen van onze school hebben die sprong weten te maken, daar ben ik trots op. Maar veel kinderen in deze doelgroep tikken dat niveau van hbo en universiteit niet aan. Dat heeft lang niet altijd met hun talenten te maken. Maar probeer maar eens te leren, wanneer je in een tweekamerappartement drie gezinnen om je heen hebt.’
Krijgt u enige steun van de gemeente?
‘Ik krijg vaak van ambtenaren te horen hoe belangrijk ons werk is, hoe goed het is dat we deze doelgroep helpen aan beter onderwijs. De burgemeester is ook al eens op bezoek geweest. Maar daarna krijgen we dan meteen te horen: we kunnen geen gemeenschapsgeld besteden aan mensen die niet rechtmatig in ons land zijn. Formeel gezien zijn ze niet in het land aanwezig.’
Waarna u zegt dat ze er feitelijk wel zijn.
‘Ja, de gemeente zegt een inclusieve stad voor iedereen te willen zijn. Dan moeten jullie meer voor deze mensen doen, zeg ik, want zij wonen ook hier. Als antwoord krijg ik dan te horen dat dat onmogelijk is, met als pijnlijk argument: ‘Het zijn de ouders die hiervoor hebben gekozen.’ Punt, einde discussie. Dat is zo simplistisch. Daar hoort geen punt te worden gezet, maar een komma. Die zet je, wanneer je beseft dat het hier gaat om mensen die vaak alles achter zich hebben gelaten. Als je dat tot je laat doordringen, kun je je niet blind blijven staren op hun status van ongedocumenteerden.
‘Van veel vrouwen hoor ik dat ze zich in Brazilië onveilig voelen, daarom zijn ze vooral hier – ze willen dat ze zelf en hun kinderen ongestoord over straat kunnen lopen. Maar Brazilië geldt voor Nederland als een veilig land, dus in een asielprocedure maken ze geen enkele kans. Wat ik vooral pijnlijk aan dat antwoord vind: de ouders hebben hiervoor misschien wel gekozen, hun kinderen zeker niet. De meesten zijn hier geboren – zij zijn wel Amsterdammers, maar geen Nederlanders.’
De strafbaarstelling van hulp aan illegalen ging deze zomer politiek van tafel, nadat de PVV uit de regering was gestapt. Hoe keek u daar tegenaan?
‘Weet je wat mij het meest daaraan heeft geraakt? Niet de onrust die het heeft veroorzaakt onder ongedocumenteerden of het aanpakken van hen en hun hulpverleners. Nee, wat me vooral raakte, is dat de waarden van onze maatschappij erdoor strafbaar werden gesteld, het omzien naar elkaar en de solidariteit met anderen. Die waarden waren we aan het criminaliseren, ik was geschokt dat we als samenleving op dat punt waren beland. Dat deed mij de meeste pijn, dat is niet het Nederland waar ik zoveel van houd. Als het wet zou zijn geworden, zou ik overigens door zijn gegaan met hulp verlenen. Ik blijf mijn idealen trouw.’
Welke hoop koestert u?
‘Net als ieder jaar hoop ik dat het ook dit jaar lukt de financiering van onze weekendschool rond te krijgen. Dat is lastig. We krijgen donaties via de stichting Rondom de Klas, die kansenongelijkheid in het onderwijs bestrijdt. Onlangs moesten we met onze school ons gebouw uit zonder dat we uitzicht op iets anders hadden. Ik heb daar nachten van wakker gelegen, want ik wilde niet al die ouders en al die kinderen teleurstellen. Gelukkig is het op het nippertje goed gekomen. Wat er ook verder gebeurt: ik ga door met de weekendschool, net zolang tot al deze jongeren worden gezien, gehoord en gewaardeerd.’
Boekentip: De Tweede Berg van David Brooks
‘Draait het leven om jou of om anderen? Gaat het om succes of om betekenis? Die vragen raakten me. De antwoorden van New York Times-columnist David Brooks zijn glashelder: de sleutel tot een zinvol en gelukkig leven vind je niet door je eigenbelang voorop te plaatsen, maar door anderen te helpen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant