Kiran Desai Hoezo zou de roman dood zijn? De eenzaamheid van Sonia en Sunny van Kiran Desai is een meeslepend liefdesverhaal over emigreren, globalisering en economische ongelijkheid met een opvallend lichte toon, vol humor en speelse ironie. De roman is meer dan terecht genomineerd voor de Booker Prize.
Eens in de zoveel tijd staat er weer eens een oude witte man op die – boos, droevig, verontwaardigd – het einde van de roman aankondigt. Het eind van de roman? Ha, ha, ha! Ik heb net De eenzaamheid van Sonia en Sunny uit en kan u garanderen: de roman is nog net zo springlevend als in de tijd van George Eliot, Jane Austen en Lev Tolstoj. Die schreven romans die misschien wel levendiger waren dan het leven zelf, zoals Sonia’s moeder vaststelt, ergens op een kwart van De eenzaamheid van Sonia en Sunny, als ze David Copperfield herleest: „Want als Dickens beter is dan je eigen leven, waarom zou je dan je leven leiden? Het zou dwaasheid zijn om niet in plaats daarvan Dickens te lezen.”
Kiran Desai: De eenzaamheid van Sonia en Sunny. Vert. Paul van der Lecq en Petra van der Eerden (The Loneliness of Sonia and Sunny). De Bezige Bij, 736 blz. € 29,99
Ook De eenzaamheid van Sonia en Sunny was af en toe beter dan het echte leven. Waarom slapen als je met Babita Bhatia in Goa kan vertoeven, met Mina Foi in Delhi, met Sonia en Sunny in Venetië? Waarom werken of de afwas doen? Allemaal zo vreselijk zonde van de tijd.
Kiran Desai (1971) neemt rustig de tijd voor haar boeken. Aan haar vorige, tweede roman, De erfenis van het verlies, waarmee ze in 2006 de prestigieuze Booker Prize won, als jongste vrouw ooit (ze was 35), werkte ze ruim zeven jaar. Over De eenzaamheid van Sonia en Sunny deed ze bijna twintig jaar, en ook deze roman staat weer op de shortlist van de Booker, die op 10 november in Londen wordt uitgereikt.
Thematisch is het nieuwe boek verwant aan zijn voorganger. Beide romans gaan over globalisatie, migratie, postkolonialisme, over de kloof tussen arm en rijk, over de multiculturele samenleving. De erfenis van het verlies toonde de pijn van emigreren, de blijvende littekens die een vlucht van Oost naar West – van India naar de VS in het geval van Desai – achterlaat in het diepste wezen van een mens.
De migrant verliest iets onherroepelijks: in het nieuwe land hoor je niet thuis, word je gediscrimineerd, gemarginaliseerd, nooit voor vol aangezien. Maar terugkeren biedt geen soelaas, want het verblijf in de VS verandert je, en maakt je ongeschikt om opnieuw in India te kunnen aarden. Migranten leven „tussen twee werelden”, zei Desai daar destijds over in een interview met NRC, „en eigenlijk dus nergens”. Deze visie maakt van De erfenis van het verlies, ondanks het kleurrijke, sprankelende proza, een pessimistisch, bijna naargeestig boek.
Ook De eenzaamheid van Sonia en Sunny gaat over emigreren en remigreren, over globalisering, over economische ongelijkheid, maar de toon is lichter, vrolijker, optimistischer. Het boek is geestig, vol humor en speelse ironie, en omarmt de chaotische, magische charme van India. In dit opzicht lijkt het terug te grijpen op Desai’s eerste roman, De goeroe in de guaveboom (1998). Dat boek was een sprookjesachtige satire over een jongen die in een guaveboom woont met een groepje rumoerige apen en wordt aangezien voor een heilige.
Dat debuut was geïnspireerd door Italo Calvino’s De baron in de bomen (1957), maar ook gebaseerd op het waargebeurde verhaal van een Nepalese man in een Indiaas dorpje die vijftien jaar in een boom woonde om aan een ongelukkig huwelijk te ontsnappen. Desai deed haar debuut zelf later af als een „onnozel boek”. Ze had spijt van de „schattige, grappige versie” die ze van India schetste, het exotische en fabelachtige plaatje van haar geboorteland dat het Westen graag ziet.
In De eenzaamheid van Sonia en Sunny lijkt ze dit soort scrupules achter zich gelaten te hebben en de werelden van haar eerste twee boeken met elkaar te hebben vermengd tot een grootse, wilde, weelderige roman die alle kanten op gaat, zowel thematisch als geografisch, maar die desondanks een geheel blijft. Een modern liefdesverhaal van epische proporties en, met 734 pagina’s, van epische omvang ook. Zo’n heel dik, veelomvattend boek (een beetje wat Henry James een „large loose baggy monster” noemde) kan ongedisciplineerd overkomen, maar dat is hier niet het geval. De eenzaamheid van Sonia en Sunny is met grote nauwkeurigheid geschreven, alle losse elementen hebben een doel en alles komt in de loop van het verhaal op ingenieuze wijze samen.
De roman volgt de levens van twee jonge Indiase aspirant-schrijvers in de periode van 1996 tot 2002. Sonia studeert creatief schrijven op een afgelegen universiteit in Vermont, geïnspireerd op het beroemde Bennington College waar Desai zelf ook creatief schrijven studeerde (samen met Donna Tartt en Bret Easton Ellis). Ze voelt zich somber en eenzaam en vlucht in de armen van Ilan de Toorjen Foss, een dertig jaar oudere kunstenaar, een narcistisch monster met een obsessie voor zijn mammie. Hij behandelt Sonia als een kruising tussen een pop en een bediende.
Sunny is een beginnende journalist die naar New York is gevlucht om aan zijn dominante, bemoeizuchtige moeder te ontsnappen, een weduwe verliefd op haar zoon. Hij probeert zichzelf opnieuw uit te vinden in de VS, ver van zijn corrupte familie, probeert te vergeten dat zijn criminele ooms wel zijn peperdure collegegeld betaald hebben, met zwart geld. Stiekem woont hij samen met zijn Amerikaanse vriendin, die er langzamerhand genoeg van begint te krijgen dat niemand in India mag weten dat ze bestaat.
Sonia’s familie doet een poging haar uit te huwelijken aan Sunny – de grootvaders van de twee zijn schaakvrienden – maar Sunny vindt zo’n gearrangeerd aanzoek hopeloos ouderwets en wijst haar af. Toch ontmoeten de twee elkaar, pas op ruim een derde van de roman, per toeval, in de nachttrein naar Allahabad. Hij probeert te zien wat zij zit te lezen en, als hij voor de derde keer langs Sonia’s stoel loopt, houdt ze haar boek zo vast dat hij de omslag kan zien. Want „Sonia voelde mee met iedereen die zijn best deed boektitels te herkennen.” Zo begint hun woelige romance, gedwarsboomd door afstand, visums, misverstanden, manipulerende moeders en de spoken uit het verleden.
De relatie van Sonia en Sunny vormt de ruggengraat van De eenzaamheid van Sonia en Sunny, maar gaandeweg wordt dit ook steeds meer een roman over kunst, over creativiteit, over schrijven – niet verrassend misschien, voor een boek waar zo lang aan gewerkt is. Centraal staat de vraag hoe je over India moet schrijven en voor wie je over India schrijft. Aanvankelijk, als Sonia worstelt met een verhaal over een jongen die in een aap verandert, reageert Ilan: „Ahhh – geen oriëntalistische nonsens schrijven! Haal je land niet omlaag, anders denken de mensen dat India echt zo is… Indiërs zijn geen apen.” Dit is „de grote Indiase touwtruc”, zegt Ilan. „Wat westerlingen jullie hebben aangedaan, doe jij nu jezelf aan.” Niet in die val trappen, wegblijven van het magisch-realisme. En: „Niet over gearrangeerde huwelijken schrijven.”
Dus verandert Sonia in een van haar verhalen een roze guave in een peer. Dat is minder exotisch. Maar ook minder waarachtig, want peren zijn duurder en zeldzamer in India.
Ook Sunny worstelt met dit probleem. Op bezoek in India met een vriend die op zoek is naar een traditionele Indiase bruid, stuit hij op het verhaal van een man die zijn vingernagels zo lang heeft laten groeien dat ze tot aan de andere kant van de kamer reiken. Hij schrijft er een artikel over, dat in kranten van over de hele wereld wordt gepubliceerd. Sunny begrijpt waarom het aanslaat: „Het excentrieke India! Alleen in India!” De man met de lange nagels is woedend over het artikel, hij vindt dat Sunny de draak met hem heeft gestoken. „Jij bent een Outsider die zich voordoet als Insider”, schrijft hij aan Sunny.
De spanning tussen de outsider en de insider is een terugkerend gegeven en raakt aan een van de centrale dilemma’s van de roman: wie heeft het recht om de verhalen van India naar buiten te brengen? Desai zelf worstelt hier ook mee, als een Indiase schrijver die al sinds haar veertiende – toen ze met haar moeder, de eveneens beroemde schrijver Anita Desai, naar de VS verhuisde – niet meer in India heeft gewoond. „In veel delen van de wereld heerst er woede omdat mensen die de macht hebben om hen te vertegenwoordigen mensen zijn zoals ik, die de Indiase taal niet goed spreken en in het Engels schrijven”, zegt ze hierover in een interview met de New York Times. „Daar worstelen Sunny en Sonia allebei dus mee.”
In haar roman lost Desai dit probleem op door wat ik het best kan omschrijven als een soort radicaal democratische houding ten opzichte van haar personages. Iedereen – hoofdpersonen, bijfiguren, bediendes, huisdieren, toevallige voorbijgangers – krijgt dezelfde aandacht, iedereen wordt precies, eerlijk, gedetailleerd en liefdevol beschreven.
Hier is Sunny’s door klasse, kaste en ras geobsedeerde moeder Babita Bhatia, een snob van de eerste orde, als ze op vakantie in Zweden langs het koninklijk paleis wandelt: „De vlag hing uit, dus de koning en koningin wierpen misschien vanuit een raam een bewonderende blik op Babita’s elegante sari.” Je wilt haar veroordelen om haar egocentrische, infantiele ijdelheid, maar het is zo’n grappig moment, zo menselijk, en het zet Babita in één zin zo compleet neer dat je afziet van je oordeel. Babita zelf neemt niet de moeite om haar heel jonge dienstmeisjes Vinita en Punita uit elkaar te houden („Vini-Puni, gymschoenen!” commandeert ze en dan komt er altijd wel eentje aanrennen, maakt niet uit wie), maar door de verteller worden ze met net zoveel warmte en gewicht beschreven als Sonia en Sunny zelf.
Iedereen krijgt een innerlijk. Sonia’s tragische tante Mina Foi die, na een mislukt gearrangeerd huwelijk wordt kleingehouden door haar ouders, kan geen uiting geven aan haar woede voor haar vader dus geeft ze hem een harde mep op zijn been en roept: „Een mug!” Een bankbeambte wiens „hennakleurige toupet” vast zit met schuifspeldjes.
Een taxichauffeur die een ongeduldige Sunny naar zijn eerste afspraakje met Sonia moet brengen blijft zijn auto maar stoppen langs de kant van de weg („Eén momentje, meneer!”) om plastic tasjes uit het struikgewas te vissen. De kok Moolchand die twee overhemden heeft: „Het ene was zijn versleten kurta voor in de tuin, het andere een felroze shirt dat hij droeg als hij naar de markt ging. Als hij zijn nette shirt aantrok, brak je hart.” Babayaga de kat die „met strijdlustige gele ogen” op Sonia’s moeder afrent, „miauwend als een jammerklacht in plaats van als begroeting.” Iedereen wordt gezien. Iedereen wordt waarachtig afgeschilderd.
Desai slaat Ilans dictum in de wind. Ze schrijft wél over gearrangeerde huwelijken, over de voor Westerlingen exotische kanten van India, en haar boek zit vol magisch-realistische elementen – zoals een mysterieus amulet met creatieve krachten en een spookhond die Sonia overal achtervolgt. Maar het resultaat is geen oriëntalistische nonsens; het resultaat is een meesterwerk.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC