Home

Een versnipperd Nederland, waarin niemand nog écht de grootste is

Stemmen Ooit kende Nederland politieke bastions waar partijvlaggen generaties lang bleven wapperen. Het politieke landschap bestaat echter niet langer uit zekerheden, maar uit beweging: van links naar rechts, van stad naar dorp, van hoop naar wantrouwen. In dat schommelen zoekt de democratie haar nieuwe evenwicht.

Dilan Yesilgöz (VVD), Geert Wilders (PVV), Rob Jetten (D66) en Henri Bontenbal (CDA) tijdens het NOS-slotdebat.

Toen woensdagavond om 21.00 uur de eerste exitpoll op tv-schermen in huiskamers en zaaltjes door het hele land verscheen, was één conclusie direct duidelijk: nooit eerder werd de grootste partij in de Tweede Kamer zó klein als D66, dat toen nog op 27 zetels uitkwam maar donderdagmiddag op 26 zetels staat. Dat is vijf minder dan de voorheen kleinste grote partij ooit; de VVD in 2010, met 31 zetels.

Wat NRC de ochtend na díé verkiezingen schreef, is nu eveneens waar: „Een ongekend versnipperde uitslag voor de Tweede Kamerverkiezingen heeft Nederland moeilijk regeerbaar gemaakt. Nooit eerder was de grootste partij van het land, met slechts een vijfde van de stemmen, zo klein.”

Die krimp van de grootste partij volgt een langere ontwikkeling, die in 1994 werd ingezet: Nederland kent eigenlijk geen echt grote partijen meer. Zelfs de 37 zetels die de PVV in 2023 haalde, waren er nog relatief weinig voor een grootste partij.

Die landelijke ontwikkeling is ook lokaal te zien. Vergelijk 2006 – toen het CDA 41 zetels haalde, de PvdA 33, de SP 25 – met nu, en direct valt op dat óók lokaal de grootste partijen steeds kleiner werden. Slechts in een handjevol gemeenten is de grootste partij nu groter dan toen.

Daaruit volgt ook een andere ontwikkeling. Lang konden partijen rekenen op een aantal lokale bolwerken, waar hun achterban trouw en in groten getale kwam opdraven. Maar die bolwerken zijn er steeds minder. Kiezers kiezen elke verkiezing opnieuw, in plaats van trouw achter dezelfde partij te gaan staan. Dat maakt keuzes niet zozeer vluchtig, ze zijn vaak geworteld in diepere en vrij stabiele overtuigingen, maar wel tijdelijk. Bij elke verkiezing zoeken kiezers naar een partij die het beste aansluit bij die voorkeuren – en dat kan zomaar een ander zijn dan de vorige keer.

Dat is goed te zien met een blik op de kaart van Nederland. Meer gemeenten verschieten elke verkiezing van politieke kleur, omdat een andere partij er de grootste werd. Van de 342 Nederlandse gemeenten verschoten 161 gemeenten van kleur; in 180 gemeenten bleef dezelfde partij de grootste als twee jaar geleden (158 PVV, acht SGP, zeven GroenLinks-PvdA, en zeven VVD).

Bolwerken van weleer: gekrompen

En de bolwerken díé er zijn, zijn minder omvangrijk dan in het verleden. Zeker: er zijn nog plekken als Urk, waar de SGP dit keer, na een dipje in 2023, weer een absolute meerderheid haalde. Of als Rucphen, waar de PVV juist nipt onder de absolute meerderheid duikt maar alsnog ruim vier op de tien stemmers achter zich ziet. Maar op veel plekken waar partijen op een trouwe achterban kunnen rekenen, is die achterban wel kleiner geworden.

Oost-Nederland is voor beide ontwikkelingen interessant om te bekijken. Lang domineerde daar het CDA; in 2006 haalden de christendemocraten in veel gemeenten nog meer dan veertig procent van de stemmen. Dat aantal nam daarna gestaag af. Twee jaar geleden brak het NSC van Pieter Omtzigt er door. Maar díé stemmers zijn dit jaar weer vrijwel allemaal naar andere partijen gegaan. In Tubbergen, Haaksbergen en Dinkelland haalde het NSC twee jaar geleden ongeveer een derde van de stemmen; nu nog niet één procent.

Het CDA profiteert en herwint terrein in haar oude bolwerken. Zo groot als in 2006 is het CDA daar nu niet meer. Maar in gemeenten als Tubbergen, Twenterand, Hellendoorn, Ommen, Haaksbergen en Dinkelland is het CDA wel weer de grootste, met steeds ongeveer een vijfde tot een kwart van de stemmen. Het verlies van het NSC betekent dus de winst van het CDA. Werd NSC twee jaar geleden nog wel eens ‘het nieuwe CDA’ genoemd, inmiddels kun je zeggen: het CDA is weer een beetje het CDA.

D66: ook kiezers buiten grote steden

Het was de klassieke kritiek op D66: dat de liberalen vooral kiezers trokken in de grote steden, maar binding misten daarbuiten. Dit jaar valt op dat de partij ook buiten grote (studenten)steden is doorgebroken, met name in de kleinere steden daaromheen.

Zo verdubbelde D66 in plaatsen als Zeist en De Bilt, rondom Utrecht; wist het fors te groeien rondom Amsterdam in gemeenten als Amstelveen, Oude Amstel en Haarlemmermeer; Lansingerland en Pijnacker tussen Den Haag en Rotterdam; Veldhoven, Best en Waalre rondom Eindhoven.

Dat toont de brede kiezerscoalitie die de partij van Rob Jetten deze verkiezingen wist te verzamelen. Maar die coalitie is ook kwetsbaar. Volgens kiezersonderzoek van Ipsos wist D66 behalve centrum-linkse kiezers (20 procent stemde de vorige keer GroenLinks-PvdA) ook veel centrum-rechtse kiezers te trekken (24 procent stemde in 2023 NSC of VVD) en zelfs PVV’ers (9 procent) te trekken. Dat zijn groepen die vaak conflicterende opvattingen hebben over economische en culturele onderwerpen; de vraag is hoe D66 die stromingen de jaren weet te vertegenwoordigen (of niet).

Rechts-populisme: stabiel blok

Als politiek blok is rechts-populistisch onverminderd groot. Vier partijen die door politiek wetenschappers als zodanig worden aangeduid (PVV, JA21, BBB en FVD) komen samen uit op 46 zetels, twee minder dan in 2023. Dat is ongeveer een derde van de Tweede Kamer.

Zo bezien heeft op rechts vooral een herschikking plaatsgevonden, zoals eigenlijk vrijwel elke Nederlandse verkiezing de afgelopen jaren zo’n herschikking was, vaak met een andere partij als grote winnaar: in 2019 won FVD de Statenverkiezingen, in 2023 de BBB, later dat jaar werd de PVV de grootste bij de Tweede Kamerverkiezingen.

Die stemmers wonen vooral in het noordoosten van Nederland, zoals op onderstaande kaart te zien is. In veel gemeenten winnen die vier partijen daar ruim twee derde van de stemmen. Die kiezers zijn inmiddels een betrouwbare rechts-populistische achterban gebleken, zonder per se loyaal te zijn aan één partij.

Daarbij valt ook op: JA21 is na FVD in 2019 en BBB in 2023 niet de nieuwe rechtse ‘hype’. De partij wint weliswaar fors (van 1 naar 9 zetels in de Tweede Kamer), maar breekt niet zozeer door in gemeenten die steeds een andere rechtse partij groot maakten. En ook niet met dezelfde omvang waarmee BBB en FVD dat eerder deden en waarmee de PVV in 2023 de grootste werd. In trouwe rechts-populistische gemeenten als Kerkrade, Edam-Volendam, Brunssum en Rucphen trok JA21 nog niet één op de tien kiezers.

Dat betekent twee dingen: JA21 trekt trouwe rechts-populistische kiezers, maar weet ook andere rechtse stemmers te binden. Dat blijkt ook uit het kiezersonderzoek dat onderzoeksbureau Ipsos uitvoerde: 30 procent van de JA21-stemmers kwam van de PVV en acht procent van de BBB, maar de partij trok ook centrum-rechtse kiezers van het NSC (23 procent) en de VVD (11 procent).

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next