Home

Hoe moet je schrijven over een vreselijk ongeluk dat een hele stad raakt?

Spaanse literatuur In Onze jongen vertelt de Baskische schrijver Fernando Aramburu op een bijzondere manier het waargebeurde verhaal over een gasexplosie in 1980. Daarbij kwamen vijftig kinderen om het leven.

Schrijver Fernando Aramburu.

Fernando Aramburu: Onze jongen (El niño). Vert. Hendrik Hutter. Wereld-bibliotheek, 223 blz. € 21,99

„Toen ik zag dat degene die mij schrijft de echte namen van de betreffende personen gebruikte, begon ik te twijfelen of dat wel zo gepast was. Besefte die man dan niet welke gevolgen dat voor hen kon hebben? Uiteraard is het niet aan mij om de auteur van mijn pagina’s te waarschuwen of van advies te dienen. Ik voel me echter vrij, volledig vrij, om een mening te hebben over iedere beslissing die hij neemt ten aanzien van mijn vorm en inhoud. Wie anders dan ik krijgt immers op een dag allemaal kritische opmerkingen van recensenten over zich heen?”

Een roman die zichzelf van commentaar voorziet. Vreemd, zeker, maar in Onze jongen, van de Baskische schrijver Fernando Aramburu (1959), werkt deze stijlvorm bijzonder goed. In tien cursief gedrukte passages plaatst de tekst zelf, zich uitdrukkend in de eerste persoon, opmerkingen bij het verhaal of maakt zelfs aanmerkingen op de schrijver. Een gewaagde ingreep, aangezien de auteur van deze roman in het voorwoord de zorg uit dat „deze bemoeizuchtige interventies” en „overbodige toevoegingen” de narratieve continuïteit kunnen verstoren en „romanliefhebbers die een hekel hebben aan onderbrekingen in het verhaal” zullen ergeren. Het blijkt, gelukkig, een onterechte angst.

Onze jongen, in Spanje getiteld El niño, vertelt het waargebeurde verhaal over een propaangasexplosie in een openbare school in het Biskaje-stadje Ortuella in 1980 waarbij vijftig kinderen om het leven kwamen. Net als in Vaderland (Patria), zijn internationale bestseller uit 2017 die inmiddels is verfilmd door HBO, over de ‘loden jaren’ van de ETA-terreur, vertelt Aramburu dit drama vanuit het perspectief van verschillende personages. In dit geval zijn het de moeder, vader en grootvader van de 6-jarige jongen Nuco die de gebeurtenissen rondom de dood van hun (klein)kind vertellen.

Moeder Mariaje, kapot van verdriet na de massabegrafenis, worstelt met slapeloze nachten en wordt uit wanhoop half-religieus. Haar man José Miguel, een harde werker en brave borst, betuttelt zijn rouwende vrouw en wil zo snel mogelijk weer een kind bij haar verwekken. Grootvader Nicasio weigert simpelweg de dood van zijn kleinzoon te accepteren. Net als één van de personages in Vaderland – een vrouw die de moord op haar man niet kan verwerken – gaat hij geregeld naar het kerkhof om tegen zijn kleinzoon te praten en staat hij bovendien iedere ochtend bij Mariaje voor de deur om Nuco naar school te brengen.

Gevoelige inhoud

Het zijn deze emotionele, persoonlijke getuigenissen, vaak geschreven in de ik-persoon, die Aramburu afwisselt met de hoofdstukken waarin het boek zelf spreekt. Dat blijkt een ingenieuze ingreep, omdat de auteur op deze manier een waargebeurd verhaal met gevoelige inhoud van het nodige commentaar kan voorzien. Want als je dan over zoiets pijnlijks gaat schrijven als de dood van kinderen – de explosie was overigens een ongeluk en geen ETA-aanslag – en over de manier waarop een hele stad (met een inwoneraantal van 8.000) omgaat met dit verlies, heb je als schrijver heel wat bedenkingen wanneer je zo’n tragedie op papier zet. Moet je de echte namen van de betrokkenen wel gebruiken? Moet je alles wat de hoofdpersonen in vertrouwen hebben verteld ook opschrijven? Hoe kan je voorkomen dat lezers de loftrompet steken over jouw roman ten koste van een tragedie die voor vele gezinnen een mokerslag was?

In zijn ‘cursieve vermomming’ kaart Aramburu zo indirect deze ingewikkelde kwesties aan en weet hij deze familietragedie om te zetten tot een collectief en waargebeurd drama. Zoals de verwarring die kort na de ramp ontstond over het aantal slachtoffers – de gemeente Ortuella meldde in eerste instantie 47, het Rode Kruis meldde 70. Ook verklaart hij zo waarom hij uiteindelijk besloot het gebruik van echte namen te mijden, aangezien „er nou eenmaal mensen zijn die niet welwillend aankijken tegen het privéleven van hun dorpsgenoten”. Bovendien zou de vrouw die in de roman Mariaje heet „zich naakt voelen als haar leven door iedereen zou worden besproken werd”.

Ook weet Aramburu zo aan te kaarten dat hij met zijn ‘informante’ (het personage Mariaje) heeft afgesproken om een zo’n waardig mogelijk beeld neer te zetten van haar vader Nicasio. De verwarring van de oude man, die in het stadje al snel als knettergek werd gezien, wilde hij met „maximaal respect” beschrijven om te voorkomen dat hij als een lachwekkend figuur de geschiedenis in zou gaan. Een belangrijke opmerking aangezien de getraumatiseerde Nicasio de kinderkamer van Nuco in zijn geheel opnieuw liet nabouwen in zijn eigen huis.

Het resultaat is een bijzonder indringende, korte roman die bijna te pijnlijk is om te lezen, aangezien het verlies van een kind zo’n onvoorstelbare leegte bij de familie achterlaat. De verwerking van die pijn – of juist niet – dat is waar Onze jongen over gaat. Daarbij schuwt Aramburu geen enkel detail, iets waardoor de impact van deze ramp des te invoelbaarder wordt. Zoals de beschrijving van wat de omwonenden, die als eersten toesnelden, aanschouwden tussen de grote blokken beton. „Er stak een roerloos handje uit het puin. Het zat onder het stof, alsof het met bloem was bestrooid, en tussen de vingers zat nog steeds een stukje boetseerklei geklemd.”

Een voorbeeld van wat Aramburu ongetwijfeld gehoord of gelezen heeft en die dit verhaal zo hartverscheurend maken en waardoor je als lezer voelt: dit is eigenlijk te heftig om met de wereld te delen. Zoals ook de passage waar Mariaje en José Miguel het dode lichaam van hun jongen in het ziekenhuis moeten identificeren. Aramburu schrijft hoe beiden een kalmeringsmiddel toegediend krijgen en hoe er, ter hoogte van hun schouder, een stukje tape wordt geplakt met de tekst ‘VERDOOFD’.

Nadat ze verschillende levenloze lijfjes hebben bekeken, ontdekken ze Nuco, wiens gezicht is verbrijzeld. Ook heeft hij zijn schoenen niet meer aan. Mariaje begint zijn handen te strelen en dan schrijft Aramburu: „Ze dacht terug aan de bevalling, die zo zwaar en pijnlijk was geweest. En dat voor een leven dat maar zes jaar had geduurd. Ze voelde zich bedrogen. Door God, door het lot, ze wist het niet. Afgezien van zijn hoofd leek hij ongeschonden. En omdat ze nou eenmaal zijn moeder was, deed ze zijn sokken goed en veegde ze het stof weg dat op zijn broek en trui zat.”

Het zijn beelden die bijna te intiem zijn om te delen en toch weet Aramburu ze op een waardige manier op te schrijven. Het is te hopen, dat de verfilming van het boek, vorig jaar al aangekondigd door Netflix, op dezelfde waardige manier zal plaatsvinden.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next