Ondanks alle opwinding over de uitslag, die ik niet ken omdat deze column ruim voor het sluiten der stembussen moest zijn ingeleverd, is daags na de verkiezingen ook aan de orde wat premier Schoof eigenlijk heeft betekend. Een moeilijke vraag. Want na anderhalf jaar regeringsmacht weten we nog steeds niet waar hij politiek staat. Zelfs zijn eigen stemgedrag hult hij in nevelen. „Dat blijft het geheim van Dick Schoof„, grijnsde hij toen De Telegraaf hem ernaar vroeg.
De openhartigheid van scheidend premier Lubbers, die bij zijn afscheid in 1994 publiekelijk onthulde dat hij niet ging stemmen op lijsttrekker Brinkman maar op minister Hirsch Ballin en een crisis binnen het CDA ontketende, ging wellicht wat te ver. Maar zoals Schoof zijn landgenoten via de krant het bos in stuurde, is voor het apolitieke Nederland ongekend.
In de eerdere zestien maanden van zijn premierschap was het niet anders. Er is geen interview waarin Schoof het waagde om iets politieks te zeggen. Hij grossierde in managementmetaforen en typeerde zichzelf als een „situationeel leider” op zoek naar „cohesie”. Wat of wie hij met wie of wat wilde „verbinden”? Geen flauw idee.
Schoof veinsde weliswaar als „kapitein op ruwe zee” een autonome rol te kunnen spelen. Maar zijn angst voor de politiek was zo groot dat hij niet eens een poging deed om een machtsbasis te bouwen. Eén voorbeeld: de oorlog in Gaza. Als partijloze premier had hij de om zich heen grijpende wederzijdse verkettering iets kunnen dempen door, desnoods met zalvende woorden, een eigen ruimte te scheppen. Hij deinsde ervoor terug.
Een patroon: als het spannend werd, dook Schoof weg. Is hem dat nu euvel te duiden? Nee!
Het zegt iets over Schoof dat hij op 67-jarige leeftijd de lokroep van een charismatisch tweede beroepsleven niet kon weerstaan en daarom in alle opwinding vergat dat politiek en bureaucratie niet hetzelfde zijn. Na vier glansrijke decennia in het ambtelijk apparaat had Schoof natuurlijk moeten beseffen dat een politicus wordt getoetst aan drie eigenschappen (hartstocht, verantwoordelijkheid en gevoel voor verhoudingen) en dat een bureaucraat diens politieke doelen vervolgens rationaliseert en ervoor zorgt dat er kan worden bestuurd op basis van kennis.
Maar dat Schoof zich liet strelen is ook de pluimstrijkers kwalijk te nemen. Het idee van Yesilgöz, Omtzigt en Van der Plas dat ze de charismatischere Wilders konden inkapselen via een apolitieke premier was onzalig. Met hun keuze voor een ambtenaar, die als bureaucraat nooit de straat op had hoeven gaan om zich te verantwoorden, onttrokken deze drie politici zich niet alleen aan hun eigen politieke verantwoordelijkheid, maar overschreden ze ook een grens in het Nederlandse bestel. Ze namen willens en wetens de gok dat onze klassieke apolitieke compromisvorming kon degenereren tot antipolitiek populisme.
Ze trokken zodoende een wissel op de kern van onze parlementaire democratie, zoals Hans van Mierlo die bij zijn rentree in 1986 ooit schetste: „De essentie van democratie is niet dat de meerderheid de macht heeft, maar dat de minderheid ook macht heeft”.
Door dit misbruik van ’s mens ijdelheid komt Schoof, hoe onrechtvaardig ook, nu te boek te staan als de meest machteloze premier sinds de bevrijding, machtelozer dan Marijnen (1963-1965), die na twintig maanden sneuvelde op het toen nog verzuilde omroepbestel.
Paradoxaal genoeg heeft hun fiasco een positieve keerzijde. De hardnekkige mythe dat een apolitiek zakenkabinet meer soelaas biedt dan een politieke ministerraad kan eindelijk worden begraven. Politiek kan toch niet worden overgelaten aan ondernemers, technocraten of ambtenaren. Dat is de les die Schoof ons leerde.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC