Home

Opinie: Schaf artikel 23 in zijn huidige vorm af. Samen leven begint met samen leren

De vrijheid van onderwijs zorgt zo paradoxaal genoeg voor mínder vrijheid, stelt Jorick Mijnans. Want wie nooit met ‘de ander’ in de klas heeft gezeten, leert hem of haar ook niet begrijpen. En wie de ander niet begrijpt, kweekt afstand, wantrouwen en wellicht zelfs afkeer.

Toen CDA-lijsttrekker Henri Bontenbal afgelopen week in Nieuwsuur stelde dat religieuze scholen het recht hebben om waardes te onderwijzen die schuren met het gelijkheidsbeginsel – en dat dat erbij hoort in een pluriforme samenleving – voelde ik mijn bloeddruk stijgen. Bontenbal benadrukte dat hij de vrijheid van onderwijs hoog in het vaandel heeft, ook als dat leidt tot scholen waar homoseksuele leerlingen niet zichzelf kunnen zijn.

Ik werk zelf als docent op een middelbare school in Rotterdam, op de scheidslijn van twee wijken die in alles van elkaar verschillen. In onze havo 2-klassen zie ik hierdoor een rijkdom aan religieuze en culturele achtergronden, met leerlingen die elkaar niet beoordelen op achtergrond, maar nieuwsgierig zijn naar elkaar. Soms met horten en stoten, maar wel met een open blik.

Mijn school heeft een christelijke grondslag, maar heeft ook een regenboogtrap en een ruimte om te bidden. Een goed begin, maar toch blijft de christelijke stempel nog steeds voelbaar in beleid en toon.

Over de auteur

Jorick Mijnans is docent.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Verzuild land

De vrijheid van onderwijs, ooit bedoeld als bescherming van religieuze minderheden, is in de huidige samenleving een instrument geworden dat deze scheiding juist bestendigt. We leven niet langer in een verzuild land waarin katholieken, protestanten en socialisten ieder naar hun eigen bakker, slager en wijkcentrum gaan. Toch organiseren we ons onderwijs nog steeds alsof dat wel zo is.

Het debat over artikel 23 blijft vaak steken in abstracties over vrijheid en identiteit, terwijl het in wezen gaat over iets heel concreets: de vraag met wie onze kinderen opgroeien. Een kind dat op school alleen leeftijdsgenoten ontmoet die thuis hetzelfde geloven, hetzelfde vieren en hetzelfde denken, leert niet hoe rijk de wereld aan overtuigingen en levensbeschouwingen kan zijn.

De vrijheid van onderwijs zorgt zo paradoxaal genoeg voor mínder vrijheid. Want wie nooit met ‘de ander’ in de klas heeft gezeten, leert hem of haar ook niet begrijpen. En wie de ander niet begrijpt, kweekt afstand, wantrouwen en wellicht zelfs afkeer. Daarmee weerspiegelen onze scholen niet langer de diversiteit van de samenleving, maar versterken ze juist haar scheidslijnen.

Artikel 23 wordt vaak verdedigd als een groot goed, vooral door partijen die er direct belang bij hebben. Maar wat beschermen we precies? De vrijheid om een school te stichten vanuit religieus oogpunt, of de vrijheid om je af te schermen van alles wat onbekend, eng of anders is?

Hoe dan wel? Het antwoord is eigenlijk eenvoudig: maak alle scholen openbaar, en stel hoge eisen aan kwaliteit, burgerschapsonderwijs en sociale veiligheid. Scholen moeten kinderen vormen tot zelfstandige, betrokken burgers – niet tot leden van een geloofsgemeenschap.

Religieuze dogma’s

Dat betekent niet dat alle scholen hetzelfde moeten zijn. Integendeel: laat ruimte voor verschillende pedagogische visies zoals Montessori, Dalton of Jenaplan. Die diversiteit is waardevol, zolang ze niet gekoppeld is aan religieuze dogma’s. Geloofsovertuiging hoort niet thuis in het klaslokaal; de school is van iedereen, en dus van niemand in het bijzonder. Religieuze vorming kan prima plaatsvinden in de kerk, moskee of thuis.

Tegenstanders van afschaffing van artikel 23 vrezen dat ‘staatsscholen’ eenvormig of politiek gestuurd zouden worden. Ik denk dat dit overtrokken is, en tevens te voorkomen. De overheid bepaalt namelijk nu al kerndoelen en inspecteert en bewaakt de kwaliteit van ons onderwijs, zonder dat iemand dat als staatspropaganda ziet.

Openbaar onderwijs betekent niet één gedachte, maar één uitgangspunt: dat elk kind, ongeacht achtergrond of geloof, gelijke toegang heeft tot dezelfde basis. Dat is geen aantasting van vrijheid, maar een garantie voor
gelijkheid. Een openbaar onderwijssysteem hoeft niet star te zijn, mits het ruimte biedt voor pedagogische vernieuwing, lokale invulling door scholen en een vak levensbeschouwing dat kinderen kan laten kennismaken met alles wat religies te bieden hebben.

Juist nu onze democratie onder druk staat, is het zetten van deze stap belangrijker dan ooit. We leven in een tijd waarin mensen zich steeds meer terugtrekken in hun eigen bubbels: door algoritmen, maar ook door de manier waarop we ons onderwijs hebben ingericht. Als kinderen van jongs af aan vooral leren dat hun religieuze waarheid de enige is, ondermijnen we de basis van onze rechtsstaat: het vermogen om te luisteren, te twijfelen, verschil te verdragen én te omarmen.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next