Vergrijzing Het Duitse pensioenstelsel, waarvan Otto von Bismarck in 1889 de basis legde, is nodig aan hervorming toe. Maar de politiek lijkt amper aanstalten te maken om in te grijpen.
Een ouder echtpaar aan het hiken in Iffeldorf, Beieren.
In de Duitse regeringspartij CDU ontstaat een tweespalt tussen de jongere en de oudere garde. De jongere CDU-parlementariërs willen het pensioenakkoord van de coalitie van CDU/CSU en SPD tegenhouden omdat die het voorstel niet „rechtvaardig” vinden „voor de jongere generatie”. In vergrijzend Duitsland moet het werkende deel van de bevolking steeds meer betalen voor de pensioenen van het oudere deel van de bevolking. Bovendien gaat er een steeds groter deel van de Berlijnse begroting naar de pensioenpot.
De jongere CDU’ers willen deze ontwikkeling een halt toeroepen en willen dat het akkoord van CDU/CSU en SPD wordt opengebroken. De SPD verzet zich hiertegen en eist van CDU-fractievoorzitter Jens Spahn dat hij zijn fractie „in toom houdt”.
In de Bondsdag werd in de afgelopen weken gedebatteerd over de begroting van volgend jaar. Aangezien het niet goed gaat met de Duitse economie en er fors wordt geïnvesteerd in infrastructuur en defensie, wordt ieder miljoentje omgedraaid. Maar er is één post die tot dusver ongemoeid blijft, terwijl die een kwart van de begroting opslokt en dat aandeel in de komende jaren nog flink kan oplopen: de Duitse pensioenen.
Net als elders gaan ook de Duitse babyboomers met pensioen en moet er een groeiend aantal mensen op de pensioenpot teren die door een slinkend aantal werknemers wordt gevuld. Maar het Duitse pensioenstelsel, waarvoor de basis werd gelegd onder kanselier Otto von Bismarck in 1889, is wel bijzonder slecht toegerust op de situatie. Het vermogen uit het wettelijke Duitse pensioenfonds wordt niet gespaard of belegd, waardoor het niet extra groeit.
Het geld dat werknemers en -gevers maandelijks inleggen (ruim 18 procent van het brutoloon) wordt direct overgemaakt naar de ouderen. Dit omslagstelsel (zoals ook de Nederlandse AOW wordt gefinancierd) is bijzonder kwetsbaar voor demografische scheefgroei zoals die in Duitsland: er moet steeds meer geld worden opgehoest (voor steeds meer mensen met pensioen) door steeds minder werknemers.
Op dit moment zijn er nog bijna drie werknemers die betalen per pensionado; over een aantal jaar is dat aantal twee. Nu wordt per werknemer 18 procent van het brutoloon ingelegd (dat voor de ene helft door de werknemer, voor de andere helft door de werkgever wordt betaald), maar dat zal in de komende jaren stijgen tot zo’n 20 of zelfs 22 procent.
Bovenop die sociale premie gaat ook een steeds groter deel van de loonbelasting op in het pensioenstelsel. De tekorten van de zogeheten ‘Rentenversicherung’ worden door de staat opgevangen – bijvoorbeeld om ook mensen die niet hebben ingelegd pensioenen uit te kunnen betalen – maar die tekorten worden steeds groter. In 2025 gaat ruim 121 miljard euro van de begroting naar de pensioenen. En dat is alweer 5 miljard meer dan in 2024. Voor 2029 wordt naar schatting 154 miljard euro bijgelegd.
De druk op het pensioenstelsel is des te groter omdat bijna de helft van de Duitsers geen pensioen opbouwt via de werkgever en dus hoofdzakelijk afhankelijk is van het wettelijke pensioen.
De regering onder kanselier Friedrich Merz (CDU) maakt amper aanstalten om het pensioenstelsel te hervormen en de kosten te drukken, integendeel. Regeringspartijen CDU/CSU en SPD hebben de stemmen van de oudere kiezer nodig – bij de laatste Bondsdagverkiezingen was zo’n 40 procent van de kiezers 60-plus.
Om de oudere kiezer tegemoet te komen is in het eerder dit jaar gepresenteerde coalitieakkoord vastgelegd dat het „pensioenniveau” tot 2031 stabiel blijft op 48 procent. Dat betekent dat iemand die altijd modaal heeft verdiend en recht heeft op een vol pensioen (omdat ie 45 jaar lang heeft ingelegd) aanspraak maakt op 48 procent van het huidige modale inkomen. Op dit moment zou zo’n doorsnee pensioen ongeveer 1.830 euro bruto per maand zijn. Omdat de lonen sneller stijgen dan de inflatie gaan de pensioenontvangers er tot 2031 dus op vooruit.
Een andere geste van de regering Merz aan de pensioenontvangers is de opgehoogde Mütterrente, het ‘moederpensioen’. Vrouwen die na 1992 kinderen kregen, ontvangen per kind drie jaar pensioen erbij. Voor kinderen die vóór 1992 geboren waren was dat 2,5 jaar, dat moet nu gelijk worden getrokken. Dat kost zo’n 4 miljard euro per jaar op de begroting. Dit ophogen van de moederrente was een verkiezingsbelofte van de CSU, de nog iets conservatievere zusterpartij van de CDU in Beieren, die zo wil laten zien op te komen voor traditionele gezinnen.
Minister van Economie Katherina Reiche (CDU) suggereerde in de zomer dat de pensioenleeftijd met de stijgende levensverwachting verder omhoog moet: nu zijn Duitsers gemiddeld twintig jaar met pensioen, in 1960 waren het nog tien jaar. Op dit moment wordt toegewerkt naar een pensioenleeftijd van 67 in 2031; nu is de leeftijd 66 jaar en twee maanden. Volgens Reiche is dat niet genoeg.
In een interview in de Frankfurter Allgemeine Zeitung zei Reiche (zelf 52, en dus niet behorend tot de jonge CDU-garde, maar wel voor rigoureuze hervormingen van het pensioenstelsel): „Het kan niet goed gaan als we slechts twee derde van ons volwassen leven werken en een derde ervan met pensioen zijn.” Maar Reiches collega’s, zowel van haar eigen partij als van de SPD, protesteerden tegen Reiches voorzet. SPD-voorzitter Bärbel Bas noemde een hogere pensioenleeftijd een „taboe”.
De regering heeft wel twee plannen die minder omstreden zijn, maar ook nog effectief moeten blijken. Zo moeten oudere werknemers worden aangemoedigd langer door te werken door de eerste 2.000 euro van hun inkomsten loonbelastingvrij te maken. Dat is de zogenoemde Aktivrente.
Een tweede plan is de Frühstart-rente. Vanaf 2026 wil de overheid voor ieder schoolgaand kind tussen zijn zesde en achttiende levensjaar 10 euro per maand in een fonds stoppen, waar de achttienjarige zelf tot z’n pensioenleeftijd verder in kan investeren. Het beginnetje dat de overheid maakt, levert niet direct een vette bankrekening op, maar is vooral bedoeld om jonge Duitsers te leren te beleggen.
Duitsers zijn notoir ijverige maar risicomijdende spaarders. Een fors deel van het Duitse spaargeld staat op spaarrekeningen en wordt niet geïnvesteerd. Naar verluidt ligt ook een aanzienlijk vermogen in cash bij mensen thuis. Volgens een recent stuk in weekblad Der Spiegel met de kop ‘Zijn de Duitsers te stom om te beleggen?’ is slechts 17 procent van de Duitsers actief op de beurs. Ter vergelijking: in Nederland is dit 28 procent, volgens budgetinstituut Nibud. In het stuk in Der Spiegel wordt econoom Michael Grote geciteerd, die onderzoek doet naar het spaargedrag van de Duitsers en die concludeert dat „de pijn om geld te verliezen bij de Duitsers dubbel zo groot is als de vreugde iets te winnen”.
Vandaar die passieve spaarrekeningen – en het idee van het ‘vroegestartpensioen’, om jongeren te leren om beter te sparen dan hun ouders.
De betaalbaarheid van pensioenen is ook in Nederland een probleem, maar de ernst van de problematiek is een stuk minder dan in Duitsland. Allereerst nam de Nederlandse politiek al veel eerder het besluit om de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen in verband met de steeds hogere levensverwachting en met de schever wordende verhouding tussen het aantal werkenden en aantal gepensioneerden. De AOW-gerechtigde leeftijd ging vanaf 2012 omhoog van 65 naar ruim 67 jaar. Die leeftijd is nu ook gekoppeld aan de levensverwachting.
Een nog veel groter deel van de Nederlandse pensioenen loopt buiten de Rijksbegroting om. In private pensioenfondsen hebben Nederlanders volgens de laatste cijfers 1.600 miljard euro gespaard. Veel werkenden sparen verplicht via hun pensioenfonds, dat geld gaat niet naar de gepensioneerden maar wordt belegd. Dit zogeheten kapitaalstelsel zorgt ervoor dat de vergrijzing minder hard aankomt dan in het omslagstelsel zoals geldt voor de AOW en voor de meeste pensioenen in Duitsland.
Jeroen Wester
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC