Home

Hoe het christelijk nationalisme onder Trump in het centrum van de macht terechtkwam

Christelijke nationalisten in de Verenigde Staten voeren een heilige oorlog tegen alles wat zij als niet ‘christelijk’ en on-Amerikaans beschouwen. De beweging speelt een grote rol binnen het Maga-bewind van Trump, met desastreuze gevolgen voor de democratie.

is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over Noord-Amerika, het Caribisch gebied en Suriname.

In de nadagen van de coronapandemie bezocht de Amerikaanse onderzoeksjournalist Jeff Sharlet, gespecialiseerd in radicaal-rechtse christelijke groeperingen, een kerk in het noorden van Californië. De evangelische gemeente was vanwege het stelselmatig negeren van lockdowns een ontmoetingspunt geworden voor Republikeinse politici van het radicale snit. Sharlet bezocht de gemeente kort na 6 januari 2021, de dag dat Trumps aanhangers het Capitool bestormden om te voorkomen dat Joe Biden het in hun ogen ‘gestolen’ presidentschap kon aanvaarden.

Omdat Sharlet de kerk kende van eerdere bezoeken, vielen hem bij binnenkomst meteen de veranderingen in het interieur op. Alle kruisbeelden waren verdwenen en het altaar was omkleed met zwaarden. ‘Ik vroeg de dominee wat er met de kruisen was gebeurd’, vertelt Sharlet aan de telefoon. ‘Hij antwoordde dat die nu niet van pas kwamen. Kruisen vond hij meer een symbool voor vredestijd. Nu was het oorlog, zei hij.’

Sharlet rakelt de anekdote op om te illustreren wat hij en veel andere experts ‘christelijk nationalisme’ noemen, het in Trumps Maga-tijdperk ontstane radicale amalgaam van politiek en religie. De publieke herdenking voor Charlie Kirk, de op 10 september doodgeschoten activist en influencer, was een rijkelijk uitgedoste etalage voor deze ideologie. In het State Farm Stadion vlakbij Phoenix, Arizona, klonken politici als predikers en predikten dominees extreemrechtse politiek. Ruim veertigduizend voornamelijk jonge Amerikanen hoorden hoe Trumps regering Charlie Kirk uitriep tot martelaar. Volgens de president zelf was Kirk ‘een martelaar voor de Amerikaanse vrijheid’ en volgens vicepresident Vance ‘een martelaar voor het christelijke geloof’. In de context lijkt het verschil tussen die twee verwaarloosbaar.

Vijandbeeld

Christelijk nationalisme is, in de kern, het idee dat de Verenigde Staten een uitsluitend christelijke natie is of zou moeten zijn, en is van oudsher verbonden met xenofoob en racistisch gedachtegoed. Sociologen Samuel Perry en Andrew Whitehead definiëren het in hun boek Taking America Back for God, Christian Nationalism in the United States (2020) als ‘een cultureel kader dat de verschillen tussen christelijke identiteit en Amerikaanse identiteit doet vervagen, waarbij beide als nauw verwant worden beschouwd en er wordt gestreefd naar het behoud van die eenheid’.

Het is een wat glibberig begrip, vooral omdat het geen religieuze of politieke stroming is die vanuit een centraal punt wordt uitgedragen – in wetenschappelijke publicaties wordt christelijk nationalisme soms aangeduid als ‘mindset’. Bekeken door een seculiere, Europese bril lijkt het van toepassing op de gemiddelde Amerikaanse kerkganger, of in elk geval op het witte, rechtse exemplaar.

Machtspolitiek

Maar het onder Trump ontstane brouwsel van religieus gesuikerde machtspolitiek gaat een stuk verder dan patriottisme in combinatie met moreel-ethisch conservatieve denkbeelden: het is een ten diepste antidemocratische ideologie die alles wat niet ‘christelijk’ is als on-Amerikaans en dus vijandig bestempelt.

‘Als jouw dominee je niet vertelt dat linkse mensen in een kwaadaardig en demonisch geloofssysteem geloven, dan ben je in de verkeerde kerk’, zegt Matt Tuggle, een bekende radicale dominee van een evangelische kerk in Salt Lake City, in een videoboodschap naar aanleiding van de moord op Kirk. ‘De duivel zal niet winnen!’, schreeuwde Sean Feucht, een langharige singer-songwriter uit het parallel universum van de worship music, christelijke popmuziek, in een andere video.

Als culturele onderstroom is dit soort gedachtegoed altijd aanwezig geweest in de VS. In tijden van crisis won het aan populariteit, vooral onder witte protestantse mannen – denk aan de 8 miljoen leden die de Ku Klux Klan in het interbellum bereikte – maar nooit eerder was het zodanig versmolten met het centrum van de politieke macht als onder Turmp. Hoe is dat zo gekomen?

Cultuuroorlog

De ‘intense politisering’ van christelijk rechts begon al lang voor Trump, zegt onderzoeksjournalist Katherine Stewart die door haar boeken The Power Worshippers: Inside the Dangerous Rise of Religious Nationalism (2020) en Money Lies and God: Inside the Movement to Destroy American Democracy (2025) geldt als een van de belangrijkste Amerikaanse kenners van de christelijk nationalistische hiërarchie. Met een beetje goede wil, zegt Stewart, kon je christelijk rechts in de late jaren zeventig en de jaren tachtig van de 20ste eeuw nog een sociale beweging noemen, een conservatieve reactie op de grote maatschappelijke veranderingen in die tijd. ‘Maar rond de eeuwwisseling is duidelijk dat het hier gaat om een politieke beweging die op zoek is naar zo veel mogelijk macht. En dat die bepaalde aspecten van religie gebruikt als middel om dat doel te bereiken.’

In januari 1973 verankerde het Hooggerechtshof het recht op abortus in de Amerikaanse grondwet. De beslissing, in de volksmond bekend als Roe v Wade (in 2022 teruggedraaid), markeert volgens Sharlet en veel andere experts het moment waarop politieke macht en loyaliteit voor radicaal-christelijke organisaties belangrijker worden dan theologie en ethiek. Een belangrijke vertegenwoordiger van christelijk rechts in die tijd is Moral Majority, een actiegroep onder leiding van tv-dominee Jerry Falwell senior, die christelijk Amerika ophitst tegen abortus en homorechten en hen in 1980 succesvol richting de Republikeinse presidentskandidaat Reagan dirigeert – de eerste keer dat gelovigen op een georganiseerde manier zo veel politieke macht uitoefenen.

Missie volbracht

De ideeën van Moral Majority waren radicaal. Behalve anti-abortus, en tegen de emancipatie van minderheden, waren ze ook tegen de verzorgingsstaat, voor een zo klein mogelijke overheid en voor meer religieuze invloed in het openbare leven, zoals verplicht bidden op openbare scholen. Maar de beweging bleef wel min of meer binnen de democratische lijntjes kleuren – al stammen de vanuit democratisch oogpunt discutabele (en inmiddels glansrijk verwezenlijkte) plannen om de rechterlijke macht te bezetten met aartsconservatieve juristen ook uit die tijd. Vanaf dat moment waren vooral de evangelische christenen steeds meer een kiezersgroep om rekening mee te houden.

‘Het is Trump die de deal expliciet maakt, op weg naar de verkiezingen van 2016’, zegt Stewart. Dat deed hij door Michael Pence (een overtuigde en bekende evangelist, red.) te benoemen als running mate en later vicepresident, door de kiezers een evangelistische adviesraad in het vooruitzicht te stellen en de belofte om rechters te benoemen die ‘pro life’ (tegen het recht op abortus, red.) zijn.

De documentaire Bad Faith (2024), over de oorsprong en opkomst van het christelijk nationalisme, laat goed zien dat radicaal-christelijke stromingen al heel lang goed zijn in twee zaken: plannen op de ultralange termijn, en het aantrekken van steenrijke financiers – die vaak weinig op hebben met het christelijke geloof, maar uit economisch eigenbelang de cultuuroorlog voeden om de Republikeinen aan de macht te helpen.

Dat de evangelisten in Trumps open armen liepen, ondanks diens bepaald onchristelijke levenswandel, kwam ook doordat de Obama-jaren voor rechts christelijk Amerika een dieptepunt markeerden. Het aantal kerkbezoekers in de VS daalde harder dan ooit, terwijl het aantal niet-christelijke migranten steeg. In evangelische kerken groeide de angst voor demografische verschuivingen en de gevolgen voor hun maatschappelijke positie. De legalisering van het homohuwelijk in 2015 maakte de geesten rijp voor radicalisering.

Kruistocht

Het sleutelmoment in de antidemocratische metamorfose van christelijk rechts was de bestorming van het Capitool. In de menigte torsten mensen levensgrote houten kruizen mee, afbeeldingen van een opvallend witte Jezus met een rood Maga-petje, borden met ‘Jesus saves’ en een heel woud aan obscure christelijke vlaggen. Volgens Stewart was de steun van het christelijk nationalisme voor de couppoging cruciaal. Niet alleen vanwege het grote aantal evangelisten dat zich door radicale dominees liet ophitsen om af te reizen naar Washington, maar ook omdat de beweging de mislukte couppoging voorzag van een ideologische rechtvaardiging: het saboteren van het democratische proces was noodzakelijk in de strijd van Goed tegen Kwaad. ‘Op dit moment was voor iedereen binnen en buiten de beweging duidelijk dat deze beweging vastbesloten was de macht te behouden ten koste van de democratie.’

Jacob Chansley, de met bizonhorens getooide, uitbundig geschminkte Capitoolbestormer die wereldwijd bekend werd als de ‘QAnon-sjamaan’, ging de menigte voor in een gebed dat als volgt eindigt: ‘Dankuwel dat U de VS heeft laten herrijzen. Dankuwel dat U ons heeft toegestaan ons te ontdoen van de communisten, globalisten en verraders binnen onze regering (...) in Christus’ heilige naam bidden wij. Amen.’

Het radicaal christelijke wereldbeeld en de taal van de opstandigen van toen, is vier jaar later het politieke gereedschap van Trumps regering. Sinds de moord op Charlie Kirk zetten Trump en zijn ministers de strijd tegen immigranten en andersdenkenden (van Democratisch bestuurde steden tot ‘woke’) voortdurend neer als een soort eindstrijd, waarin de tegenstander wordt aangeduid met dreigende containerbegrippen als ‘radicaal-links’, ‘antifa’ en vooral ‘de vijand van binnenuit’.

Toen Defensieminister Pete Hegseth eind september de militaire top toesprak, framede hij dienen in het Amerikaanse leger als een ultiem christelijke daad. In Hegseths in 2020 verschenen boek American Crusade verheerlijkt toenmalig talkshowpresentator Hegseth niet alleen de middeleeuwse kruistochten, maar rekent hij ook af met de democratie: ‘Stemmen is een wapen, maar het is niet genoeg. We willen niet vechten, maar net als onze christelijke voorvaderen duizend jaar geleden moeten we wel.’

Een bericht gedeeld door Pete Hegseth (@petehegseth)

Hegseth is sowieso een modelleerling van het door Maga ingelijfde deel van de evangelische scene. Datzelfde geldt voor Russel Vought, de architect van Project 2025 – de blauwdruk voor Trumps democratieondermijnende beleid – was een van de eerste publieke persoonlijkheden die zichzelf een ‘christelijk nationalist’ noemde.

Messias

Maar de evangelisten zijn lang niet meer de enige groep radicaal gelovigen binnen de Maga-beweging. Ook veel conservatieve katholieken, zoals vicepresident JD Vance, voelen zich er thuis. En er zijn ook invloeden van een nog radicalere stroming, de zogeheten New Apostolic Reformation (NAR). Deze beweging neemt het stichten van ‘God’s koninkrijk op aarde’ letterlijk en is gericht op ‘overname’ van de zeven ‘bergtoppen’ van het openbare leven: religie, media, onderwijs, cultuur, entertainment en het zakenleven. Mike Johnson, voorzitter van de Republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, heeft nauwe banden met deze club. Waar radicaal evangelische kerkgemeenten voornamelijk uit witte Amerikanen bestaan, zijn de andere twee groepen etnisch wat gemengder. Vooral sommige jonge latino’s voelen zich aangetrokken tot een christelijk nationalistisch wereldbeeld.

Sinds Trump vorige zomer tijdens zijn campagne een aanslag overleefde, presenteert hij zich steeds openlijker als een messias in wie je wel of niet gelooft. ‘Voor Trump is politiek een theologische zaak’, zegt onderzoeksjournalist Jeffrey Sharlet. Dat de president zelf allesbehalve religieus is, lijkt inmiddels vooral een voordeel. Het verlaagt de drempel voor andere niet-christenen om zich te bedienen van christen-nationalistische denkbeelden en jargon. Trumps stafchef Stephen Miller bijvoorbeeld is Joods, maar een fervent gebruiker van religieus getinte oorlogsretoriek. ‘In dat opzicht beginnen de VS steeds meer op Poetins Rusland te lijken’, zegt Sharlet, ‘daar gaat maar een heel klein percentage naar de kerk, maar is de christelijke identiteit alomtegenwoordig.’

Leiderschapscultus

De politieke invloed van radicaal-christelijke stromingen op de Maga-beweging is lang onderschat en een beetje weggelachen, ook in de VS zelf. Michael Ujlaki, de regisseur van de genoemde documentaire Bad Faith, zei daarover tegen de The Guardian: ‘Ik denk dat veel Amerikanen het heel moeilijk vinden om te accepteren en te begrijpen dat dergelijk verraad, dergelijke anti-democratische activiteiten, kunnen worden uitgevoerd door mensen die er in feite uitzien als zondagsschoolleraren.’

Volgens Sharlet is ook Charlie Kirk onderschat. Zijn levensloop leest eigenlijk als een synopsis van de radicalisering van christelijk rechts. In 2018 zei Kirk nog dat christenen de scheiding tussen kerk en staat moesten respecteren, een paar jaar later bezwoer hij dat de Amerikaanse grondwet niet in een dergelijke scheiding voorziet, maar dat het een verzinsel is van ‘progressieve humanisten’. In politiek opzicht geloofde hij de afgelopen jaren in de extreemrechtse complottheorie over ‘de grote vervanging’ van het ‘witte ras’ (omvolking, red.), en pleitte hij in zijn podcast voor openbare executies en een ‘Neurenbergproces’ tegen artsen die genderbevestigende zorg leveren.

Vooral in progressieve media kreeg hij volgens Sharlet tijdens zijn leven niet het gepaste gewicht toegedicht. Terwijl tijdens de door hem georganiseerde bijeenkomsten op universiteitscampussen en in zijn veelbeluisterde podcast The Charlie Kirk Show al jaren de fine fleur van radicaal-christelijk Amerika optrad – zo geldt Kirk als een van de mensen die Vance groot heeft gemaakt.

Dorpsgek

Maar Kirk ontving ook figuren als Douglas Wilson, een bebaarde dominee die al decennialang predikt dat de VS een theocratie zouden moeten worden, een beetje zoals Iran, en daar meer dan veertig boeken over schreef. In Moscow, Idaho, bestiert hij een soort fundamentalistisch koninkrijkje. Tot een paar jaar geleden stond deze man ook in religieuze kringen bekend als een dorpsgek, nu dweept een aantal hooggeplaatste Republikeinen met zijn gedachtegoed, onder wie – opnieuw – Pete Hegseth.

Turning Point USA, de conservatieve, christelijke studentenorganisatie die Kirk in 2012 oprichtte, was de afgelopen jaren een belangrijke spreekbuis van christelijk nationalistisch gedachtegoed. De organisatie kreeg in de eerste week na de dood van Kirk 54 duizend nieuwe aanmeldingen. Volgens Fox News zijn dat er inmiddels honderdduizenden.

Op de vraag wat het christelijke nationalisme zo aantrekkelijk maakt voor met name jonge mensen, noemt Katherine Stewart de ‘politieke identiteit en verbondenheid’ die de beweging biedt in een economisch onzekere tijd, de vijandbeelden die het biedt als concrete doelwitten voor hun woede en wrok en de leiderschapscultus rondom Trump. ‘Daarom is de beweging moeilijk te breken. Omdat de verbondenheid niet alleen gebaseerd is op eigenbelang of beleidsvoorkeuren, het is ook een psychologische band.’

De verdachte van de moord op Charlie Kirk is een jongeman van 22. Kirks weduwe Erika Kirk vergaf hem tijdens de herdenkingsplechtigheid. Ze zei erbij dat Charlie Kirk en Turning Point er eigenlijk voor hem waren geweest, ‘de jonge mannen die zich richtingloos voelen, zonder doel, zonder geloof en zonder reden om te leven’.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next