Klimaat Een nieuw duurzaamheidsverhaal moet inderdaad gaan over vooruitgang, maar dan niet in meer spullen, maar in welzijn, zegt Hans Stegeman. Onze economie zet immateriële behoeften ten onrechte om in materiële groei.
Files bij Kampen kunnen niet worden opgelost omdat door stikstofnormen wegwerkzaamheden moeten worden uitgesteld.
Hidde Boersma vraagt terecht om een nieuw duurzaamheidsverhaal (Groei die ook goed is voor de planeet: het kán, 25/10). Zijn stelling: met het juiste beleid kunnen we doorgroeien én schoner worden. Innovatie en beleid hebben geleid tot gedeeltelijke ontkoppeling van economie en milieuschade. De uitstoot van zwaveldioxide daalde spectaculair, de CO₂-uitstoot per Nederlander is terug op het niveau van de jaren zestig. Het klinkt als een happy ending in wording.
Hans Stegeman is hoofdeconoom bij Triodos Bank.
Toch wringt er iets aan dit als optimistisme verkocht narratief. Het doet denken aan iemand die het huis in brand zet, maar vervolgens trots de brandschade beperkt. Dat we sommige vormen van vervuiling kunnen terugdringen is hoopvol, maar geen vrijbrief. De structurele ecologische overschrijding, de overbelasting van stikstofkringlopen, de ineenstorting van biodiversiteit, het uitputten van grondstoffen: ze worden er niet wezenlijk door opgelost. De daling van de materiaalvoetafdruk is reëel, maar onvoldoende. Wereldwijd zijn inmiddels zeven van de negen planetaire grenzen overschreden, en de Nederlandse economie draagt daar relatief veel aan bij. Kortom, ontkoppeling schiet te kort. Alleen absolute reducties in grondstoffengebruik volstaan.
En daar duiken twee knelpunten op. Ten eerste kent elk groeisysteem het reboundeffect: efficiëntere technologie verlaagt vaak de kosten, waardoor consumptie juist stijgt. Zuinigere auto’s leiden tot meer autokilometers, kleinere apparaten tot meer gadgets, energie-efficiëntie tot extra schermen in huis. Het netto-effect? Meer gebruik, niet minder. De technologie geeft, maar de economie neemt terug. Ook bij hernieuwbare energie: de productie neemt fors toe, maar de mondiale energievraag stijgt nog harder. Energie-additie in plaats van een echte energietransitie.
Ten tweede: zelfs als het reboundeffect nul zou zijn, blijft er een absolute limiet aan de mogelijkheid van ontkoppeling. Stel je voor: je hebt nu een auto die ongeveer 1.000 kilo weegt. Over 35 jaar is de economie tien keer zo groot. Dan mag diezelfde auto nog maar 100 kilo wegen om het milieueffect gelijk te houden. En als de economie over 100 jaar duizend keer zo groot is, mag de auto maar 1 kilo wegen – ongeveer zo zwaar als een paar speelgoedautootjes.
Je zou natuurlijk ook de trein kunnen nemen in plaats van de auto. Dat helpt, maar dan worden er minder auto’s gemaakt en is er minder economische activiteit. Of je maakt auto’s die veel langer meegaan, dat kan ook. Maar dan worden er ook minder nieuwe auto’s verkocht, waardoor de economie krimpt, terwijl de mobiliteitswaarde gelijkt blijft. Kortom: het is tot op zekere hoogte mogelijk om economische groei los te koppelen van het gebruik van grondstoffen. Maar hoe dichter je bij de grens komt, hoe moeilijker het wordt.
Daarom moeten we onderscheid maken tussen wat technologie kan en wat werkelijk nodig is. Technologische vooruitgang kan symptomen verzachten, maar verandert niets aan het onderliggende groeimodel. En dat model rust op een fundamentele misvatting: dat materiële groei gelijk staat aan vooruitgang. Mensen verlangen naar vooruitgang – maar zelden bedoelen ze daarmee een hogere bbp-groei of meer spullen. Ze bedoelen welzijn, zekerheid, verbondenheid, autonomie, toekomstperspectief.
Onze economie zet immateriële behoeften om in materiële groei. Mensen worden daar in toenemende mate gestresst van, maar het systeem dwingt het af. Groei is nodig om schulden af te lossen, overheidsbegrotingen sluitend te maken, pensioenen betaalbaar te houden, winsten te garanderen. De systeemlogica staat haaks op de logica van de planeet. En dus wordt zelfs duurzaamheid een verdienmodel, mits het iets oplevert. CO₂-opslag, stikstofscrubbers, groene businessmodellen: het kapitalisme zet zijn oude patroon voort onder nieuw jasje.
Er is een woord voor deze dynamiek: ontkoppelingsfetisjisme. Het hardnekkige geloof dat we, met genoeg slimme oplossingen, de economie eindeloos kunnen laten groeien zonder de planeet en ons welzijn verder te belasten. Net als andere fetisjen leidt het af van de realiteit: ons consumptiepatroon veroorzaakt een mondiale voetafdruk die fundamenteel onhoudbaar is. De aarde kan simpelweg niet herstellen in het tempo waarin wij haar uitputten.
Laten we dus niet de fout maken om de imperfectie van degrowth-denkers als bewijs te zien voor het slagen van groeigelovigen. Tussen dystopie en techno-euforie ligt een ongemakkelijke waarheid: we zullen het met minder moeten doen. Minder materiële groei. Minder uitputting. Maar ook meer zorg, herverdeling, circulariteit en gemeenschappelijkheid. Meer toekomst per eenheid grondstof.
Want wat is er eigenlijk optimistisch aan het pleidooi om vooral door te gaan zoals we altijd deden, alleen dan iets schoner? Is dat geen hoogglanspessimisme? Een sprankelend verhaal dat vooral de status quo beschermt, in de hoop dat technologie ons uit de brand redt?
De echte optimist durft het systeem te herzien. Niet omdat technologie faalt, maar omdat ze begrensd is. Niet omdat vooruitgang slecht is, maar omdat we haar verkeerd hebben gedefinieerd. En niet omdat groei onmogelijk is, maar omdat echte groei – in vertrouwen, rechtvaardigheid, gezondheid, rust – allang niet meer samenvalt met het bbp.
Het nieuwe duurzaamheidsverhaal draait niet om ontkoppeling. Het is er een van verbinding. Met grenzen, met waarden, met elkaar.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC