Home

Ook als grotere partijen hebben CDA en D66 straks maar een kleine kans om het gebarsten Nederland te helen

is columnist van de Volkskrant en werkt als adviseur voor overheden en maatschappelijke organisaties.

Partijen zijn lief als ze klein zijn. Een D66 van negen zetels is knuffelbaar. Zeker in de oppositie. D66’ers zijn ook zo slim en reflectief, en ze kunnen samen met jou de rest van de politiek recenseren alsof ze er zelf niet in zitten. Kan het aimabeler dan Rob Jetten? Een gewone Brabantse jongen, thuis in elk tv-format. En dan die foto’s van zijn aanzoek aan een aantrekkelijke hockey-international. Een klein D66 is om op te vreten.

Nog dottiger is dat mini-CDA’tje met vijf zetels. Het meest sympathieke CDA ooit. Die CDA’ers zijn zo nederig. Ze hebben de afgelopen jaren hun ziel gezocht, en daar zijn ze open en kwetsbaar in. Wat een campagne draaien ze: geen valse beloftes, eerlijkheid over pijnlijke keuzes. En als er in een onbewaakt moment wat makkelijk over het welzijn van queer kinderen op onderdrukkende religieuze scholen heen wordt gestapt, volgt snel – nou ja, uiteindelijk – een ruimhartig mea culpa. Wist je al dat Bontenbal niet vliegt?

Het is niet mijn bedoeling om al te cynisch te doen. Ik probeer verwachtingen te temperen, vooral die van mezelf. Want er komen nu twee middenpartijen op die samen iets vertegenwoordigen waar Nederland behoefte aan heeft. Maar ik herinner me ook een regerend D66 dat vieze spinspelletjes speelde en lak had aan Nederlanders die niet konden meekomen in een ingewikkeld bestaan. En een CDA dat als grootste partij een nietsontziende machine was met regeren als doel op zich.

De echte test komt na de verkiezingen, als deze twee partijen – zoals verwacht – het motorblok van een coalitie vormen.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Bij beide zie ik meer dan bij anderen aandacht voor de kwaliteit van bestuur. (En in het kader van openheid: ik ben behalve van de VVD ook lid van D66.) Bontenbal wil de ‘cirkel van de gebroken beloftes’ doorbreken, zei hij in een lezing: ‘Politici zeggen steeds: stem op mij, ik los alles morgen op. Maar de kiezer blijft teleurgesteld achter en zoekt zijn heil bij een nieuwe messias.’ Hij belooft minder en wijst op de consequenties van keuzes. ‘Een eenvoudiger belastingstelsel betekent ook minder maatwerk, dus soms mensen die tussen wal en schip vallen. Genoeg woningen bouwen betekent ook dat anderen minder bezwaar kunnen maken.’

Ook D66 wil stoppen met ‘onmogelijke beloftes waardoor mensen teleurgesteld raken en het vertrouwen in het systeem daalt’, staat in het programma. De partij wil meer rechtsstatelijke waarborgen, meer expertise bij de overheid, en ruimte voor gemeenten en uitvoerders om eigen oplossingen te bedenken zonder Haagse dictaten. Welkom is ook het idee van ministers die over een opgave gaan – zoals wonen – in plaats van over een departement.

Door een verkiezingscampagne kun je gaan denken dat het vertrouwen van kiezers in de politiek wordt hersteld met aansprekende plannetjes. Maar volgens onderzoekers Tom van der Meer en Josje den Ridder ligt het anders. In een handzaam overzicht van alle beschikbare kennis dat ze pas voor de Tweede Kamer maakten, laten ze zien dat politiek vertrouwen deels te verklaren is vanuit de burger: praktisch opgeleiden hebben minder vertrouwen. Niet vreemd, want theoretisch opgeleiden hebben meer invloed en profiteren vaker van beleid. Ze begrijpen ook beter hoe de overheid werkt.

Een ander deel ligt bij de overheid. Van der Meer en Den Ridder laten zien dat vertrouwen in de politiek grofweg meebeweegt met vertrouwen in de overheid. En ‘met afstand de belangrijkste verklaring’ is hierbij iets dat procedurele rechtvaardigheid wordt genoemd – niet wát de overheid presteert, maar hoe: gaat het eerlijk?

Vertrouwen kan dus alleen worden herwonnen door partijen die oog hebben voor een goed functionerende, faire en begrijpelijke overheid. Ging het in de campagne nauwelijks over, is wel zo.

Het CDA van Bontenbal en het D66 van Jetten kunnen hierbovenop elk iets meebrengen dat het land kan helpen helen. ‘De A in CDA staat voor appèl’, zegt Bontenbal in De Groene Amsterdammer. ‘Ik wil een beroep doen op het beste wat in mensen zit.’ De Nederlandse politiek en overheid zijn dit de laatste halve eeuw verleerd, maar mensen voelen zich juist het meest gezien wanneer gevraagd wordt of zij iets voor anderen kunnen doen.

Jetten brengt met zijn ‘Het kan wél’-houding iets anders: vooruitgangsgeloof. Dat staat, besef ik, op gespannen voet met het streven om geen loze beloften te doen – want geloven we echt dat die tien steden die hij wil bouwen er komen? Maar toch, het nationale humeur verbetert niet zonder het gevoel dat we ergens naar op weg zijn. Zonder de zin om als Nederland weer ergens het beste in te willen zijn.

De combinatie van juist deze twee partijen heeft bovendien een bonus: ze kunnen de deur openhouden naar groepen die ver uit elkaar liggen. Ze zijn beide naar het midden getrokken, maar Jetten spreekt de taal van progressieven en Bontenbal die van behoudend Nederland.

Het grootste gevaar is dat beide partijen te blij zullen zijn met hun verkiezingsresultaat. Dat ze machtsdronken worden. Dat het belang van de partij weer de partij zelf wordt. Terwijl er, ongeacht de uitslag, geen reden zal zijn om opgelucht adem te halen. Ja, één avondje mogen ze een eventuele zetelwinst vieren. Daarna – en ik hoop dat de heren dit op hun spiegel schrijven – is Nederland nog steeds een land vol barsten, in een gevaarlijke en duizelingwekkend complexe wereld, waarin antidemocraten aan de winnende hand zijn. Ook als grotere partij hebben ze maar een kleine kans om het tij te keren.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next