Home

Opinie: De onschuldpresumptie en de slachtofferpresumptie zijn geen rivalen. Ze zijn complementair

De strafzaak tegen Marco Borsato laat zien hoe kwetsbaar slachtoffers zijn in de publieke ruimte. Terwijl de verdachte pas als dader mag worden beschouwd na een veroordeling, wordt het slachtoffer in het publieke debat vaak al veroordeeld voordat de rechtszaal is betreden.

Als bestuursvoorzitter van Slachtofferhulp Nederland zie ik dagelijks hoe mensen, die aangifte doen van een misdrijf, niet alleen te maken hebben met het eigen leed, maar ook met maatschappelijke scepsis. Dat wantrouwen raakt aan de kern van onze rechtsstaat. Want naast de onschuldpresumptie voor verdachten, kent het Nederlandse strafproces ook de slachtofferpresumptie: het uitgangspunt dat het slachtoffer van een strafbaar feit een slachtoffer is, totdat het tegendeel komt vast te staan.

Dit principe is juist ingevoerd om de positie van slachtoffers in het strafproces te versterken, hen beter te beschermen, en ervoor te zorgen dat hun belangen worden meegenomen.

Over de auteur

Rosa Jansen is bestuursvoorzitter van Slachtofferhulp Nederland.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Waarborgen

De Aanwijzing slachtoffers in het strafproces van het Openbaar Ministerie is hierover ondubbelzinnig: het OM gaat uit van de slachtofferpresumptie. Dat is geen vrijblijvende houding, maar een normatief uitgangspunt dat de correcte bejegening van slachtoffers door politie en justitie moet waarborgen. Het slachtoffer wordt serieus genomen, omdat de erkenning van mogelijk geleden schade de enige zorgvuldige startpositie is in een rechtsstaat die menselijke waardigheid centraal stelt.

Toch verdwijnt dat uitgangspunt buiten de rechtszaal al snel uit beeld. In mediaberichtgeving en de publieke discussie zien we hoe snel slachtoffers worden besproken, beoordeeld en veroordeeld, lang voordat de rechter aan het woord komt. Neem de podcast De zaak XL: Marco Borsato van het Algemeen Dagblad en RTL Boulevard (23 oktober), waarin gesproken werd van ‘vermeend slachtofferschap’. Terminologie die neutraal lijkt, maar voorbij gaat aan de slachtofferpresumptie.

Het Wetboek van Strafvordering definieert een slachtoffer namelijk als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade en/of ander nadeel heeft geleden, ook van immateriële aard. Daarmee erkent de wet dat slachtoffer zijn niet pas ontstaat na een rechterlijk oordeel. Wie aangifte doet, doet dat dus vanuit die positie – niet vanuit een neutrale rol.

Het is begrijpelijk dat journalisten behoedzaam formuleren. Zij moeten verslag doen van strafzaken waarin schuld nog niet is vastgesteld. Toch mag feitelijke zorgvuldigheid niet leiden tot taalkundige kilte. Wanneer herhaaldelijk wordt gesproken van ‘vermeende slachtoffers’, lijkt het alsof slachtofferschap zelf ter discussie staat, in plaats van de strafbare feiten.

Nuance

In een tijd waarin op sociale media het oordeel vaak al wordt geveld voordat de rechter uitspraak doet, is het belangrijk dat traditionele media de nuance bewaren. Dat kan door precieze, maar niet ontkennende formuleringen te gebruiken. Bijvoorbeeld: ‘Het slachtoffer deed aangifte van aanranding; de zaak is nog in behandeling.’ Dat is juridisch juist én laat ruimte voor beide presumpties die ons rechtsstelsel dragen.

Binnen Europa groeit de aandacht voor de campagne Victim Support Europe Safe Justice, een pleidooi voor een rechtssysteem waarin slachtoffers zich veilig, gerespecteerd en gehoord voelen. Ook Nederland onderschrijft deze principes. Maar de praktijk blijft weerbarstig. Veilige rechtspraak begint met een slachtoffergerichte benadering door politie, OM en de rechtspraak. Dat betekent niet dat geloofd wordt in plaats van getoetst, maar dat respect en zorgvuldigheid uitgangspunt zijn.

In dit verband is het betreurenswaardig dat de rechtspraak in een recente voorlichtingsvideo op de website van de rechtbank Midden-Nederland over de behandeling van de zaak van zanger Marco Borsato in het geheel niet spreekt over het slachtoffer en haar rechten ter terechtzitting, maar het slachtoffer reduceert tot een aangeefster wier advocaat ter zitting het woord mag voeren. Dat is niet alleen betreurenswaardig, maar ook onjuist: zowel in de Nederlandse rechtspraktijk als in in diverse Europese richtlijnen, zijn expliciete slachtofferrechten ter terechtzitting al veertig jaar vastgelegd.

De onschuldpresumptie en de slachtofferpresumptie zijn geen rivalen. Ze zijn complementair. De eerste beschermt de burger tegen onterechte veroordeling; de tweede beschermt de burger tegen veronachtzaming van geleden schade en nadeel. Beide zijn nodig voor een evenwichtige rechtsstaat die recht doet aan zowel de verdachte als het slachtoffer.

De maatschappelijke discussie rond de zaak-Borsato (na bijna vier jaar onderzoek kan de zanger dinsdag zelf tekst en uitleg geven over de verdenking dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan betasting van een minderjarig meisje, dan start de inhoudelijke behandeling van de strafzaak) toont hoe gemakkelijk dat evenwicht kan kantelen. Verdachten verdienen bescherming tegen een voorbarige veroordeling, maar slachtoffers verdienen bescherming tegen een voorbarige ontkenning.

De woorden die we kiezen doen ertoe. Wie spreekt over ‘het vermeende slachtoffer’ neemt onbewust afstand van de menselijke ervaring achter de zaak. Wie spreekt over ‘het slachtoffer’ erkent slechts dat iemand stelt slachtoffers te zijn geworden van een strafbaar feit — niets meer, maar zeker ook niets minder.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next