is columnist voor de Volkskrant
Dit weekend was ik in het LAM museum in Lisse, waar geen bordjes bij de kunstwerken hangen. Je weet dus niet hoe het werk heet of wie het heeft gemaakt, maar in het museum staan suppoosten met wie je ‘in gesprek’ moet gaan. Een sympathiek concept, maar soms wil ik gewoon weten wie de kunstenaar is, en hoef ik niet meteen in gesprek met iemand met een vrolijke glimlach. Het idee erachter, zei de vriendelijke suppoost bij de ingang, is dat je ‘alleen maar bordjes gaat lezen’ als die naast kunstwerken hangen.
Zoiets geldt ook voor nawoorden van de auteur zelf, in boeken: ze leggen de roman misschien te veel uit, maar toch vind ik ze vaak fijn. Het boek De haha van Jennifer Dawson, dat ik deze herfstvakantie las, werd in 1961 uitgegeven in Engeland, en pas in 2025 in Nederland, in een vertaling van Arie Storm. In 1985 schreef Dawson er een nawoord bij.
Het boek gaat over Josephine, een jonge vrouw die na de dood van haar moeder kort en oneerbiedig gezegd gek is geworden. Een van de manieren waarop zich dat uit, is dat ze soms heel hard begint te lachen. Ook kan ze zich moeilijk verhouden tot andere mensen; een van de mooiste scènes in het boek is haar bezoek aan een feestje van een vrouw van haar studie, wat al gauw een nachtmerrieachtige ervaring wordt, vol overweldigende stemmen.
Josephine ligt het liefst in de haha, zoals zij de greppel rondom de instelling noemt. Daar ontmoet ze Alisdair, een medepatiënt, op wie ze verliefd wordt. Aan hem vertelt ze na dat feest: ‘Ik ken de regels van het leven niet en zelfs al zou ik een taalgids twintig jaar lang paraat houden, dan zou ik nog niet de juiste antwoorden kennen.’
Het is een ontroerend, verdrietig verhaal. Josephine verwerft het recht om naar buiten te mogen, ‘van het linoleum naar het gras’, maar ze wil nooit ver weg. ‘Er was niemand die daarbuiten riep, God noch mens.’
Maar goed, dat nawoord dus, dat Dawson ruim twintig jaar later schreef. Daaruit maak je als lezer op dat zij zelf ook in zo’n instelling heeft gezeten. Ze beschrijft onder meer het leuren met een epische roman die ze ooit schreef, ‘waarin bijna vijfhonderd bladzijden lang regen, ijzel en sneeuw viel tijdens een kroning’. Ik vond dat een extreem grappige beschrijving van het boek, dat, misschien logisch, overal werd afgewezen. Een van de uitgevers die dat boek niet wilde, had per ongeluk zijn briefje met notities over het manuscript meegestuurd, waarin zoiets stond als dat Dawson niet ‘honderd procent’ was.
Dawson, die overleed in 2000, wás misschien ook niet altijd honderd procent, maar ja, wat is honderd procent? Dat is de vraag die ze stelt en niet beantwoordt in De haha.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant