Bij de verkiezingen van nu klagen we over een stembiljet zo groot als een badhanddoek, maar in 1933 was het pas echt dringen: 54 partijen, waaronder vijf fascistische.
schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Nederland heeft een groot stembiljet. Een ‘tafellaken’ schreef de Volkskrant na de vorige verkiezingen. Dat is misschien een beetje overdreven, maar om ruimte te bieden aan de 27 partijen die woensdag meedoen aan de Tweede Kamerverkiezingen, is een onhandig groot stemformulier nodig. Misschien geen tafellaken, maar toch zeker een badhanddoek.
Hoewel 27 deelnemende partijen veel lijkt, is dat zeker geen record. Tijdens de verkiezingen van 26 april 1933 deden wel 54 lijsten een gooi naar een Kamerzetel.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
De verkiezingen van 1933 volgden op de val van het derde kabinet Ruijs den Beerenbrouck. De katholieke voorman (door zijn tegenstanders vereeuwigd in de slogan ‘Wie maakt onze centen zoek? Dat is Ruijs den Beerenbrouck!’) worstelde vanaf zijn aantreden met de gevolgen van de beurskrach van oktober 1929. Opeenvolgende bezuinigingen, crisismaatregelen en de verslechterende Nederlandse handelspositie leidden tot oplopende maatschappelijke onrust. Een van de gevolgen was de opkomst van een bonte verzameling kleine partijtjes. Vaak waren dat extremistische splinters, afsplitsingen van afsplitsingen of bij voorbaat kansloze hobbyprojecten. Of een combinatie van die drie.
Het zogeheten Repertorium kleine politieke partijen 1918-1967 van het Huygens Instituut geeft een beeld van het verkiezingslandschap. Wat direct opvalt, is het aantal fascistische en nationaalsocialistische partijen. De extreemrechtse kiezer kon in 1933 onder meer terecht bij de Algemeene Nederlandsche Fascistenbond, de Nederlandsche Fascisten Unie, de Oranjefascisten, het Verbond van Nationalisten en de Nationaal-Socialistische Partij.
Aan de andere zijde van het spectrum was er, naast de Communistische Partij Holland, keus uit een handvol radicaal-socialistische en communistische splinters, waarvan alleen de Revolutionair Socialistische Partij onder leiding van Henk Sneevliet een zetel binnenhaalde. (Sneevliet was in 1921 een van de oprichters van de Communistische Partij in China, met onder meer Mao Zedong. In het partijmuseum in Shanghai staat een bronzen beeld van hem. In 1942 werd hij als verzetsstrijder door de Duitsers vermoord in Kamp Amersfoort.)
Agrariërs konden in 1933 onder meer terecht bij de Nationale Boeren-, Tuinders- en Middenstanders Partij. Ook andere beroepsgroepen hadden hun eigen partijen, al waren die geen van alle succesvol. Voor vissers was er de Zuiderzeepartij, er was een partij die simpelweg Marktkooplieden heette, er was de Nederlandsche Volkspartij voor Hoofd- en Handarbeiders (voor ruimere horecaopeningstijden en meer plantsoenen) en de vrij specifieke Partij voor Rooms-Katholieke Bouwvakarbeiders.
Een andere opvallende deelnemer was de zogeheten Universeele Partij onder leiding van rijksambtenaar A.J.B.L. Radix. De partij had, in de woorden van het Repertorium, ‘een geheel eigen diagnose van de economische crisis die de wereld teisterde’. De economische crisis zou volgens Radix en consorten veroorzaakt zijn door ‘magische werkingen’.
‘De wereld werd in de ogen van de partij beheerst door zwarte magie en door kwade en pessimistische suggesties. De ‘zwarte magie’ moest daarom vervangen worden door een positieve ‘witte magie’’, schrijven de onderzoekers van het Huygens Instituut. De partij kreeg landelijk 293 stemmen.
Ondanks de enorme versplintering was de verkiezingsuitslag betrekkelijk stabiel. De vier grote partijen (RKSP, SDAP, ARP en CHU) haalden 74 van de destijds honderd zetels.
Het grote aantal kansloze minipartijtjes was na de verkiezingen van 1933 aanleiding voor de invoering van de zogeheten waarborgsom. Partijen betaalden vanaf dat moment 4500 gulden (omgerekend ongeveer 125.000 euro) om zich kandidaat te stellen. Alleen groeperingen die minstens driekwart van de kiesdrempel haalden, kregen dat bedrag terug. Dat zou volgens toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Jacob de Wilde moeten leiden tot beperking ‘van den lust tot het indienen van speculatieve lijsten’. De maatregel werkte. Bij de verkiezingen van 1937 deden landelijk nog maar 21 partijen mee.
De laatste decennia schommelt het aantal verkiezingsdeelnemers doorgaans rond de 25 partijen. Zorgen over dat aantal, of eigenlijk zorgen om de hanteerbaarheid van het stembiljet, zowel voor de kiezer als voor stemmentellers, waren vorig jaar aanleiding om te experimenteren met een nieuw biljet. Bij de Europese Verkiezingen stemden inwoners van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boekel, Borne, Midden-Delfland en Tynaarlo met een nieuw, veel kleiner formulier waarop kiezers twee vakjes rood kunnen maken, één voor de partij en één optionele keus voor een kandidaatnummer bij die partij.
Of en wanneer dit stembiljet landelijk wordt ingevoerd is nog niet bekend, maar áls dat gebeurt, verdwijnt het Nederlandse tafellaken – of de badhanddoek – voorgoed uit het democratische landschap.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant