Zeehelden Een groot kenner van de maritieme geschiedenis schreef een exemplarisch boek over beroemde zeehelden, met hun lichte en duistere kanten. Zij hadden opvallend lange tenen.
Veroverde Engelse schepen na de Vierdaagse Zeeslagop een schilderij van Willem van de Velde (ca. 1666).
Ronald Prud’homme van Reine: Het zeeheldenboek. Beroemde en verguisde admiraals. De Arbeiderspers, 542 blz. € 39,99
Miljoenen mensen hebben hem gezien, maar bijna niemand kent zijn levensverhaal. Joris de Caullery is daarmee Nederlands beroemdste onbekende zeeheld. Zijn faam dankt hij aan het feit dat hij in 1632 werd geportretteerd door Rembrandt van Rijn. Dit schilderij hangt sinds 1972 in het Fine Arts Museums of San Francisco, waar het één van de pronkstukken is.
Over zijn biografie bestond veel onduidelijkheid, maar daaraan maakt Ronald Prud’homme van Reine in Het zeeheldenboek. Beroemde en verguisde admiraals nu een einde. Hij corrigeert onder meer het sterfjaar van De Caullery. Die is niet in 1661 in Denemarken overleden, zoals tot nu toe werd aangenomen. Dat betrof zijn gelijknamige zoon. Joris sr. overleed circa 1666 in buitenlandse dienst, nadat hij als kapitein in de vloot van Michiel de Ruyter had deelgenomen aan de bestrijding van kaapvaart op de Middellandse Zee.
Prud’homme van Reine krijgt deze en andere feiten over De Caullery’s leven boven water door goed werk in de archieven, met name die van het notariaat in diens woonplaats Den Haag. Het is exemplarisch voor dit boek, waarin de auteur in elk hoofdstuk zijn meesterschap over de beschikbare bronnen toont.
Het zeeheldenboek is dan ook geen ademloos verslag van de stoere daden van mannen als De Ruyter en De Caullery, maar een geschiedeniswerk waarin het leven van deze kapiteins in al zijn facetten wordt gereconstrueerd. Dat gebeurt soms zelfs iets te uitgebreid: niet alle vastgoedtransacties en testamentswijzigingen zijn even interessant.
Aan de basis van dit boek ligt een Top 40 van Nederlandse zeehelden uit de zeventiende eeuw die Prud’homme van Reine eerder publiceerde. Om tot zijn rangschikking te komen, telde hij portretten in prentvorm uit de zeventiende een achttiende eeuw. Toen hingen mensen kapiteins aan de muur, zoals dat recenter met pop- en filmsterren gebeurde. Hoe meer prenten er van een zeeheld zijn, hoe hoger hij op de lijst staat. De Top 5 wordt, niet geheel verrassend, gevormd door Michiel de Ruyter, Maerten Tromp, diens zoon Cornelis, Piet Hein en Witte de With.
Omdat hij over die mannen al biografieën schreef, beperkt Prud’homme van Reine zich in de hoofdstukken over deze kapiteins tot enkele sappige kwesties op de kunst- en verzamelaarsmarkt. Dat leest lekker weg, maar het is jammer voor de mensen die deze boeken niet lazen en graag een compleet zeeheldenoverzicht zouden hebben.
Prud’homme van Reine behandelt onder meer een vervalste brief van De Ruyter, een veel te duur portret van Cornelis Tromp en zilverwerk van Piet Hein dat misschien helemaal niet van de veroveraar van de Zilvervloot was. De auteur laat hier – en op andere plekken in het boek – met merkbaar genoegen zien dat hij het beter weet dan de mensen die hij corrigeert.
In zijn inleiding gaat Prud’homme van Reine uiteraard in op de kwade reuk waarin Nederlandse zeehelden de afgelopen jaren zijn komen te staan vanwege hun vermeende betrokkenheid bij kolonialisme en slavernij. De meesten mannen in dit boek hadden hiermee echter niets te maken. Zij vochten in Europese wateren voor de Nederlandse marine in een tijd dat eerst Spanje en daarna Engeland en Frankrijk de jonge republiek naar het leven stonden. De zeventiende eeuw was sowieso niet de eeuw waarin de Nederlandse betrokkenheid bij de slavernij zijn hoogtepunt bereikte – dat was de achttiende.
Michiel de Ruyter als luitenant-admiraal, geschilderd doorFerdinand Bol, 1667.
Dat wil niet zeggen dat Prud’homme van Reine geen harde noten kraakt. Over Witte de With schrijft hij bijvoorbeeld dat hij in zijn eigen tijd al bekend stond als een lastpak en ruziezoeker. En in 1625 was De With betrokken bij een strafexpeditie op Ambon en Ceram waarbij zo’n 90.000 kruidnagelbomen werden vernietigd. Prud’homme van Reine kenschetst dit optreden als „nietsontziend en wreed”, maar concludeert ook dat de expeditie in historisch verband gezien niet uitzonderlijk was in een oorlog die door alle deelnemers zonder mededogen werd uitgevochten.
Dit zal voor sommige lezers neerkomen op het goedpraten van koloniaal geweld, maar de kanttekening die Prud’homme van Reine hier maakt is van belang. Om te begrijpen waarom dingen gebeurden zoals ze gebeuren, is het belangrijk het optreden van personen in hun tijd te plaatsen. Dat is zinvoller dan ze op een gitzwarte bladzijde te presenteren.
Let wel: begrijpen is iets anders dan er een oordeel over vellen, positief of negatief. Dat is sowieso geen bijster nuttige bezigheid voor een historicus, maar wie dat tóch wil doen, moet zo’n oordeel baseren op álles wat iemand heeft gedaan tijdens zijn leven. Witte de With heeft veel betekend voor de Republiek en gaf zijn leven voor het voortbestaan van zijn land, schrijft Prud’homme van Reine, zonder de admiraal daarmee vrij te pleiten van het minder fraaie dat hij op zijn kerfstok heeft.
Het valt op aan Het zeeheldenboek dat veel van de hoofdpersonen, net als De With, bijzonder lange tenen hadden. Regelmatig beschuldigde de een de ander van lafheid tijdens een zeeslag, wat leidde tot hoogoplopende ruzies die in pamfletten en voor de krijgsraad werden uitgevochten.
Cornelis Tromp in Romeins kostuum, door Abraham Evertsz. van Westerveld
Een mooi voorbeeld hiervan is het conflict tussen Cornelis Tromp en Isaac Sweers na afloop van de Tweede Slag bij het Schooneveld (14 juni 1673). Sweers’ schip De witte olifant was zwaar beschadigd en hij moest zich terugtrekken uit het strijdgewoel. Dat kwam hem op de woede te staan van opperbevelhebber Tromp, die er niet van overtuigd was dat de averij écht zo erg was. Hij beschuldigde Sweers van plichtsverzuim.
Die reageerde als door een wesp gestoken. Er „reesen seer hooge woorden” en de andere heren in de kajuit konden nog maar net een handgemeen voorkomen. Er werd een onderzoekscommissie ingesteld en de gedeputeerden van de Staten-Generaal concludeerden dat Sweers zich huns inziens „als een eerlijck man had gedragen”. Het duo moest zich voor een krijgsraad verzoenen, maar dat viel Sweers niet mee. De dag erna voelde hij zich „onpasselijk met coorts vermengt”.
Dat hij niet bang was, bewees hij twee maanden later. Op 21 augustus was Sweers – „geterght door die hoon” – tijdens de slag bij Kijkduin in een fel gevecht gewikkeld met het schip van een Engelse vice-admiraal, toen hij door een 24-ponds kogel in zijn buik werd getroffen. (Andere bronnen melden dat zijn beide benen en de helft van zijn gezicht werden weggeschoten.)
Net zoals veel andere kapiteins in Het zeeheldenboek betaalde Isaac Sweers zo de hoogste prijs voor zijn dienst op zee. Prud’homme van Reine heeft geen standbeeld voor deze mannen opgericht, maar hen wel de serieuze behandeling gegeven die ze verdienen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC