Koorcomponist John Rutter De Brit John Rutter behoort tot de meest geliefde koorcomponisten van onze tijd. Zijn tachtigste verjaardag vierde hij in Cambridge, „de stad van koren”, waar zijn leven en dromen in de plooi vielen. „Vrijwel iedereen die hier studeerde, heeft aan deze plek een diep geloof in de verwondering overgehouden.”
John Rutter.
Binnen de universiteitsmuren van het Engelse Cambridge is de legendarische dichter William Shakespeare nooit ver weg. Bouwsteigers onttrekken de kloosterachtige geborgenheid van Clare College in het stadje deels aan het gezicht. Wanneer Engelands beroemdste koorcomponist John Rutter eronderdoor loopt, zegt hij: „In zulke gebouwen begint het altijd met een kleine lekkage. Maar bij nadere beschouwing blijkt dan vaak alles op instorten te staan. Zoals in dit geval.” Waarna hij Shakespeares Hamlet parafraseert: „Something is rotten in the state of Clare College.”
De houten traptreden, afgedekt met zeil, zuchten onder zijn trage tred. Eind september werd Rutter tachtig. Vandaag, zo’n twee weken later, viert hij die mijlpaal met het Choir of Clare College. Als student zong hij in dit koor, hij dirigeerde het in de jaren zeventig, later zaten zijn twee zoons erbij, en nu is Rutter de producer van de albums van het jonge ensemble. Zoals het onlangs verschenen A Clare College Celebration, een herdenking van de onderlinge band tussen koor en Rutter, die meer dan zes decennia teruggaat. Want zijn eerste muziek werd uitgegeven toen hij nog maar net in Cambridge was.
„De ouderdom heeft me beslopen”, zegt Rutter, „Het ene moment ben je een twintiger en je knippert voor je gevoel één keer met je ogen en mensen komen vertellen dat het negende decennium van je leven is begonnen. De waarheid is dat ik in de afgelopen vijftig jaar ongeveer dezelfde dingen deed als op mijn 25ste. Het enige verschil is dat mijn ervaring groeide.”
Natuurlijk voelt Rutter hoe de kracht uit zijn jeugd gestadig is vervaagd. „Aan de andere kant verjongt muziek me. Elk jaar werk ik met de zangers van Clare College. Het is een Peter Pan-koor, want het bestaat alleen uit studenten – het veroudert dus nooit. Zij ontdekken hier stukken die ik al vele jaren ken, en ze leren me er daardoor met nieuwe oren naar te luisteren. En pluspunt van mijn werk is dat ik het kan doen zolang ik nog in staat ben een pen vast te houden. Sowieso zijn componeren en dirigeren bezigheden waarmee musici meestal doorgaan totdat ze er dood bij neervallen.”
Maar eerst de geboorte. John Rutter kwam ter wereld in Londen, eind september 1945, ruim vijf maanden na de Tweede Wereldoorlog. In de woonkamer boven een pub stond een piano, waarop zijn vader niet onverdienstelijk improviseerde. Het instrument groeide vanaf zijn derde jaar uit tot Rutters meest geliefde speelgoed. En hij zong er graag bij – dikwijls tot ergernis van zijn ouders, want de kleine ongeschoolde John keek niet op een valse noot of decibel meer of minder.
„Vier jaar later stuurden ze me naar pianoles”, vertelt hij. „Mijn leraar gaf me de wijze raad zanger of componist te worden, maar alsjeblieft géén pianist. Op mijn eerste schoolrapport schreef de juf: ‘John zingt goed, zolang het zacht is.’ En hoewel mijn onderwijzeres een pleidooi hield voor een kooropleiding , stuurden mijn ouders me naar een gewone middelbare school, Highgate in Noord-Londen.”
Dat bleek een gouden greep. „Een Deens gezegde luidt: ‘Het is moeilijk iets te voorspellen, vooral over de toekomst’”, grijnst Rutter. Op Highgate trof hij een van zijn grote inspiratiebronnen: Edward Chapman, dirigent van de twee schoolkoren: één grotere groep – bijna de helft van alle leerlingen – voor het jaarlijkse oratorium, en een kleine voor de reguliere kerkdiensten in de eigen kapel. Rutter zong in beide. Het kapelkoor was zo goed dat de zangers begin jaren zestig werden uitverkoren voor de legendarische opname van het War Requiem van Benjamin Britten, met de componist als dirigent. „Britten stuwde ons daarbij naar hoogten waarvan we niet wisten dat we die in ons hadden. Zingen met hem vond ik een openbaring.”
Rutter leerde zijn eerste mentor Chapman kennen als een begeesterde man, achterin de vijftig, die in zijn drie decennia aan Highgate van koorzang een levensader van de school maakte. „Persoonlijk was hij ietwat ingekeerd en raadselachtig, maar hij wist vele generaties leerlingen ertoe te bewegen een toekomst in de muziek te zoeken. Ook ik wilde zijn voetsporen volgen, bijvoorbeeld door hier in Cambridge te studeren.”
John Rutter op het terrein van Clare College in Cambridge.
En zo geschiedde. Rutter belandde in Cambridge, „een stad van koren”. Zo’n twintigduizend studenten huisvest de beroemde universiteit, die verdeeld zijn over meer dan dertig semi-zelfstandige colleges, allemaal met een eigen kapel en koor. Toen Rutter halverwege de jaren zestig op Clare College ging studeren, bestonden die ensembles allemaal nog uit jongens.
„Ik geloof niet dat je ons destijds graag gehoord had”, grijnst hij. „We hadden geen music director zoals nu. Een orgelstudent dirigeerde ons. Het toeval wilde dat de college-bar zich in de crypte onder de kapel bevond, en de verleiding van een little refreshment vooraf was voor veel koorleden te groot. Dus we waren zelden allemaal nuchter bij het zingen.”
Voor muziekstudent Rutter was Cambridge een periode waarin zijn leven en dromen in de plooi vielen. De beroemde dirigent David Willcocks van grote buur King’s College, van wie hij eens per week les kreeg, vroeg de jonge componist eens wat van zijn werk langs te brengen. Twee dagen later had hij een uitgever.
„Afgezien van de dood van mijn zoon Christopher op zijn negentiende door een verkeersongeluk mag ik niet klagen over wat het leven me gebracht heeft”, vindt Rutter. „Op beslissende momenten kruisten inspirerende figuren mijn pad, en zij openden deuren die voor anderen gesloten bleven. Natuurlijk, om te beginnen moet je als componist talent bezitten, bereid zijn hard te werken, omgaan met teleurstellingen en negatieve recensies, maar je hebt gewoon ook wat mazzel nodig. Als ik het verhaal van mijn leven een titel moet geven, dan is het The Book of Good Luck. Geluk kun je niet maken, het valt je toe. En die ene grote tragedie daargelaten, mocht ik altijd wandelen aan de zonkant van de straat, waarschijnlijk zonder het te verdienen.”
In de afgelopen zestig jaar groeide Rutter uit tot een van de meest geliefde koorcomponisten uit onze tijd. Hij schaamt zich er niet voor te winkelen bij verschillende klassieke tradities, maar ook bij pop en jazz. Tot zijn grote hits behoren The Lord Bless You and Keep You, zijn Requiem en zijn Magnificat. Allemaal kerkmuziek, hoewel hij zichzelf niet per se ziet als een godsdienstig mens. Dat belet hem trouwens niet om deze avond bij de Evensong in de kapel van Clare College uit volle borst de hymnen van het gezangenboek te zingen.
Maar eerst reist hij nog even terug naar zijn jeugd. „Edward Chapman, de koordirigent op mijn middelbare school, leerde ons dat alle muziek spiritueel is. Of er nu een stempel van de kerk op staat of niet. Mijn liefde voor koren is groot, ik groeide erin op. En in christelijke religie nemen ze een centrale plek in. Een kerk zonder koor is een lichaam zonder ziel. En of wij componisten nu beweren religieus te zijn of niet, ons instinct hiervoor is sterk ontwikkeld, want muziek is een mysterie, evenals het geloof. Musici bewegen zich in een transcendente wereld.”
John Rutter.
Op het nieuwe album staat ook The Gift of Life, waarin hij het leven wil vieren. Hij zocht er bijbelfragmenten bij, en voegde eigen teksten toe, wanneer hij de geschikte woorden daar niet kon vinden. Hij moedigt de luisteraar onder meer aan zich naar het licht te keren.
„Ik geloof dat het de Franse schrijver André Gide was die vond dat kunst altijd een gevoel van hoop moet herbergen. Dat is moeilijk in een duistere tijd als de onze. Maar we moeten onze blik op de horizon gericht houden, op zoek naar de streep licht die een nieuwe zonsopgang aankondigt. Dat niet doen, betekent de hoop opgeven. Ik ben een optimist, hoewel één met flink wat kneuzingen. De componist Georg Friedrich Händel geloofde in de achttiende eeuw dat door de rede en het geloof te omarmen de mensheid in het licht kon wandelen. Ik weet niet of dat visioen van een betere wereld nog houdbaar is na twee wereldoorlogen en een Holocaust.”
„Onlangs voerde ik een boeiend gesprek met de priester in het dorp waar we wonen. De vraag was: had Johann Sebastian Bach de zo vreugdevolle Hohe Messe kunnen schrijven als hij had moeten leven te midden van oorlog en hongersnood en niet in de beslotenheid van het rijke en vredige Leipzig? Nu, drie eeuwen later, krijgen we met één muisklik de dood en het verderf van de hele wereld over ons uitgestort. Goed nieuws is geen nieuws. Het verduistert deels het licht en de hoop, die wel degelijk ook bestaan. Daarom mijn woorden: If We Turn to the Light. We moeten onszelf eraan herinneren dat het er is.”
Met zijn tachtig jaar beseft Rutter dat hij – zoals de Nederlandse politicus Joseph Luns met Britse ironie kon zeggen – een grote toekomst achter zich heeft. Gedachten aan wat zijn nalatenschap wordt, zijn onontkoombaar. „Uiteraard hoop ik de honderdvijftig te halen.” Zijn bijna doorschijnende lichtblauwe ogen glimmen. „Ik zou – zoals iedere componist – graag zien dat men op mijn grafsteen beitelt: ‘Hij schreef als een engel.’ We willen allemaal bewonderd worden om onze techniek, en dat gebeurt zelden. Dat aspect van componeren laat zich vergelijken met de fundamenten onder een bouwwerk. Onzichtbaar, maar als ze ontbreken, stort alles in. En dan daaronder nog een tweede inscriptie: ‘Zijn muziek raakte de harten van mensen.’ Helaas heeft niemand dat in de hand. Over zijn Missa solemnis merkte Beethoven op: ‘Ze komt uit het hart, laat haar ook gaan naar het hart.’ Muziek is constructie én communicatie. Bach zetelt bovenin mijn boom van componisten, omdat hij beide in volmaakt evenwicht houdt. Het één kan niet zonder het ander.”
Rutter staat op voor een korte wandeling door Clare College. Beneden bij de keukens stuiten we op een buste van bioloog en filmer David Attenborough, ook een oud-student, inmiddels bijna honderd. „Ver voor mijn tijd”, glimlacht hij. „Maar zijn inspanningen voor natuurbehoud kenmerken wel wat Cambridge belichaamt. Op onze andere beroemde universiteit, Oxford, richt men zich doorgaans op de eigen ambities. Hier zijn mensen geneigd de wereld te willen verbeteren. Deze plek omringt je met geschiedenis, geleerdheid en schoonheid. En we hebben daar, denk ik, allemaal een diep geloof in de verwondering aan overgehouden.”
Het album John Rutter: A Clare College Celebration van The Choir of Clare College, Cambridge verscheen onlangs op het label Harmonia Mundi en bevat een staalkaart van zestig jaar componeren.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC