Home

De agent en de activist leren elkaar op een nieuwe manier kennen, dankzij de ‘adoptiemethode’ van Adelheid Roosen

Theater met politieagenten In Tot Het Is Wat Het Moet Zijn, de nieuwste voorstelling van Female Economy, de theatergroep onder artistieke leiding van Adelheid Roosen, voeren agenten en artiesten diepgaande gesprekken. „Mijn beeld van de politie was negatief, maar toen ik Dennis ontmoette werd ik verrast.”

Repetitie van voorstelling 'Tot Het Is Wat Het Moet Zijn' bij Theater de Landing in Uilenstede, Amstelveen. Vlnr: acteurs Kevin Klein, Zaïre Krieger, politieman Dennis en regisseur Titus Tiel Groenestege.

Zo’n twee weken geleden vloog er in Den Haag een politieauto in brand. Er werd ‘AZC weg ermee’ geroepen en ‘Sieg Heil’. De ramen van het partijkantoor van D66 werden ingegooid. De Hitlergroet werd gebracht. Politieagenten kregen stenen, takken, blikken bier, hekken naar zich toe gegooid.

Maar op 10 oktober in Amstelveen is de stemming geheel tegenovergesteld, zacht en vreedzaam. In Theater de Landing wordt er gerepeteerd voor Tot Het Is Wat Het Moet Zijn, de nieuwste voorstelling van Female Economy, het theatercollectief onder artistieke leiding van Adelheid Roosen. De voorstelling wordt gemaakt in samenwerking met de Politie Eenheid Amsterdam.

De ‘adoptiemethode’ vormt de basis van het werk van Roosen en Female Economy, zoals bij WijkSafari’s in Amsterdam, Utrecht en Mexico. Die methode houdt in dat wijkbewoners wekenlang een theatermaker in huis nemen, als het ware ‘adopteren’. Over die ervaring vertelden de theatermakers vervolgens aan groepjes bezoekers, in de huizen van diezelfde wijkbewoners. Zelf omschrijft de groep dit als een intensieve vorm van zelfonderzoek door werkelijk in contact te treden met de ander. Voor de werkvoorstelling Tot Het Is Wat Het Moet Zijn is de politie van Amsterdam aan de beurt.

Het idee ontstond bij Roosen toen ze gevraagd werd als lid voor de Raad van Advies en Inspiratie ‘Politie voor Iedereen’. Dit programma is door de landelijke politie opgericht om uitsluiting en discriminatie binnen de politie aan te pakken. En dus koppelde ze tien makers en spelers aan tien agenten: om maandenlang samen te werken, om elkaars werelden te leren kennen en de zwijgcultuur binnen de politie te doorbreken.

Op een bankje voor het theater vertelt Roosen: „In de research die we deden voordat we met de adoptie van start gingen, hebben we met veel mensen van de politie gesproken. Dit waren stuk voor stuk fijne gesprekken, persoonlijk en open ook. Maar steeds eindigde het met: ‘Maar dat ga ik niet zeggen waar mijn teamchef bij zit en zeker niet op een podium.’ Toch hoorden we ook steeds dat de wens om het zwijgen te doorbreken groot was.”

Een zwijgcultuur is niet uniek voor de politie, zegt Roosen, maar de situatie van politiemensen is wel uitzonderlijk. „Ik las een interessante beschrijving van hoogleraar en oud-agent Piet van Reenen. Dat we verwachten dat agenten een soort bovenmenselijke wezens zijn. Ze moeten de samenleving én elkaar in de meest intensieve omstandigheden beschermen. En we verwachten dat ze elkaar aanspreken – ook als ze weer terug in de auto zitten na een situatie met pijn, geweld en verdriet – en tegen elkaar zeggen: ‘Wat jij tegen die mevrouw zei, dat was racistisch, dat kan niet’. In een huwelijk hebben we al moeite om de ander aan te spreken op de afwas.”

Toch is het wél mogelijk, volgens Roosen, om het gesprek over discriminatie binnen de politie aan te gaan. Het is essentieel om het patroon te doorbreken. „Als je openstaat voor de ander en je bewust bent van je eigen vooroordelen, dan kan er een gesprek ontstaan. Ik zeg altijd: in een gesprek zijn altijd vier mensen aanwezig. Jij, ik, degene die ik van jou maak en degene die jij van mij maakt. En dat is het begin van de adoptiemethode, dat ik jou werkelijk bevraag.”

Uiteindelijk wist Roosen met haar team tien politiemensen zover te krijgen om een maker of speler ‘te adopteren’. De theatermakers gingen maandenlang mee de straat op, waren in de meldkamer, reden mee in de politiewagen.

Adelheid Roosen: „Ik zeg altijd: in een gesprek zijn altijd vier mensen aanwezig. Jij, ik, degene die ik van jou maak en degene die jij van mij maakt.”

Zaïre Krieger en politieman Dennis vormen een van deze koppels. (Vanwege veiligheidsrisico’s wil hij zijn achternaam niet gepubliceerd hebben.) Het is lunchpauze, ze eten samen een tosti van een kartonnen bordje. Zaïre Krieger – dichter, spoken word artiest, journalist, activist, zwarte vrouw – zit dicht naast Dennis. Af en toe legt ze een hand op zijn schouder – teder, vanzelfsprekend. Dennis – blond haar, gespierd, Amsterdams accent, een politieman zoals je je een Amsterdamse politieman voorstelt – geeft haar de helft van zijn tosti: „Ik kan gewoon een nieuwe maken”, zegt hij.

De zachtheid tussen de twee – op het eerste gezicht – tegenpolen is overweldigend.  Zou het fictie zijn, Krieger en politieman Dennis als romanpersonages, dan zou de lezer het too much vinden. Maar ze zitten er, de activist en de politieman, symbiotisch een tosti te eten terwijl ze elkaars zinnen afmaken. Ze hebben beiden hard gewerkt om op dit punt te komen.

Krieger zelf had dit ook nooit verwacht. Toen Roosen haar belde met de vraag of ze mee wilde doen, hing ze meteen de telefoon op. „Mijn huiver was dat ik gebruikt zou worden om iets goed te praten, zodat de politie zijn straatje schoon kon vegen”, vertelt ze terwijl Dennis rustig dooreet. „Dat ze kunnen zeggen: ‘Nou de activist hebben we gehad, check.’ Daar wilde ik me niet voor lenen. Maar toen zei Adelheid: ‘Die huiver, we willen juist dat je dat meeneemt.’ Toen zag ik de waarde van de voorstelling in. Het voelde als een grote, rode knop die ik wel in wilde drukken.”

Dennis herkent dat gevoel: „Ik dacht: waarom moet ik dit namens de politie doen? Moet ik iets gaan voordragen wat niet van mij is? Moet het politiek correct zijn? Uiteindelijk had ik het vertrouwen wel dat ik mezelf mocht zijn. Ik wilde mijn kant van het verhaal vertellen, maar ik dacht: ‘Ik ga niet het podium op’.”

De adoptie

Dennis  draagt zijn politie-uniform al 25 jaar, het grootste deel hiervan in Amsterdam Nieuw-West. „Zaïre en ik lijken allebei aan het andere uiterste van het spectrum te staan. Als groepscommandant van de mobiele eenheid heb ik bij veel demonstraties gestaan. Daar heb ik ook geweld bij gebruikt. Als activist heeft Zaïre veel gedemonstreerd, daarbij is er ook tegen haar geweld gebruikt”, vertelt hij.

„Mijn beeld van de politie was negatief, maar toen ik Dennis ontmoette werd ik toch wel verrast. Dit is niet de politieagent die ik dacht te kennen”, vult Krieger aan.

Ze vertellen hoe er al snel vertrouwen ontstond, vanaf de eerste ontmoeting op een terras („neutraal terrein”). Krieger gaat mee in de auto, ze bezoeken plekken die betekenis voor hen hebben en de twee leren elkaar in de maanden erna goed kennen. „We hebben alles gedeeld”, zegt Dennis, „ook de zware kant.”

Zaïre Krieger en agent Dennis.

Het grootse inzicht dat de periode Dennis gaf? „Ik zie de meerwaarde van het gesprek, alleen zo kun je leren. En ik heb meer inzicht in mezelf. Hoe verhoudt de persoon Dennis die ik ben zich tot de politieagent Dennis in uniform. Want burgers zien alleen het uniform, maar in dat uniform zit een persoon. En dat ben ik.”

En voor Zaïre? „Mijn verhouding met de politie is altijd slecht geweest. In het beste geval zijn ze nutteloos, zo stond ik erin. Maar nu besef ik pas hoeveel we van politiemensen vragen zonder dat wij hen vragen of ze dat wel aankunnen. We investeren niet in de GGZ, maar laten het aan de politie over om met het toenemende aantal verwarde mensen op straat te dealen.”

Dennis vult aan: „Dat is een van de paradoxen die in je zitten als politieagent, vooral in relatie tot geweld. Op je 18de word je politieagent en krijg je het geweldsmonopolie. Ik wil nooit geweld plegen op een patiënt, maar ik heb ook de taak de samenleving te beschermen. Dus dan moet ik soms geweld plegen terwijl ik het niet wil.”

De voorstelling

Dennis had aangegeven niet het toneel op te willen, maar toen belde de productieleider om te vertellen dat hij bij alle negen voorstellingen werd verwacht. Dennis haalt zijn schouders op: „Ik had geen reden om daar ‘nee’ tegen te zeggen. Dus werd het ‘ja’.” Op zaterdag 25 oktober in het Amsterdamse Theater Frascati vindt de première plaats. Voor de voorstelling zijn de ervaringen van Krieger, Dennis en alle andere koppels gebruikt.

Maar ook het publiek moet aan de bak. Er zijn zestig politieagenten aanwezig, te herkennen aan een fluorescerend gele band om hun pols. De zestig burgers in het publiek krijgen een witte. Bij binnenkomst wordt elke politieagent gekoppeld aan een burger. Tassen moeten in een grote metalen bak. Jassen op een plastic zeil dat middenin de ruimte ligt. De politieagenten die aan het stuk meedoen, ook Dennis, leiden het publiek vakkundig in rondjes om het zeil heen. Rond en rond, het gesprek gaat meteen van start.

Dan mag het publiek plaatsnemen, op de 120 witte stoelen die de toneelvloer omlijsten. Roosen wijst op een hoek van de zaal, waar een bank staat waar twee coaches plaatsnemen. „Het moet voor iedereen veilig blijven”, zegt ze. „Daar kun je heen als het je te veel wordt.”

En dan, meteen, bewijst Roosen dat het kan: een fatsoenlijk gesprek tussen tegenpolen. Ze zet emeritus hoogleraar gender en etniciteit Gloria Wekker op een stoel tegenover politieman Jeroen, die PVV stemt. Dat niet alleen, bij de verkiezingen voor het Europees Parlement was hij zelfs verkiesbaar voor de partij. Wat volgt is spectaculair, juist omdat het  tegenwoordig zo moeilijk voor te stellen is dat zulke absolute tegenpolen met elkaar in discussie gaan zonder dat het ontspoort.

Het gesprek is spannend, maar blijft veilig. Er worden harde woorden gezegd, maar er blijft zachtheid in de ruimte. „Waarom moet ik excuses maken voor mijn overgrootouders?”, vraagt Jeroen, „dat is zo lang geleden, daar had ik toch niets mee te maken?” Wekker probeert hem uit te leggen, dat de slavernij 300 jaar duurde en nog maar 150 jaar geleden werd afgeschaft. Dat dit voor de nazaten van tot slaaf gemaakten nog helemaal niet zo ‘lang geleden’ voelt. „Ik voel me zo langzamerhand een minderheid worden in mijn eigen land”, zegt Jeroen. Krieger, die van haar stoel is opgestaan: „Zo voel ik me al mijn hele leven.”

De rest van de avond vervolgt op eenzelfde manier. Er is kritiek, gesprek, confrontatie, openheid. Onder de spelers, de politieagenten en het publiek. De avond is niet anders te omschrijven dan als een liefdevolle chaos die niemand koud laat.

Tussen de scènes door gaat het publiek in steeds andere samenstellingen met elkaar in gesprek, te midden van een wirwar van witte stoelen in steeds andere formaties. Burgers en politiemensen stellen elkaar vragen als ‘Wanneer voelde je je eenzaam?’ of ‘Wat is jouw ervaring met geweld?’. Er worden bloemen uitgedeeld, er wordt gezongen, er worden videobeelden getoond. Een politieman met dertig jaar ervaring stamelt met rode konen: „Ik ben wel een beetje overprikkeld.” Maar daarna vertelt hij hoe moeilijk hij het soms vindt om geweld te moeten gebruiken.

Verhalen over discriminatie, geweld, racisme volgen elkaar op. Er verschijnen steeds meer bloemen. Er wordt bellenblaas uitgedeeld – medicijnen tegen de zwaarte. Terwijl de bellen langzaam door de lucht zweven, komt er een tafel naar beneden met water, brood, wijn en olijven. Daar heeft iedereen behoefte aan. Met of zonder uniform.

Tot het is wat het moet zijn, van Theatergezelschap Female Economy en Politie Eenheid Amsterdam. T/m 2 november in Frascati, Amsterdam. Info: femaleeconomy.nl

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next