Home

De dood behoefde aandacht, aldus Salman Rushdie in zijn nieuwe verhalenbundel

Salman Rushdie Na een aanslag die hij ternauwernood overleefde, zag Salman Rushdie even geen heil meer in fictie. Gelukkig is het geloof terug: hij schreef vijf fascinerende (spook)verhalen over sereniteit, razernij, waanzin en de dood.

Salman Rushdie: De levensavond. (The Eleventh Hour) Vert. Karina van Santen en Martine Vosmaer. Uitgeverij Pluim, 256 blz. € 24,99

Als de 61-jarige eredoctor S.M. Arthur op een nacht wakker wordt in zijn slaapkamer in het College, ontdekt hij dat hij in de wachtkamer van de hel is beland. De ooit succesvolle schrijver waart rond door het College om te ontdekken dat weinig mensen met hem bezig zijn, op één student na die hem kan zien. Terwijl hij zijn hele leven geen last had van eenzaamheid, zit die hem nu dwars. „De dood was kennelijk een sentimentelere, narcistischere staat dan het leven. De dood wilde, behoefde, aandacht”, schrijft Salman Rushdie in De levensavond, zijn nieuwe boek dat uit vijf verhalen bestaat.

Vorig jaar zei Rushdie in een interview met NRC dat hij zijn weg naar fictie nog niet had teruggevonden. Twee jaar daarvoor had een 24-jarige geradicaliseerde moslim hem vijftien messteken toegebracht, een aanslag die Rushdie ternauwernood overleefde. Over zijn bijna-doodervaring schreef hij de memoir Mes. De aanslag was een ervaring die hij voor zijn gevoel alleen in non-fictie kon omzetten. Dat leek toen zorgelijk: de auteur die altijd een pleitbezorger was geweest van het belang van fictie vond opeens zijn weg niet meer in dat waarin hij zijn hele leven had geloofd. In een van zijn essays omschreef hij fictie immers als „de kunstvorm die de godvormige gaten in ons bestaan waarschijnlijk het best kan vullen”.

„Het enige dat ik heb geschreven aan fictie sinds de aanval, is een lang verhaal. Ik weet nog niet wat ik ermee aan moet, niet eens wat ik ervan moet denken. Het heeft een vreemde lengte: 64 bladzijden. Moet ik er een novelle van maken, inkorten tot een verhaal, er een roman van maken, of deels gebruiken? Ik weet echt nog niet welk lot dit verhaal gaat krijgen”, vertelde Rushdie in datzelfde NRC-interview. Veel wilde hij verder over de inhoud niet kwijt, alleen dat het een spookverhaal was.

Gelukkig gelooft Rushdie weer in fictie. Het spookverhaal waarover hij repte, kreeg de titel ‘Ontijdig’. Hij mocht toen niet hebben geweten wat hij er precies mee aan moest, het blijkt een geestig verhaal over S.M. Arthur, een Alan Turing-achtige figuur, de man die te veel lichamelijke mankementen had om in dienst te gaan, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog meewerkte aan het kraken van de Enigma-code waarmee nazi-boodschappen versleuteld waren.

Enkele jaren na de oorlog wordt bekend dat Arthur een homoseksueel is en hij wordt door de rector gedwongen pillen te slikken om zijn libido chemisch te bestrijden. Die kuur moet hij van de rector blijven ondergaan, ook als homoseksualiteit niet meer bij wet verboden is. Na zijn vroegtijdige dood – mede door de pillen – neemt S.M. Arthur wraak op de rector. En die blijkt zoet.

‘Ontijdig’ gaat, net als de andere verhalen in De levensavond, over eenzame doden, onzekere nalatenschap en wraak op de vijanden van weleer. Ze zijn fascinerend omdat ze deels vilein zijn, en omdat ze draaien om de vraag wat beter is: je laatste dagen sereen tegemoet treden, of in razernij? In de verhalen wordt gestreefd naar sereniteit – „de dood brengt sereniteit” stelt de schilder Jheronimus Bosch bij Rushdie zelfs in een van de verhalen – maar woede en rancune overheersen.

Of in de woorden van een ander personage van Rushdie: „Op maandag, woensdag en vrijdag ben ik woedend, op het leven, op de wereld en wat daarin gaande is, vanwege het sterven van vrienden, de zwakheden van het lichaam, de hele mensheid, en de nadering van het eind van de spoorlijn. Op dinsdag, donderdag en zaterdag heb ik overal vrede mee en luister ik vaak naar Doris Day die ‘Que sera sera’ zingt. Op zondag ben ik in de war en grijp ik naar de drank.”

Schijn tegen

Na de aanslag vertelde Rushdie in meerdere interviews dat de bijna-doodervaring nooit meer zou verdwijnen, die bleef als een soort schaduw hangen. Het zijn deze schaduwen waar het in de verhalen om gaat. Of het nu de twee oude mannen zijn die mopperend op elkaar en het leven hun pensioencheques halen, of een geniale piano- en sitarspeelster die via haar muziekspel wraak neemt op haar schoonfamilie nadat haar kind dood is geboren: de schaduw van het verleden blijft. Hetzelfde geldt voor de oude man op een piazza die zijn woorden verliest omdat hij voor de eenduidige antwoorden gaat in plaats van voor nuance en verbeelding.

Deze zomer gaf Rushdie tijdens een literatuurfestival in Wales aan genoeg te hebben van vragen over de aanslag. „Het zal fijn zijn om het weer over fictie te hebben, want sinds de aanval wilde iedereen alleen maar daarover praten. Maar ik ben eroverheen.” Natuurlijk is het fijner om het over fictie te hebben, maar wanneer de bundel gáát over wat je nalaat en wat er gebeurt wanneer verhalen opdrogen wanneer je in je vrijheid wordt beperkt, heb je toch de schijn tegen dat alles daadwerkelijk is verwerkt.

Zeker wanneer het verhaal ‘Oklahoma’ begint met de mededeling: „De onderstaande tekst is het laatste werk van een ons helaas te vroeg ontvallen schrijver, Mamouli Ajeeb, die zelf de voorkeur gaf aan zijn initialen de plume, ‘M.A.’” Mamouli Ajeeb was de naam die Rushdie overwoog ten tijde van de fatwa, toen hij onder strikte beveiliging moest leven. Omdat de beveiligers dit een te ingewikkelde en te Aziatische naam vonden, koos hij voor Joseph Anton. Mamouli Ajeeb gaf wat Rushdie betreft wel goed aan hoe hij leefde in een contradictie: hij was beperkt in zijn vrijheid door de fatwa en verdedigde ondertussen de fictie met hand en tand. De naam gaf die tweestrijdigheid aan doordat Ajeeb ‘vreemd’ betekent in het Hindi, en Mamouli betekent ‘normaal’. Dat etiket ‘normale vreemde’ past hem ook nog na de aanslag. Wat het betekent om je zo te voelen, is te lezen in het verhaal ‘Oklahoma’, dat op meerdere manieren verwijst naar Kafka’s novelle Amerika of de verdwenen jongen.

Niet alleen Kafka, maar ook andere kunstenaars komen erin aan bod, onder wie Francesco Goya, die in de 19de eeuw als zieke, dove man jarenlang de muren van zijn huis beschilderde. Net als Kafka’s personage Karl Rossmann in Amerika gaat het ook bij Rushdie om het verlangen te verdwijnen. Bij Kafka gebeurt dat in theater Oklahoma, waar iedereen welkom is die de wereld wil ontvluchten. „Wie kunstenaar wil worden melde zich”, schrijft Kafka.

Rushdies verteller komt terecht in een snoepwinkel met de naam Oklahoma. De ijdele, jongere ik van de verteller vindt hem echter na list, bedrog en vernedering. Het is enerzijds een typisch Rushdie-verhaal met de verwijzingen naar zijn literaire- en kunsthelden die in opmerkelijke dialogen terechtkomen, maar juist door de lading van de aanslag twee jaar geleden lijkt de inzet groter dan voorheen. De zoektocht naar wat je nalaat als schrijver geven de kunstwerken in wording een tragischer lading. Rushdies verhaal is ironisch, maar ademt ook vertwijfeling over de betekenis van een schrijver.  Het is alsof je te maken hebt met een hardwerkende en veel biddende protestant die op zijn sterfbed vreest in de hel te belanden.

Colosseum van de Duim

Dat Rushdie niet helemaal gerust is over de toekomst, blijkt uit het schitterende slotverhaal, over een man die op een piazza zijn laatste dagen slijt nadat hij zijn hele leven door iedereen is afgewezen als gezelschap en uitkijkt op ‘Onze taal’, een personage dat eveneens elke dag op het plein op een stoeltje zit. „Hij werd oud voor zijn tijd, verweerd, als nepantieke meubels, door zijn ontdekking dat zelfs de tijd van ‘ja’ een onuitgesproken ‘nee’ bevatte”, staat er over de oude man.

Op een dag wordt hij alsnog een geziene figuur die oordelen geeft die mensen willen horen. Onze taal ziet het aan, en legt het af tegen de ‘ja-nee uitspraken’ van de oude man: „De tijden zijn veranderd. Ons volk is minder geïnteresseerd in onze mooie, complexe taal dan in de grote, botte vragen over wat juist is en wat onjuist. Gaat de duim omhoog? Gaat hij omlaag? De oude man op de piazza is onze scheidsrechter, en zijn duimen zijn een zaak van nationaal belang geworden. We zijn nu allemaal gladiatoren in het Colosseum van de Duim.”

De oude man die ooit alle zekerheden ijdel vond en de nuance omhelsde, is iemand geworden van de nuancevrije zekerheden. Waar Rushdie in romans als De familie Golden (2017) en Quichot (2019) al voor waarschuwde, wordt hier bewaarheid: de ijdele domheid wint en de taal verstomt, niemand die het doorheeft totdat het te laat is. Alsof de hele wereld in de wachtkamer van de hel is beland.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC 5om5

Om vijf uur de vijf belangrijkste artikelen van de dag

Source: NRC

Previous

Next