Met haar debuutroman Confrontaties ging Simone Atangana Bekono in 2020, bám, van beloftevolle dichter naar nieuw groot literair talent. Nu er een bewerking is voor het theater, praat ze over plotselinge roem, het label ‘zwarte literatuur’, volwassen worden en schrijven als een garnaal.
schrijft voor de Volkskrant over theater en human interest
Hoe doe je dat eigenlijk, een interview geven? Hoe beantwoord je een vraag die je niet prettig vindt? Hoe verschaf je op een heldere manier informatie?
Is een interview een gezellig gesprek? Of is het werk?
Het waren vragen die vijf jaar geleden opdoken in het hoofd van dichter en schrijver Simone Atangana Bekono. Ze was net gedebuteerd – en niet zo’n beetje. Met haar debuutroman Confrontaties won ze de Hebban Debuutprijs, de Anton Wachterprijs, en werd ze genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
Dat was niet helemaal voorzien. Ze hoopte op misschien ergens een recensie, ‘en dan weer door’, maar het werd een sloot aan sterren en loftuitingen. ‘Indringend’, ‘doordacht’, ‘gelaagd’, schreven de kranten.
Daar ging ze: van beloftevolle dichter naar, volgens de Volkskrant, het nieuwe grote literaire talent.
Stapje terug. Confrontaties, voor wie de hype heeft gemist, gaat over de 16-jarige Salomé Atabong die in een jeugddetentiecentrum terechtkomt nadat ze haar twee pestkoppen zwaar heeft mishandeld. Ze moet zes maanden zitten, maar spijt heeft ze niet. Het was genoeg, het constante racisme waarmee ze, als dochter van een Kameroense vader en Nederlandse moeder, te maken kreeg.
We nemen als lezer plaats in het hoofd van Salomé en maken van dichtbij mee hoe ze omgaat met gevoelens van wanhoop, verdriet, woede en gemis. Grote emoties die soms vrij spel krijgen, en soms pijnlijk diep worden weggestopt. De taal is poëtisch, direct en vol vuur. Of, zoals de schrijver het zelf pakkend samenvat: ‘Een nogal intens boek.’
De zestiende druk ligt inmiddels in de winkel, en vorig jaar werd Confrontaties vertaald in het Duits en Engels. Nu is er een vertaling voor toneel. In regie van Casper Vandeputte en Savannah Wolin brengen Theater Utrecht en DOX het boek naar de grote zaal. Theo d’Or-winnaar Sharlee Daantje speelt de rol van Salomé.
‘Het boek blijft me achtervolgen’, zegt Atangana Bekono, gezeten aan een grote ronde tafel in een café aan de Amsterdamse Amstel. Om daar snel aan toe te voegen: ‘Op een goede manier.’
We praten op deze zonnige herfstdag over haar stormachtige entree in de literaire wereld, het ‘dubbele’ succes van Confrontaties, schrijven (als een garnaal), en literatuur op toneel.
Of dat een gezellig gesprek is of werk? ‘Ik zie het liever als werk. Als het echt gezellig is, kunnen we altijd nog een kop koffie gaan drinken, maar het moet niet te veel door elkaar lopen.’
Dan stoppen we nu met lachen.
‘Haha, nee hoor, dat hoeft nou ook weer niet!’
Hoe ben je omgegaan met alle aandacht die het boek kreeg?
‘Ik was vooral heel overweldigd. Het was coronatijd, ik zat tussen twee huizen in en zorgde voor mijn moeder die chronisch ziek is. Het boek kwam in een gekke tijd uit, drie maanden na de moord op George Floyd. Dat gaf de verkoop een push, maar maakte het succes ook bitterzoet, omdat het deels voortkwam uit een reden die niet vrolijkmakend is. Die dubbelheid moest ik een plekje geven in het jaar, anderhalf jaar nadat het uitkwam.
‘Ik vond de gesprekken in de media soms lastig. Doordat het gesprek over discriminatie en racisme in onze samenleving zo aanwezig was, lag het voor de hand dat ik me daarover zou uitspreken in het publieke debat. Terwijl ik me daar eigenlijk afzijdig van wilde houden.
‘Ik hoef gewoon niet met mijn kop op tv, en dan nog eens en nog eens. Er zijn schrijvers die dat heel goed kunnen, waarbij veel aandacht, een groot platform en mooi werk een perfecte synthese vormen. Ik heb gemerkt dat het mij beter past als de aandacht een beetje naar mij toekomt.’
Heb je getwijfeld toen de vraag voor een toneelbewerking kwam?
‘Ik heb eerst uitgebreid met Casper gesproken. In dat gesprek voelde ik dat we elkaar vonden in wat ons aantrekt in een verhaal. We deinzen allebei niet terug voor intensiteit en durven in te zoomen op moeilijke en soms pijnlijke maatschappelijke thema’s.
‘Ik heb meteen gezegd dat ik de bewerking niet zelf wilde schrijven. Ik heb drie, vier jaar gewerkt aan het boek, onderzoek gedaan naar systemisch racisme en het Nederlandse gevangenissysteem. Het schrijfproces was zwaar, ook voor mij persoonlijk.’
Zamity Mitelembe, die het boek voor toneel bewerkte zei: ‘Simone heeft me op het hart gedrukt: het is óók een boek over iemand die opgroeit in West-Brabant, die worstelt met een vader die werkloos raakt en terminaal ziek wordt, óók een boek over een jonge vrouw die haar plek probeert te vinden in de wereld.’
‘Ik zeg dat, omdat het moeilijk is om niet uit het oog te verliezen dat iedereen anders met discriminatie omgaat – zeker als je zelf met racisme te maken hebt én er een thema van hebt gemaakt in je werk. Racisme is niet wie ze zijn, het is een onderdeel van het leven van deze personages.
‘Het mooie aan een verhaal maken is dat je heel specifiek kunt worden. Ik zeg niets over alle Kameroens-Nederlandse mensen. Ik zeg niets over alle meisjes van kleur van 16. Ik zeg niets over alle witte Brabantse mensen. Ik zeg alleen iets over de specifieke situatie die ik in het boek schets.’
Hoe meer je inzoomt, hoe meer complexiteit je toelaat?
‘Ja, dat is iets wat ik ook heb moeten leren en wat andere makers mij op het hart hebben gedrukt: durf de ruimte te nemen om de personages en het verhaal complex te maken. Daarmee overstijgt het ook het label ‘activistisch’, of ‘migrantenliteratuur’, of ‘zwarte literatuur’ dat anderen soms op je werk plakken. Nee, het is gewoon literatuur, over een complex jong mens.’
Zamity zei ook: ‘Ik heb die complexiteit te weinig teruggezien in recensies en in de media.’ Voelde jij dat ook zo?
‘Aan de ene kant was ik heel dankbaar voor alle aandacht, maar ik moest er ook mee dealen dat het boek in eerste instantie werd gelezen als ‘het racismeboek’, om het maar even gechargeerd te zeggen. En ik snap het ook – dat is mijn probleem in het leven, ik snap het allemaal heel goed. Ik snap dat een recensent een beperkt aantal woorden heeft. En als ze het goed vinden, dan willen ze het ook aanprijzen op basis van iets wat voor de meeste mensen pakkend is. Dan is het makkelijker om te zeggen: dit is een belangrijk boek om te lezen over racisme in Nederland.
‘Tegelijkertijd, als ik op scholen ben of met lezers praat, bedanken ze me regelmatig voor hoe rijk en veel het boek is. Dat is een troost voor me.’
Toneelbewerkingen van literaire meesterwerken zijn, zeker de laatste jaren, steeds normaler geworden. Recentelijk bracht Internationaal Theater Amsterdam nog Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers, De wetten van Connie Palmen en Een klein leven van Hanya Yanagihara naar het theater. Binnenkort komt het gezelschap met Prophet Song, naar het boek waarmee Paul Lynch de Booker Prize won. Hoe verklaart Atanagana Bekono die aanblijvende trend?
‘Ik kan me voorstellen dat het begint bij een regisseur die iets leest, geïnspireerd raakt en het voor zich ziet op toneel. En we weten inmiddels dat het kan! Er zijn heel veel goede films en voorstellingen gemaakt op basis van boeken. Vorig jaar nog Giovanni’s Room.
‘Het verrast mensen altijd als ik dit zeg, maar het boeit me echt niet of de theaterbewerking trouw blijft aan het boek. Ik hoopte dat ze iets van de Salomé die ik had beschreven intact zouden laten, maar verder mochten ze ermee doen wat ze wilden. Ik ging juist aan van Caspers idee om de vier andere meiden in de gevangenis alle personages uit het boek te laten spelen.’
Wat kan in literatuur dat niet in theater kan, en andersom?
‘Als schrijver ben je de god van de wereld die je schept, en heb je volledige controle over alle lagen die je in je boek aanbrengt. Maar die lagen zijn altijd bedacht, ze bestaan op conceptueel niveau. In theater kan gelaagdheid ook rondom de tekst ontstaan, door spel, licht, kostuum of decor. Daar kan ik wel jaloers op zijn. Een vrij droog toneelscript kan, als je het live ziet, alsnog de tranen over je wangen laten stromen.
‘Literatuur werkt alleen als je haar proactief tot je neemt. Alleen de woorden lezen is niet genoeg. Die moeten iets gaan doen, en dat moet jij als lezer bewerkstelligen. Ik stop de wereld in het boek, maar jij moet hem als lezer tot leven wekken. In het theater kun je het verhaal iets meer van een afstand aanschouwen. Het is ook situationeler: je neemt het tot je, je voelt er misschien iets bij, en dan ga je weer weg.’
Heb je het gevoel dat je onderdeel bent van een stroming, een generatie schrijvers?
‘Ik voel dat vooral met de dichters om me heen, hoewel dichten en schrijven voor mij hetzelfde is. Asha Karami en Maarten van der Graaff zijn bijvoorbeeld ongeveer gelijktijdig met mij gedebuteerd en hebben ook ongeveer mijn leeftijd.
‘Ik vind Asha’s werk heel goed omdat het zo ongrijpbaar is. Het is out there: het is én experimenteel, én grappig, én soms superongemakkelijk. Ze zet heel hoog in, maar het wordt nooit onleesbaar. Dat herken ik ook bij Maarten.’
En bij jezelf?
‘Ik hoop het. Ik probeer veel toe te laten in mijn werk, referenties naar andere kunstvormen en populaire cultuur zijn welkom.’ Ze spreidt haar armen en knuffelt de lucht. ‘Deze beweging.’
Wat lees je zelf graag?
‘Ja, wat lees ik.’ Het blijft een tijdje stil. ‘Ik heb nu al even niets gelezen.’ Ze pakt haar telefoon erbij. Ze houdt van lijstjes. ‘Oké, deze laatste drie boeken geven wel een goed beeld van wat ik ongeveer lees.
‘Wervel van Saou Ichikawa, een heel grappige, erotische novelle over een vrouw met een aangeboren aandoening aan haar ruggenwervel. Motherhood van Sheila Heti, een Canadese schrijver. Heel mooi, maar ook confronterend omdat ik tijdens het lezen dacht: ‘O ja, kinderen...’ Er ontsnapt een klein kreuntje. ‘En met mijn boekenclub heb ik net Kritiek van de zwarte rede van Achille Mbembe gelezen. Hij is een Kameroense postkoloniale denker die reflecteert op de maatschappelijke effecten van kapitalisme, slavernij en racisme. Heel interessant.
‘Ik vind het leuk om werk te lezen over werelden en ervaringen die ik niet ken, maar in de eerste plaats moet een boek entertainen. Het belangrijkste is dat je tijdens het lezen het schrijfplezier en de obsessie van de schrijver voelt.’
Ben je zelf een obsessieve schrijver?
‘Ja, ik denk dat mijn probleem is dat ik geen afstand kan bewaren tot waar ik mee bezig ben. Ik kan schrijven als vrij eenzaam ervaren. Er zijn schrijvers die daar heel goed mee kunnen omgaan, maar ik wil ook graag in de wereld zijn. Schrijven vergt ook fysiek veel van me.
‘Ik maak heel veel adrenaline aan. Ik verstijf helemaal als ik zit te schrijven. En ook – waarom zeg ik dit tegen de Volkskrant? – ga ik soms heel erg zweten. Ik krijg een soort concentratiezweet, en ik krijg hoofdpijn en honger, maar ik kan dan ook niet goed eten, en dan ga ik naar bed en dan slaap ik heel raar en dan gebeurt de volgende dag weer hetzelfde.
‘Tot die mentale scherpte komen om te kunnen schrijven vraagt veel van je lichaam. Soms lukt het me om tussendoor te sporten, maar ik zit ook weleens een week lang als een soort garnaal om mijn bureau gekruld. Daar kan ik dan wel boos over worden.’
Boos?
‘Ja, waarom word ik daar eigenlijk zo boos van? Ik weet het niet. Dit is zo’n dom antwoord, maar ik zou gewoon willen dat schrijven makkelijker was.
‘Ik ben bezig met een nieuw boek, voor de zomer had ik een eerste versie ingeleverd bij mijn redacteur. Die was tevreden maar zei ook: nu moet er iets gebeuren. Ik was het ermee eens, maar dacht ook: hoe ga ik dat in godsnaam doen? Op zo’n moment voel ik heel sterk: ik wil dit helemaal niet, ik stop ermee en ga iets anders doen.
‘Ik hoop dat het ooit anders is. Zo niet, dan is het ook niet erg. Het verlangen om dingen te maken zal altijd sterker zijn. Ik geloof ook niet dat alles in het leven aangenaam hoeft te zijn.’
Waar gaat je nieuwe boek over?
Ze twijfelt lang. ‘Dat kan ik eigenlijk nog niet zeggen. Eerst moeten de personages nog meer vorm krijgen. Dan pas weet ik wat er met ze moet gebeuren, nemen ze me aan de hand in het schrijven. Ik kan nu wel zeggen dat het gaat over de dood en familie, maar het kan ook nog iets heel anders worden.’
Salomé fantaseert in Confrontaties over een ‘andere Salomé’, die niet in een gevangenis zit, maar tienen haalt voor proefvertalingen Grieks en piano speelt zonder bladmuziek. Is er ook een andere Simone?
‘Haha, nee, er is denk ik maar één Simone. Toen ik jonger was had ik wel uitgebreide fantasieën over hoe mijn leven eruit zou kunnen zien. Ik wilde ook altijd weglopen. Niet per se van mijn ouders, maar wel van school. Dan kon ik tijdens Duits uit het raam kijken en bedenken dat ik het vliegtuig zou nemen naar een ander land, en daar dan nieuwe vrienden zou maken en vrij zou zijn. Dat gevoel van vrij willen zijn had ik heel sterk.
‘Voor sommige mensen geeft een kantoorbaan met een goed salaris waarvan je op vakantie kan gaan vrijheid, en ja, ik heb geen spetterend salaris, maar schrijven is mijn vrijheid.’
Eerder in het gesprek zei je dat je probleem is dat je altijd alles begrijpt. Wat bedoel je daarmee?
‘Nou, ik heb niet de illusie dat ik de hele wereld kan begrijpen, hoor. Het gaat me meer om empathie voor de menselijke psyche, en de mensen om me heen. De wereld is natuurlijk een heel enge, onbegrijpelijke plek waar verschrikkelijke en ook mooie dingen gebeuren, maar wat er gebeurt in je nabije omgeving raakt je veel directer. Ik probeer altijd de vraag te stellen: waarom doen mensen wat ze doen? Dat willen begrijpen komt voort uit een behoefte aan controle, een gevoel van veiligheid.
‘Als schrijver ben ik overigens niet bang voor onwetendheid. Door de bril van de kunstenaar bezien is het niet-begrijpen juist een kracht, omdat het betekent dat er nog van alles te ontdekken valt.’
In Confrontaties krijgt Salomé als ze uit de gevangenis komt een brief van haar activistische tante Celeste, waarin ze Salomé oproept haar woede om te zetten van ‘iets destructiefs in iets productiefs’. Het wordt een mantra. Hoe moeten we die lezen?
‘Het is een aanmoediging aan Salomé om te gaan leven, in plaats van geleefd te worden. De toekomst is soms iets heel directs. Morgen is er weer een dag, en die probeer je op een andere manier vorm te geven dan hoe je het altijd deed. In het boek is Salomé diep in crisis, maar ze is tegelijkertijd nog zo jong en ze gaat nog zo veel meemaken. Ik heb altijd voor me gezien dat ze haar mensen wel gaat vinden.
‘Ik kom net als Salomé ook uit een dorp, en als je ouder wordt kom je er op een gegeven moment achter dat de wereld heel groot is en je eigen leed ook weer niet zo bijzonder. Dat er allerlei mensen zijn die jou beter begrijpen dan je denkt. Of die je kunnen begrijpen als je ze toelaat.’
1991 Geboren in het West-Brabantse Dongen.
2016 Afgestudeerd aan Artez Creative Writing met dichtbundel Hoe de eerste vonken zichtbaar waren.
2018 Wint Poëziedebuutprijs Aan Zee voor Hoe de eerste vonken zichtbaar waren.
2020 Debuutroman Confrontaties.
2021 Wint met Confrontaties Beste Boek voor Jongeren, de Hebban Debuutprijs en wordt genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
2022 Novelle Zo hoog de zon stond.
2024 Wint met poëziebundel Marshmallow de Jan Campertprijs.
Confrontaties van Theater Utrecht en Dox gaat t/m 11 december op tournee.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant