Home

Te huiverig, te netjes: waarom het Europa niet lukt grondstoffen uit Afrika te halen

De EU kijkt voor de winning en verwerking van kritieke grondstoffen nadrukkelijk naar Afrika. Maar door hoge duurzaamheidseisen komt dit nauwelijks van de grond, stellen onderzoekers Sarah Logan en Theo Acheampong.

is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over het Middellandse Zeegebied en migratie, klimaat en natuur.

Afrika is een rijk continent. Van alle metalen en mineralen ter wereld is grofweg een derde van de voorraden te vinden in Afrikaanse bodem. Kobalt en koper, nikkel en zeldzame aardmetalen: ze komen voor in gesteenten verspreid over een groot deel van het continent. Van Marokko tot Zuid-Afrika, van Egypte tot Namibië.

Europa kijkt sinds kort met hernieuwde interesse naar deze voorraden in het Zuiden. Met een schok realiseren Europese regeringen zich – eerst door de covidpandemie en nu door de aanhoudende handelsoorlogen – dat ze voor de aanvoer van grondstoffen en halfproducten sterk afhankelijk zijn van slechts één wereldspeler: China.

Dat moet anders, is het idee van de Europese Commissie, die wil werken aan ‘strategische autonomie’. Met ingang van 2030 mag geen enkel land op de wereld meer dan 65 procent van een bepaalde grondstof aan de EU leveren. Nogal een opgave, want sommige zeldzame aardmetalen worden op dit moment voor 100 procent vanuit China aangevoerd.

Afrika wil de eigen grondstoffen maar wat graag benutten. Niet alleen door de mijnindustrie uit te breiden, maar juist ook door de verwerking en de productie van onderdelen voor bijvoorbeeld zonnepanelen of auto-accu’s in eigen hand te nemen. De Afrikaanse landen willen het tijdperk van het pure ‘extractivisme’ – het exporteren van ruwe grondstoffen zoals in de koloniale tijd – achter zich laten en inzetten op industriële ontwikkeling.

Het zou, kortom, een perfecte samenwerking kunnen zijn. En toch lukt het tot nu toe nauwelijks aanvoerlijnen vanuit Afrika naar Europa op te zetten. Sarah Logan en Theo Acheampong, onderzoekers van de denktank European Council on Foreign Relations, onderzochten hoe dat kan. Ze praatten met betrokkenen in Afrika en Europa, schreven een reeks rapporten, en leggen aan de Volkskrant uit waar het schuurt.

De EU heeft een aantal ‘strategische partnerschappen’ gesloten met Afrikaanse landen zoals Zambia en Namibië en ‘strategische projecten’ aangewezen voor winning en verwerking van grondstoffen. Heeft dat al iets concreets opgeleverd?

Logan: ‘Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk dat het voorlopig vooral iets op papier is.

‘In Afrika zijn met vier landen strategische partnerschappen ondertekend. Die zijn heel algemeen, met weinig details. Er horen ook ‘roadmaps’ bij, waarin staat wat de EU en het land in kwestie daadwerkelijk gaan doen, maar die zijn niet openbaar. Misschien gebeurt er dus meer dan we weten. Maar we zien het niet.

‘Wat betreft de strategische projecten (onder andere een grafietmijn in Madagaskar en een kobaltraffinaderij in Zambia, red.): het is een beetje onduidelijk wat die status betekent. Het lijkt vooral een signaal, dat die projecten van strategisch belang zijn, gezien de geopolitieke situatie. Maar het betekent niet meteen dat een bankinstelling die projecten levensvatbaar vindt. Of dat er automatisch geld voor beschikbaar komt.

‘En dat is de crux. Het grootste probleem is dat veel van die projecten niet rendabel zijn. En dat heeft weer alles te maken met de Chinese betrokkenheid bij kritieke mineralen. Voor een aantal mineralen is de delving door de Chinezen geëxplodeerd de afgelopen jaren: kobalt in Congo en nikkel in Indonesië, bijvoorbeeld. Die metalen overspoelen de markt. En daardoor daalt de prijs.

‘Dit gebeurt met ertsen, maar ook met smelterijen. De Chinezen hebben zo veel kopersmelters neergezet dat die moeten betalen voor de ‘luxe’ om koper te mogen smelten. Daar kunnen anderen nooit tegenop concurreren, als ze niet ook al hun eigen fabrieken hebben die zijn afbetaald.’

De EU is ook ‘te schoon om concurrerend te zijn’, stelt u beiden. Hoe zit dat?

Logan: ‘Dat is wat Europese bedrijven zeggen. Doordat ze moeten voldoen aan hogere ESG-standaarden (milieu, sociaal, bestuur), zijn ze duurder uit, en kunnen ze niet op tegen de concurrentie van de rest van de wereld.’

Acheampong: ‘Dat is inderdaad het Europese narratief: zij hebben iets hogere standaarden dan anderen. Al zie je dat Afrikaanse landen ook sommige van die standaarden kennen. Zambia en Namibië bijvoorbeeld.’

Tegelijkertijd, beschrijven Logan en Acheampong, vinden de meeste Afrikaanse leiders andere dingen belangrijker dan uitgebreide milieu- of arbeidsregels. Zij hechten meer aan nieuwe infrastructuur, bijvoorbeeld, of simpelweg het creëren van banen.

Volgens u is er bij Afrikaanse beleidsmakers een zekere irritatie over de bevoogdende Europese houding.

Logan: ‘Een van de dingen die bijzonder slecht is geland, is CBAM (Carbon Border Adjustment Mechanism). Dat houdt in dat Europese importeurs moeten betalen voor de CO2 die wordt uitgestoten tijdens productieprocessen buiten Europa.

‘Op zich zijn mineralen daarvan uitgezonderd. Maar het is de houding erachter die niet wordt gewaardeerd. De industrialisatie van Europa is te danken aan fossiele brandstoffen. En nu zegt ze tegen Afrika: nee, jullie mogen niet hetzelfde doen, vanwege klimaatverandering.

‘De extra kosten leiden ertoe dat het moeilijker wordt in Afrika een verwerkingsindustrie op te zetten. Zambia heeft bijvoorbeeld een hoop nikkel. Zij zouden hypothetisch roestvrij staal kunnen gaan produceren, waar nikkel in zit. Maar als ze dat doen met energie uit een kolencentrale, krijgen ze te maken met CBAM.

‘In Afrika denken ze: wat willen jullie nu van ons? Aan de ene kant zeggen jullie dat jullie de industrialisatie willen steunen, dat jullie willen investeren in fabrieken. Maar tegelijkertijd bemoeilijken jullie de toegang tot de Europese markt.’

Nog zoiets tegenstrijdigs speelt rond de zogenoemde ‘groene taxonomie’, waarmee de EU bepaalt wat geldt als een duurzame investering. Hernieuwbare energie valt daaronder. Maar de kritieke grondstoffen die nodig zijn voor zonnepanelen en windturbines weer niet.

Logan: ‘Als dit verandert, dan zou er veel meer Europees geld beschikbaar komen voor mijnbouw. Dat is wat ik hoor van bedrijven. Nu branden investeerders hun vingers niet aan de mijnbouw, omdat het een slechte naam heeft.’

Kan Europa zich nog terugvechten in de Afrikaanse markt als het minder hoge duurzaamheidseisen zou stellen?

Acheampong: ‘Ik betwijfel het. In vergelijking met de Chinezen hebben de Europeanen minder zin om risico te nemen. Natuurlijk zijn er in Afrikaanse landen structurele problemen, rond energie en logistiek en heel wat andere dingen. Desondanks zie je dat andere geopolitieke spelers er gewoon heengaan en de infrastructuur opbouwen die nodig is.’

Behalve China houden ook andere grootmachten zich bezig met de Afrikaanse grondstoffen: de Golfstaten, Turkije, Rusland, India, de VS. Kan Europa daar iets van leren?

Logan: ‘De Golfstaten zijn in potentie grote spelers. De enige manier waarop je China in dit stadium kunt verslaan, is door veel geld te hebben en projecten erdoorheen te drukken, ook al zijn ze misschien niet economisch levensvatbaar. De Golfstaten zetten hun oliegeld in om toegang tot mineralen te kopen. Ze willen industrieën opbouwen, vooral in de groene technologie, en ongetwijfeld ook in de militaire technologie. En ze kunnen het zich veroorloven om geld te verliezen, zodat ze dat doel bereiken.

‘Maar die luxe heeft Europa niet. Het heeft er gewoon het geld niet voor.

‘Europa zou wel een voorbeeld kunnen nemen aan de VS. Daar investeert de Development Finance Corporation, een overheidsagentschap, nu al een aantal jaren in mijnbouwprojecten. De afspraak is dat de producten die daaruit komen uiteindelijk naar de VS gaan – zelfs al worden ze elders verwerkt. Ze hebben de Amerikaanse financiering verbonden aan uiteindelijke kopers in de VS. Zo zou Europa het ook moeten doen.’

Source: Volkskrant

Previous

Next