Durf te vragen Bij de meeste mensen is de mondgeur overdag niet zo overheersend. „Vrijwel iedereen heeft een ochtendgeur.”
„M’n adem ruikt naar een dood musje”, zong Annie de Rooij, alias Paul de Leeuw, vrolijk voor de badkamerspiegel. Veel mensen zijn er helemaal niet zo blij mee, met hun mondgeur. Hoe ontstaat die eigenlijk – en hoe kom je er vanaf?
We vragen het aan Marja Laine, hoogleraar orale diagnostiek aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). Zij doet onderzoek aan slechte adem, houdt een ‘slechte-ademspreekuur’ en geeft er onderwijs over.
„Slechte adem kan verschillende oorzaken hebben”, vertelt zij. „Allereerst is er eten waarvan je adem sterk kan gaan ruiken. Bijvoorbeeld knoflook, uien en veel soorten kool.” Die bevatten zwavelverbindingen, die tijdens de spijsvertering worden omzet in zwavelgassen die niet prettig ruiken. Die gassen adem je uit. Daarnaast bestaan er bepaalde ziekten, zoals de genetische aandoening trimethylaminurie (ook wel ‘visgeursyndroom’ genoemd), waarbij mensen sterk ruiken: „Uit hun mond, maar ook via zweet en urine. Maar die aandoening is heel zeldzaam. Veruit de belangrijkste veroorzaker van slechte adem zijn gewoon de bacteriën in je mond. Die breken eiwitten af, bijvoorbeeld uit voedselresten. Daarbij komen stinkende zwavelgassen vrij.”
De belangrijkste zijn waterstofsulfide (dat ruikt naar rotte eieren), methylmercaptaan (rotte kool) en dimethylsulfide (een onaangename, zoet-zilte geur). Bij meeste mensen zijn die geuren overdag niet zo overheersend, want dan eet en drink je regelmatig en produceer je relatief veel speeksel. ’s Nachts hebben mensen een veel drogere mond: dan krijgen bacteriën de kans zich op te hopen. En dat ruik je. Laine: „Vrijwel iedereen heeft een ochtendgeur, in meer of mindere mate.”
Bij de meeste mensen is het ‘dode musje’ snel weer over. Maar bij 20 tot 30 procent van de mensen blijft de geur de hele dag hangen. Dan spreken experts van ‘halitose’. Er is overigens ook een grote groep mensen (in een Duitse studie zelfs ruim een kwart van de patiënten van slechte-ademklinieken) met pseudo-halitose: ze dénken dat ze een slechte adem hebben, terwijl dat niet zo is. „Zoiets heeft enorme sociale gevolgen”, merkt Laine op. „Sommige mensen durven niet meer de deur uit.”
Om ademgeur objectief vast te stellen, gebruiken Laine en haar collega’s apparaten die de zwavelgassen meten. Bijvoorbeeld een mini-gaschromatograaf. „Maar we gebruiken ook onze eigen neus. Ja, echt. Die hebben we nodig om vast te stellen wat er aan de hand is.”
De samenstelling van de ademgassen verraadt namelijk de herkomst van de geur. Meestal is de boosdoener het zogeheten tongbeslag: de laag die zich ophoopt achter op je tong, en die bestaat uit bacteriën, dode cellen, speeksel en etensresten. Die laag is veelal wittig, maar soms ook geel, beige, bruin of zelfs bijna zwart. „Maar het probleem kan ook zitten bij bacteriegroei tussen de tanden, op of onder het tandvlees, of rondom een verstandskies die niet volledig is doorgekomen.”
De oplossingen liggen dan ook vaak in de mondhygiëne. Goed twee keer per dag tandenpoetsen dus, én ‘rageren’ of ‘stokeren’ tussen de tanden. „Mensen met tongbeslag kunnen daarnaast ook een tongschraper gebruiken om die laag te verwijderen. Elke dag? Ja, dat adviseren wij wel.”
Er bestaan ook mondwaters die kunnen helpen. Maar laat je daarover wel adviseren, waarschuwt Laine: „Niet elk mondwater is hetzelfde. Voor halitose heb je een specifiek soort mondwater nodig.”
En dan is er nog de gouden tip waarmee iedereen zou moeten beginnen: „Meer water drinken.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC