Zeker, de inhoud doet ertoe bij het bepalen van uw stem voor de verkiezingen woensdag. Maar er speelt veel meer mee. De psychologie van het stemmen in vijf hoofdstukken – zelfs de plek van het stemlokaal maakt (iets) uit.
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
Daar staat u dan, de stemkaart in de hand. Wekenlang heeft u ijverig de ene na de andere stemhulp ingevuld, verkiezingsdebatten gevolgd, u zelfs verdiept in de verkiezingsprogramma’s misschien. En nu is het zover. Met het hoofd vol kennis stapt u het stemlokaal binnen.
Was het maar zo simpel. In werkelijkheid is de weg naar uw uiteindelijke stem een slingerweg vol hobbels en bochten, waarin we ons meer laten leiden door allerlei emoties en subtiele psychologische duwtjes dan door het koele verstand alleen.
Niet dat u dus maar wat doet. Inhoud doet ertoe, benadrukt politiek psycholoog Martin Rosema (Universiteit Twente). ‘De basis voor ons stemgedrag is een soort algemeen gevoel dat mensen hebben bij een partij. Dat gevoel wordt primair gevormd door de standpunten van een partij, en allerlei andere stukjes informatie.’
Maar toch: een gevoel. Die eyeopener kwam zo’n 35 jaar geleden tot stand, vertelt Rosema, in een beroemde reeks vernuftige experimenten van politicoloog Milton Lodge en collega’s van de Stony Brook Universiteit in New York. Lodge liet honderden vrijwilligers een folder lezen van een verzonnen Republikeinse politicus, vol standpunten van de man.
Naderhand bleken de deelnemers nauwelijks te hebben onthouden wat de kandidaat eigenlijk precies vond. Een algemeen gevoel hadden ze wél. De kiezers gebruikten wat ze hadden gelezen als ‘mortel om een algemene indruk op te bouwen van de kandidaat’, zoals Lodge verwoordt, in zijn oorspronkelijke onderzoeksartikel. ‘Net zoiets als een boek dat je een tijd terug hebt gelezen’, zegt Rosema. ‘De precieze inhoud ben je vergeten. Maar je weet nog wel of je het een goed of een slecht boek vond.’
Niks mis met dat stemmen op gevoel, benadrukt hij. ‘Zo werkt ons brein nu eenmaal. We zijn geen robots die alles feilloos onthouden en op basis daarvan een afweging maken. Eerder houden we een mentaal kasboek bij van plusjes en minnetjes, op basis van allerlei informatie die op ons pad komt. Als ik een kandidaat iets hoor zeggen dat me aanspreekt, gaat mijn waardering een puntje omhoog, terwijl ik wát ik hoorde weer vergeet – en omgekeerd. En uiteindelijk tel je al die plusjes en minnetjes op en kom je uit op je partij naar keuze.’
Nadeel: zo’n kasboek is wel manipuleerbaar. Dat toonde Lodge al aan, toen hij een deel van de proefpersonen vertelde dat de fictieve kandidaat uit de folder ‘hardwerkend en betrokken’ was. Een ander deel kreeg te horen dat de politicus in kwestie bij stemmingen vaak afwezig was geweest. De gevolgen laten zich raden: de eerste groep haalde vooral plusjes uit de beschikbare informatie, de tweede groep vooral minnetjes – uit precies dezelfde informatie.
Nog zoiets: zitten we eenmaal op een bepaald spoor, dan is het lastig ons daar weer vanaf te krijgen, laat het experiment zien. Mensen selecteren actief welke informatie we tot ons ‘kasboek’ toelaten, een fenomeen dat psychologen ‘gemotiveerd redeneren’ noemen. Soms filteren we informatie waarop we helemaal niet zitten te wachten zelfs doelbewust weg – ‘confirmation bias’, zeggen kenners.
Natuurlijk maakt het voor uw stemgedrag uit of u arm bent of rijk, hoogopgeleid of niet, jong of oud. Maar ook zoiets ogenschijnlijk weinig politieks als uw sekse doet ertoe. Als alleen vrouwen stemrecht hadden, zou de PVV 31 zetels hebben in plaats van de huidige 37, GroenLinks-PvdA 30 zetels in plaats van 25 en de ChristenUnie 5 in plaats van de werkelijke 3.
‘Over het algemeen stemmen vrouwen vaker op linkse partijen dan mannen’, constateerde bureau Ipsos in een onderzoek dat het bureau kort vóór corona in opdracht van de Volkskrant uitvoerde. Best verklaarbaar, want door de bank genomen vinden mannen en vrouwen andere thema’s belangrijk, legde Ipsos bloot. Heel stereotiep eigenlijk: vrouwen hebben meer oog voor dierenwelzijn, milieu, gezondheidszorg en gelijke kansen, mannen gemiddeld wat meer voor de thema’s economie, Europa, immigratie, veiligheid en verkeer.
Maar er is meer, bleek toen politicoloog Eelco Harteveld (Universiteit van Amsterdam) jaren geleden de kiezers analyseerde van 350 Europese partijen. Nieuwe partijen blijken aanvankelijk meer mannelijke kiezers te trekken, ontdekte Harteveld. En mannen stemmen vaker op partijen die ook uitgesproken worden gehaat, door schandalen of vanwege extreme standpunten. Mannen steken meer hun nek uit, oppert Harteveld – of zijn gewoon roekelozer, zo u wilt.
Het lijf waarmee u werd geboren, maakt dus uit. Niet eens zo raar dus dat ook genetische studies keer op keer vaststellen dat tot wel tientallen procenten van de verschillen in stemgedrag zijn terug te voeren op ons DNA, volgens een Australische meta-analyse van in totaal twaalfduizend genetisch identieke tweelingen, in vakblad Behavior & Genetics. Wat we stemmen, is voor een deel erfelijk bepaald, via hormonale of biologische eigenschappen zoals hoe avontuurlijk, empathisch of bang u van nature bent ingesteld.
Maar: maak er niet te veel van, benadrukt hoogleraar politieke psychologie Gijs Schumacher (UvA) desgevraagd. Zo is het erfelijkheidseffect klein en gaan de onderzoeken ernaar vaak over de keuze tussen twee partijen: nogal zwart-wit, dus. ‘Op zijn best is het een grove schets’, aldus Schumacher. ‘In Nederland hebben we natuurlijk veel keuze. DNA gaat nooit jouw keuze tussen, zeg, Volt en D66 verklaren.’
Intussen spreken de onderzoeken ernaar zó tot de verbeelding dat de buitenwereld er gretig mee aan de haal gaat. Neem die keer, vorig jaar, toen zijn groep een miniem verschil aantoonde in de gemiddelde grootte van het emotieregulerende hersenonderdeel de amygdala, tussen links en rechts stemmende mensen.
In de conservatieve Britse boulevardkrant Daily Mail werd dat: ‘Conservatieve stemmers hebben grotere emotiecentra in hun brein’. Alsof de wetenschap had blootgelegd dat conservatieven veel warmhartiger zijn dan linkse kiezers. ‘Buiten de ivoren toren van de wetenschap, met al zijn mitsen en maren, krijgt zoiets al snel een heel andere draai’, zegt Schumacher.
En jawel: het uiterlijk van de lijsttrekker maakt dus écht uit. Rosema wijst op een klassieke waarneming uit de begindagen van de televisie. Na een debat tussen Kennedy en Nixon verklaarden radioluisteraars Nixon tot winnaar en televisiekijkers Kennedy. ‘Nixon weigerde make-up te gebruiken. Hij zag er daardoor minder goed uit’, vertelt Rosema.
In Amsterdam deed Schumacher intussen een bijzondere ontdekking, toen zijn groep echte en gefingeerde verkiezingsposters voorlegde aan groepen proefpersonen. Een slogan die een proefpersoon aansprak, leidde tot zo’n 15 procent meer stemmers. Maar of de afgebeelde kandidaat lachend op de foto stond, maakte ook uit: zo’n 7 procent.
‘We zien dat positieve emoties kiezers aantrekken’, vertelt Schumacher. Oók die van populistische politici, op het politieke toneel doorgaans toch niet meteen de grootste zonnetjes in huis. ‘Maar dan onderschat je de kracht van positieve emoties’, zegt Schumacher, die onder meer de communicatiestijl van politici in een aantal landen bestudeerde. ‘Ik denk dat Trump best vaak lacht. En Wilders zien we ook veel lachen.’
Wat wellicht ook scheelt: Geert Wilders is 1 meter 95. En in roerige tijden hebben mensen de neiging zich te scharen achter lange, mannelijke leiders. ‘We kunnen nu wel tegen elkaar zeggen: we hebben een verbindende leider nodig. Maar of die er echt komt, is nog helemaal de vraag’, zegt Mark van Vugt van de Vrije Universiteit Amsterdam, ruim een maand vóór de verkiezingen. ‘Zo’n type leider wordt in ons oerbrein niet automatisch geactiveerd.’
Als evolutionair psycholoog wijst Van Vugt al jaren op de subtiele, onbewuste instincten die daarbij een rol spelen. ‘Ons door miljoenen jaren evolutie vormgegeven oerbrein reageert vanuit een bepaalde waarneming. Leven we in tijden van oorlog, of gepercipieerde dreiging van buitenaf? Dan neigen we meer naar mannelijk, autoritair leiderschap.’ Kiezers scharen zich dan net wat vaker achter grote, mannelijke types met uitgesproken alfa-achtige kenmerken, zoals een stevige kaak. Terwijl in tijden van vrede en overvloed of intern conflict vrouwelijke leiders meer de wind mee hebben.
En voordat u nu denkt: de professor is gek geworden – Van Vugt was degene die jaren geleden in een weddenschap met de Volkskrant correct voorspelde dat Donald Trump president van de VS kon worden, in een tijd dat Trump nog een van de vele Republikeinse kandidaten was. Puur op basis van Trumps gorilla-achtige eigenschappen. Ook nu denkt hij dat Wilders het tij meer mee heeft dan de wat zachtere Henri Bontenbal. ‘Mensen ervaren competitie. Om woningen, goederen, banen. Dat is een schema dat toch een bepaald type politicus aanroept.’
Ook de diepe historie werkt door. In nog ongepubliceerd onderzoek legden Van Vugt en zijn collega Sirio Lonati een kaart met aardbevingsgebieden naast de antwoorden op een pikante stelling uit de World Value Survey, een groot, internationaal opvattingenonderzoek: ‘Ik heb de voorkeur voor een sterke leider die zich niets aantrekt van parlement en verkiezingen.’
Hoe gevoeliger een gebied voor aardbevingen, des te meer bewoners er bereid blijken om een sterke, autoritaire leider te accepteren, kwam daaruit. ‘Een leider die bereid is de koppen tegen elkaar te slaan en te zeggen: nú moet er iets gebeuren’, zoals Van Vugt zegt. ‘Er is steeds meer aandacht voor dit soort diepere ecologie achter de keuzes die we maken voor bepaalde leiders.’
De ene kiezer is meer calculerend dan de andere, ziet Van Vugt, in een ander, eveneens nog ongepubliceerd onderzoek. Zo laten mensen met een hoger IQ zich wat minder leiden door het uiterlijk van de lijsttrekker. ‘Ze zijn meer analytisch ingesteld’, zegt Van Vugt. Vooral mensen die veel tv-kijken en beelden via internet tot zich nemen, gaan meer af op het uiterlijk van politici.
Belangrijk is dat het plaatje in ons hoofd wel moet klóppen, vindt zowel Rosema als Van Vugt. ‘Als Wilders ineens zou gaan zeggen: ik wil verbindend zijn, zou hem dat niet veel stemmen opleveren’, zegt Van Vugt. ‘Net zomin als wanneer Bontenbal zich ineens zou roepen: ik wil strijden voor Nederland. Het moet wel geloofwaardig zijn.’
Staat u net klaar bij de voordeur om te gaan stemmen, begint het ineens te regenen. Nóg zo’n factor die steevast onderdeel uitmaakt van het repertoire aan gespreksonderwerpen bij de voor- en nabesprekingen op verkiezingsavond.
Bij regen en andere soorten hondenweer blijven oudere en toch al minder in politiek geïnteresseerde kiezers immers binnen, is de vuistregel. Dat kan uitmaken voor partijen die sterker op die groepen leunen, zoals de PVV of 50Plus. Een vaak aangehaald voorbeeld is dat van de Brexit die, zo wil de overlevering, misschien niet was gebeurd als het op de referendumdag niet met bakken uit de hemel was gekomen. De gematigde kiezer bleef wat vaker binnen en de volgende dag bleek de uittrede van Groot-Brittannië uit de EU een feit.
Toch is ook hier het effect niet groot, ontdekten de Nijmeegse onderzoeker Rob Eisinga en collega’s toen die de KNMI-cijfers erbij pakten om het fenomeen te bestuderen. Bij 25 millimeter regen – een kletsnatte dag – ligt de opkomst 1 procentpunt lager, becijferde hij. En bij volop zon weet ongeveer 1,5 procentpunt méér kiezers de weg naar de stembus te vinden. Veel zetels verschil zal het niet maken.
De cijfers over de Tweede Kamerverkiezingen uit 2023 spreken ook boekdelen. Het was die dag weliswaar grotendeels droog, maar wel erg koud. Achteraf zei van de mensen die níét waren gaan stemmen, slechts een op de honderd dat het aan het weer lag. Ter vergelijking: dat is vier keer mínder dan mensen die als reden opgaven dat ze hun stempas kwijt waren.
In de studiogesprekken op verkiezingsavond zullen we ongetwijfeld nog zo’n klassieker horen: kiezers stemmen liever op een winnende partij dan op een verliezende. Maar of dat ‘bandwagoneffect’ echt zo groot is, waagt Rosema te betwijfelen. ‘In mijn eigen onderzoek onder kiezers zag ik het weleens genoemd worden. Maar ik zag ook het omgekeerde: het underdogeffect, als mensen juist op de verliezer stemmen, omdat het anders zo zielig is. Ik vermoed dat die twee elkaar meestal min of meer opheffen.’
Zeg: bent u er nou nóg niet uit? Geen paniek. Zo’n 20 tot 30 procent van de kiezers beslist pas in de laatste week, blijkt keer op keer uit de onderzoeken. En volgens een grote peiling van Ipsos bepaalde bij de vorige Kamerverkiezingen liefst een op de drie kiezers pas de dag vóór, of óp verkiezingsdag wat te stemmen.
Zelfs als u het gordijntje van het stemhokje achter u heeft dichtgetrokken, treuzelt u nog. In een wonderlijke reeks experimenten waarbij Britse onderzoekers de schaduwen van kiezers observeerden in een secuur nagebouwd stemhokje, bleek dat kiezers gemiddeld nog zo’n halve minuut staan te frutselen met hun stemformulier, voordat ze tot stemming overgaan. Een halve minuut waarin er in een mensenhoofd nog van alles kan omgaan.
In het Ipsos-onderzoek van twee jaar geleden erkende 5 procent de definitieve beslissing pas in het stemhokje te hebben genomen. Niet dat zulke kiezers dan opeens een totáál andere keuze maken. ‘De kiezer is geen stuifzand’, zoals politicologenblog Stuk rood vlees eens opmerkte. Maar het is wel een situatie waarin het schijnbaar triviale ineens nét het verschil kan maken.
Zoals uw humeur. In een veelgeciteerde analyse van 45 jaar verkiezingsuitslagen in 62 Amerikaanse kiesdistricten ontdekten wetenschappers van de Stanford Universiteit iets opmerkelijks. Waar het plaatselijke footballteam kort daarvoor had gewonnen, stemden kiezers een fractie váker op de zittende partij. De verklaring, volgens de onderzoekers: een slechte bui drijft kiezers naar verandering, een goed humeur naar behoud van de status quo. Het scheelde pakweg 1,5 procent van de stemmen.
Wat ook zo’n fractie kan schelen, is waar het stemhokje staat. Bij een volksraadpleging in de Amerikaanse staat Arizona over een besluit om meer belastinggeld te bestemmen voor onderwijs, stemde men in stemlokalen die in scholen waren ondergebracht 2 procentpunt vaker vóór het voorstel dan vergelijkbare mensen die elders hun stem uitbrachten: 56 in plaats van 54 procent.
In Maastricht vroegen psychologen voorbijgangers intussen naar hun standpunten over minderheidsgroepen: voor een kerk en voor het stadhuis. De proefpersonen met zicht op de kerk gaven meetbaar conservatievere antwoorden dan die voor het gemeentehuis. Ze waren terughoudender over abortus, afwijzender tegen homo’s en negatiever over moslims.
Nog zoiets: thuisstemmers. Een Frans-Brits team ontdekte dat mensen die niet zelf naar de stembus gaan maar per post stemmen of iemand machtigen, iets vaker op radicaal-rechtse partijen stemmen. Kennelijk leidt de groepsdruk in het stemlokaal er onbewust toe dat ze hun stemgedrag wat matigen.
‘En waarom niet?’, reageert Van Vugt. ‘Mensen zijn sociale sponzen, we nemen alle signalen uit de omgeving in ons op. Ik kan me dit helemaal voorstellen.’
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant