Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant.
In de media zijn twee woorden duidelijk in opmars: genocide en fascisme. Als je de woorden invoert in de zoekfunctie van deze krant zie je dat ze bijna dagelijks worden gebruikt, zelfstandig of in verschillende samenstellingen. Het veelvuldig gebruik zou ik niet onmiddellijk modieus willen noemen, maar ik vraag me wel af of deze zware begrippen niet al te snel ergens worden opgeplakt.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Zo voel ik mij ongemakkelijk bij het voortdurende gehamer op het woord genocide, als het om het optreden gaat van Israël in de Gazastrook. Versta mij goed: ik vind dat optreden verwerpelijk. De Israëlische regering van vrome zeloten kan beter nog vandaag dan morgen ophoepelen en wat mij betreft mag Netanyahu wegens algehele corruptie in de gevangenis worden gegooid. Maar genocide is nog wat anders, zeker in het licht bezien van de Joodse geschiedenis. De (Joodse) historicus Simon Schama, die steeds heeft betoogd dat de bezetting van Gaza moet eindigen, omdat ‘er anders ook een einde komt aan Israël zelf’, heeft daar aan toegevoegd dat elke vergelijking met de Holocaust voor hem ‘een stuitende verloedering betekent van het woord genocide’.
Daarbij valt mij wel het eigenaardige fenomeen op dat je voor een protest tegen Israël met gemak 250 duizend man op de been krijgt, maar dat er geen demonstrant met een bord staat als ik op het Museumplein langs het Russische consulaat fiets. Terwijl in die veel langer durende oorlog tegen Oekraïne een veelvoud aan dodelijke slachtoffers is gevallen. Alleen aan Russische zijde zijn meer dan miljoen soldaten gesneuveld of gewond. Dat is, mijnheer Poetin, een soort genocide op je eigen volk, maar daar hoor je hier weinigen over.
Hoe komt dat? Het is misschien vervelend om te zeggen, maar dat komt – zo vermoed ik – omdat het toch Joden zijn die in Gaza tekeergaan. En die zouden eigenlijk beter moeten weten. Waarmee je naar mijn gevoel raakt aan een verholen soort antisemitisme: we moeten die arrogante lui eens een lesje in moraal geven. Of het Nederlandse volk daartoe het meest gerechtigd is, vraag ik mij in sombere bui weleens af.
En dan het woord ‘fascisme’. Dezelfde Simon Schama waarschuwde al vijf jaar geleden in The Guardian met dertig andere ‘topintellectuelen’ tegen een herlevend fascisme. Het fascisme wordt vooral gezien als sluipend proces, waartegen gewaarschuwd dient te worden. Voor we het in de gaten hebben, is het te laat en hebben de fascisten onze instituties overgenomen. Dat is in de jaren dertig van de vorige eeuw ook gebeurd, dus waarom zou dat niet opnieuw kunnen gebeuren?
In mijn jeugd verwees ‘fascisme’ nog naar de ideeën van Benito Mussolini. Met zijn politieke stroming én met hemzelf liep het niet goed af. Hij werd, zoals wij allen weten, geëxecuteerd en aan zijn benen opgehangen – zijn vriendin hing naast hem. Het is de communistische vakbond geweest, die na de Tweede Wereldoorlog het fascisme een bredere betekenis heeft gegeven. Als je een oproep tot staking in de vuist geduwd kreeg, werden daarin kapitalisme, revanchisme en fascisme in een adem genoemd.
Fascisme werd vaak vergruizeld tot Faksisme, zoals Viëtnam tot Vietnam, wat de zelfbenoemde volksschrijver Gerard Reve de gelegenheid gaf de CPN’er Piet Nak voortaan Piët Nak te noemen. Misschien moet in dit verband niet onvermeld blijven dat verzetsman Piet Nak in 1966 de onderscheiding van Yad Vashem weigerde, omdat hij vond dat de Palestijnen door Israël slecht werden behandeld. Hij moet zo’n beetje de eerste Nederlander zijn geweest, die tot die conclusie kwam.
Even is het fascisme nog een gezelschapsspel geweest, toen de F-schaal van de socioloog Theodor Adorno populair werd in studentenkringen. Als je de vragenlijst invulde, kon je aflezen in hoeverre jij (en uiteraard ook anderen) gevoelig waren voor antidemocratische neigingen. Scoorde je hoog op de F-schaal dan was je een fascist. Tegelijkertijd verloor het woord fascisme daardoor veel van zijn betekenis. Als je ook Wiegel, Bolkestein of Fortuyn een fascist noemt, is het eind zoek en kun je zo’n beetje iedereen met wie je het niet eens bent voor fascist uitmaken. ‘Diep in ons hart zijn we allemaal fascisten’, heb ik iemand weleens horen verzuchten die zojuist de F-schaal had geraadpleegd.
Intussen is het woord fascisme aan een grote comeback bezig en in het kielzog alle waarschuwingen ertegen. Vooral columnisten willen graag het beest bij de naam noemen en in Parijs maakt Bas Heijne overuren. Of het allemaal zo erg is, weet ik niet. Ja, Trump is een weerzinwekkende opschepper, maar wat als de fascist Trump tegen alle verwachtingen in vrede in het Midden-Oosten weet af te dwingen? En wat gaat de fascist Wilders doen als hij de parlementaire verkiezingen verliest? Hij lijkt mij, ondanks alles, toch niet iemand die een putsch gaat plegen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.