Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Het meisje wil mijn ID zien. Mijn vrouw en ik staan voor in de rij, die uiteindelijk toegang geeft tot de club waar onze zwager zo gaat draaien. Net is een blonde kleerkast in een leren motorjack en nektatoeages ons gepasseerd. Het laatste staartje storm trekt over en regendruppels kletteren op mijn capuchon. Ik heb geen ID bij me, waarom zou ik? ‘Als er iets fout gaat binnen’, zegt het meisje, ‘dan weten we wie je bent.’ Ja, en dan wat?
Ik ontgrendel mijn telefoon en laat een foto van mijn paspoort zien. We lopen door naar binnen, waar een uitsmijter me fouilleert. ‘Wat zijn dit?’, vraagt hij, als hij met zijn hand over mijn jaszak gaat. ‘Snoepjes’, zeg ik. Net gekocht. ‘Snoepjes mag niet’, zegt de uitsmijter en ik moet de snoepjes bij hem achterlaten. We proppen onze jassen in een kluisje en lopen naar boven. De dansvloer is behoorlijk gevuld, voornamelijk met twintig jaar jongere jongens in het zwart gekleed.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De zware, trillende bassen van trap dreunen in mijn onderbuik, gillende hihats prikken tegen mijn trommelvliezen. ‘Heb jij oordoppen meegenomen?’ Heb ik niet. We drinken een gin-tonic en kijken naar het publiek. Een jong meisje met zwart haar en extravagante make-up vraagt om een selfie met mijn zwager, die pas over anderhalf uur blijkt te gaan draaien, terwijl het nu al onmenselijk laat is voor ons.
Ik raak aan de praat met een jongen. Hij is erg vriendelijk en legt steeds weer opnieuw zijn hand om mijn schouder. Op een of andere manier komen we te spreken over XTC en hoe het is dat met je geliefde te gebruiken. ‘Lekker een avond samen, op de bank, ieder een halfje, muziek luisteren en lekker seksen.’ Zijn hand ligt op mijn schouder en hij kijkt me recht in de ogen. ‘O man’, antwoord ik, ‘heerlijk.’ ‘Ik zie aan je dat je precies weet hoe het voelt’, zegt hij. Ik knik bevestigend, maar heb eigenlijk geen flauw idee.
‘Weet jij wie dat is?’, vraag ik aan mijn nieuwe vriend en ik knik naar de blonde kleerkast met nektatoeages die eerder voor ons in de rij stond. ‘Dat is je broer’, antwoordt hij. Ik weet vrij zeker dat dat niet klopt, maar ik heb nog net voldoende tegenwoordigheid van tijdgeest om te weten dat hij Jebroer bedoelt, de rapper.
Even later is mijn zwager aan zijn set bezig. De zaal danst en springt. Ik loop de trap naar boven op en maak een filmpje. Mijn vrouw kijkt me aan. ‘Zo gaan?’ Zo gaan betekent nu gaan. We pakken onze jassen, lopen de nacht in. De straten zijn leeg en kletsnat, maar het is gestopt met regenen. Zonder snoepjes lopen we terug naar de auto. Ook zonder XTC trouwens. Maar we zijn mooi wel naar ADE geweest.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant