Trump bevriend met Epstein? Tuurlijk. Baudet gelooft in hagedismensen? Okidoki. Wilders werkt voor de Israëli’s? Prima - in de roman die Joost de Vries over hem zou schrijven, zou dat een plotlijn zijn. Blijft de vraag: hoe schrijf je fictie over politici die al grotesker zijn dan je het kunt bedenken?
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Ik zou beginnen met iets ongerijmds. A portrait of the politician as a young man. Stel je voor: het is zomer. Hij is nog een kind, 11, 12. Komt uit school. Hangt zijn tas aan de kapstok.
In de spiegel in de gang ziet hij zijn haar, zijn ogen, de trekken rond zijn mond. Natuurlijk ziet hij wat hij elke dag ziet, maar een gevoel besluipt hem, het idee van een horizon. Iets erachter, nu nog uit het zicht. Hij weet dat hij niet altijd zo zal blijven.
Vanuit de keuken hoort hij zijn moeder roepen. ‘Johannes?’ – de naam van zijn vader. Nee, ik ben het, wil hij roepen, maar hij roept het niet. Hij wil even de mogelijkheid vasthouden iemand anders te zijn.
Nog iets van vroeger. Een verjaardag. Venlo. Rijtjeshuizen. De jaren zeventig. Ribcord. Formica.
De jongen hoort zijn grootvader praten met zijn oom. Tegen hem zou zijn grootvader nooit zo vrijuit spreken, maar zijn grootvader staat in de tuin en weet niet dat hij hem vanuit zijn open slaapkamerraam kan horen. Hij zit met zijn neus tussen de luxaflex.
Grootvaders carrière in Nederlands-Indië liep op een fiasco uit, oneervol ontslag. Daar werd liever niet over gesproken. Wel over zijn carrière in de nasleep van de oorlog, toen hij directeur van de strafgevangenis in Scheveningen werd. Hij had speciaal gevraagd om aanwezig te mogen zijn bij de executie van SS-Obergruppenführer Rauter.
‘Een goede dood’, hoort hij zijn grootvader zeggen. ‘In voorbeeldige militaire houding. Hij was noch geblinddoekt, noch gebonden.’
De jongen achter de luxaflex is nog een kind. Niet de nazi’s fascineren hem. Niet uniformen. Wel de hardheid. Van zijn grootvader, die de executie wilde zien. Van Rauter die niet wegkeek van zijn vernietiging.
We hebben het over Geert Wilders, over hoe een roman over hem eruit zou kunnen zien. Ik verzin iets:
Het is 1980. Wilders is op weg naar Tomer, een mosjav waar hij gaat werken. Buiten de bus de rotsige bergen van de Jordaanvallei. Binnen de bus Israëlische reservisten, nauwelijks ouder dan hij. Ze zitten er ontspannen bij, lachen, maar wel met machinegeweren op schoot. Hij kan zijn ogen niet van ze afhouden.
17 is hij, maar een verschijning. Zelfs voor Nederlanders is hij lang, hier is hij een reus. Maar dun, met zachte krullen. Het snorretje op zijn bovenlip moet hem ouder doen lijken, maar benadrukt juist zijn jeugd.
De meisjes in de mosjav zien hem. Hij ziet hen. Israëlische vrouwen, zucht hij, de mooiste vrouwen ter wereld.
Hij ligt te slapen in een tentje op het terrein en schrikt wakker van het alarm. Naar de schuilkelder, nu naar de schuilkelder. Dit is waarvoor hij in de mosjav is gewaarschuwd: infiltranten. Palestijnen uit Jordanië. Israël heeft ze verdreven en ze willen terug. En als ze komen, komen ze niet om bloemen te brengen. Dan komen ze dood en verderf zaaien.
Hij rent, hij kijkt opzij. Hij ziet infiltranten zijn kant op komen. Hij kan ze met het blote oog zien. Hij rent door, rent sneller.
Maar dan – aan de nachthemel, scherp afgetekend tegen de bergen van de Jordaanvallei, verschijnen Israëlische helikopters. Directe actie. Flits, flits, en gigantische vlokken witte sneeuw regenen door de donkere hemel. Kleuren verdwijnen. Een zwart-witfoto. Magnesiumbommen. De Palestijnen worden neergemaaid.
De laatste jaren kent een Welle aan Europese romans over bestaande politieke figuren die niet eens zo heel ver in ons verleden liggen. In Nederland schreef Auke Hulst over de Amerikaanse president Richard Nixon in zijn Zoeklicht op het gazon, de Zwitsers-Italiaanse Giuliano da Empoli had met De Kremlinfluisteraar een wereldwijde bestseller, over Poetins overname van Rusland. Antonio Scurati werd in kort tijdsbestek een van de meest gewaardeerde Italiaanse en Europese schrijvers met zijn romans over Mussolini: dit jaar verscheen M – Het uur van de waarheid, het vierde deel.
Het zijn geen standaard historische romans, al was het maar omdat de auteurs zo veel mogelijk baseren op echte speeches, notulen en dagboekaantekeningen. Alleen gedachten van de politieke figuren eigenen ze zich toe, maar er gebeurt op de pagina’s niks dat niet echt is gebeurd.
Dit maakt het zo dwingend: om de feiten kun je niet heen.
Dat beeld van een Wilders als kind voor de spiegel is verzonnen. Van hem achter de luxaflex ook, maar het verhaal van de grootvader, Johan Ording, niet. Antropoloog Lizzy van Leeuwen schreef uitgebreid over haar onderzoek naar Wilders’ Indische wortels en zijn familiegeschiedenis in De Groene Amsterdammer. Alle meningen en uitspraken van Wilders zijn terug te vinden op X, of in de notulen van de Kamer. Wilders vertelde zelf over zijn ervaringen in Israël, in 2018 in het NOS-programma Met het oog op morgen, over de mosjav, over de magnesiumbommen, de Israëlische vrouwen die de mooiste ter wereld zijn – al voegde hij toe, denkend aan zijn echtgenote Krisztina, ‘na de Hongaarse’.
‘Was het uw coming of age?’, vroeg interviewer Wilfried de Jong. Inderdaad, hij was 17, er waren leuke meisjes, er werd gedronken.
‘Maar het was ook keihard werken’ – Wilders zegt dat met zijn wildersiaanse beklemtonisering, waar hij niet lettergrepen maar hele woorden dikgedrukt lijkt te uitspreken, keihard – ‘in de Jordaanvallei, op Eilat na, is dat het heetste stukje. In de zomer is het daar vaak 35, 40 graden, en dan begon je ’s morgens om 7 uur en stopte je om 12. Om 2 uur, half 3 ging je weer verder tot het begin van de avond en dan was het nog bloed- en bloedheet.’
Dus ja, zegt hij tevreden, ik zat achter de meisjes aan, ‘maar ik heb ook kei- en keihard gewerkt.’
Dit valt sowieso telkens op bij Wilders: hij lijkt hardheid als deugd te zien.
Nog een feit als bouwsteen voor een roman: in de biografie Geert Wilders – Tovenaarsleerling (2010, vorig jaar geüpdatet uitgegeven als Geert Wilders – De wreker) beschrijft wijlen Meindert Fennema hoe Wilders’ echtgenote niet altijd even blij is als hij, halverwege de jaren 90, op hun spaarzame vakanties telkens langs de lokale ambassade wil. Ook de verbazing van zijn naaste VVD-collega in die tijd, de latere staatssecretaris Frans Weekers, groeit: waarom gaat Wilders in het buitenland toch zo vaak bij Israëlische ambassades op bezoek?
Dit is natuurlijk goud voor romanciers. Elke thrillerschrijver zal dezelfde vraag stellen: wat gebeurt er in die ambassades? Wat werd er besproken? Zijn er getuigen, zijn er opnamen? Mocht zijn vrouw mee naar binnen?
Een scène. Iets dat zomaar zou kunnen. Boedapest. Of Praag, of Warschau. Krisztina Wilders zit op een bankje en kijkt naar de gevel van de Israëlische ambassade.
Het duurt lang. Nog langer dan normaal. Ze is al bij het warenhuis geweest, heeft een extra groot rondje door het park gelopen. Ze is maar weer teruggelopen naar waar ze hem achterliet.
Net als ze een boek uit haar tas pakt, komt Geert de ambassade uit. Krisztina veert op, zwaait. Geert! Maar ze ziet zijn ogen, kent de stand van zijn mond, ze weet dat hij nog diep in zijn hoofd zit, dat er heel wat aan de hand is.
Ik zie heel veel korte scènes voor me, korte hoofdstukken, waarin je Wilders volgt als een camera. Je beschrijft hem, je duidt hem niet.
Wilders in Israël – niet zo moeilijk, kies een van de vele bezoeken die hij bracht. December 2008 bijvoorbeeld, wanneer hij Fitna laat zien op een Facing Jihad-conferentie, en hij de brigadegeneraal in ruste Aryeh Eldad spreekt. Eldad is een ultrarechtse kolonist; hij vindt dat er al een tweestatenoplossing bestaat voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. Israël voor Israëliërs, Palestijnen naar Jordanië. Iedereen die met Palestijnen onderhandelt, is een verrader.
Een thriller heeft een complot nodig. Een scène met een groepje mannen in een rokerige kamer of donkere parkeergarage. ‘Je loyaliteit aan ons is een groot goed’, zegt het groepje mannen rond Eldad. ‘We moeten maar eens wat nauwer gaan samenwerken.’
Wilders vliegt terug naar Nederland en heeft een nieuwe telefoon bij zich met maar één nummer erin.
Kort hoofdstuk. 2010. PVV-kantoor. Wilders stelt de kieslijst voor de Kamerverkiezingen vast. ‘Ik zet je op de vijfde plek, Gidi.’
Gideon Markuszower: jurist, Talmoed-deskundige, bestuurslid voor de Likoed Nederland, de zustervereniging van de conservatief-nationalistische partij in Israël. Hij ziet eruit alsof hij een koelkast kan optillen – of jou erin kan proppen. In 2008 is hij op een feest, ter ere van de 60ste verjaardag van Israël, in de Amsterdamse RAI betrapt op verboden wapenbezit.
Dan gaat de telefoon. Minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin. ‘Ik wil u waarschuwen, heer Wilders...’ Door de AIVD wordt Markuszower gezien als ‘risico voor de integriteit van het landsbestuur’. Wat dat precies betekent wordt niet uitgespeld, maar de suggestie is duidelijk; het is de verdenking dat zijn eerste loyaliteit niet bij Nederland ligt.
Wilders appt op zijn geheime telefoon: ‘Zijn tijd komt nog wel.’
10 juli 2023. Mark Ruttes vierde kabinet is, tot ieders verrassing, geïmplodeerd. Tot ieders nog veel grotere verrassing vertelt Rutte dat hij stopt.
Mark Rutte. De anti-Wilders. Dit is Wilders’ kans hem te wegbonjouren, op te sommen wat een mislukkeling het is, met de staart tussen de benen Den Haag uit.
Op de app krijgt hij berichtjes: ‘Houd je in. Je hoeft hem niet meer te verslaan. Je hoeft hem alleen op te volgen.’
Dus wanneer Wilders in de Kamer het woord krijgt, zegt hij: ‘Ik zou de minister-president, de heer Rutte, Mark, vanaf deze kant willen bedanken voor zijn tomeloze inzet voor Nederland. Uw keuzes waren niet altijd de onze, maar u bracht ze met overtuiging en dat verdient ontzettend veel respect. Ik wens u het allerbeste voor de toekomst.’
In de dagen en weken daarna hebben Den Haag-duiders een heel leuke woordgrap bedacht, ze herhalen hem de hele tijd. ‘Geert Milders! Geert Milders!’ Dat Wilders’ verkiezingsprogramma nog steeds vol ongrondwettelijke voorstellen staat negeren ze, want dat is niets nieuws.
Op de app: ‘Heel goed. ga zo door.’
Dilan Yeşilgöz zet vervolgens de deur voor hem open, Wilders loopt naar binnen en gaat op haar stoel zitten.
7 oktober 2023. Hamas breekt uit Gaza en slacht op de gruwelijkste manier meer dan elfhonderd nietsvermoedende Israëliërs af – mannen, vrouwen, kinderen, bejaarden. Meer dan tweehonderd gijzelaars sleurt Hamas terug Gaza in.
Wilders’ telefoon staat roodgloeiend, maar hij hoeft die appjes niet te lezen om te weten welke lijn hij moet volgen. Onvoorwaardelijk, keihard.
8 oktober. Israël slaat terug – en drukt door. Bombardementen, invasie. Er sterven tienduizend Gazanen. Twintigduizend. Dertigduizend. Israël mikt op scholen, bibliotheken, ziekenhuizen, vruchtbaarheidsklinieken, ambulances. Bij alles zegt Wilders: het is eigen schuld, Hamas begon.
Bij vijftigduizend vermoorde Gazanen spreekt het Niod van ‘genocidaal geweld’, en Wilders bezoekt vrolijk een illegale Israëlische nederzetting in de bezette gebieden, noemt Netanyahu zijn vriend. Statement.
Bij zestigduizend slachtoffers oordeelt een onafhankelijke VN-commissie dat Israël genocide pleegt, en Wilders zegt: ‘Ik zou precies hetzelfde gedaan hebben als Israël.’
Ik bedoel maar: ik verzin dit, over die geheime telefoon en die dwingende appjes. Als het een boek was, had er ‘ROMAN’ op de cover gestaan. Maar het punt is natuurlijk dat veel complottheorieën beginnen als fictie. Iemand verzint iets, een theorie, onbewezen door de praktijk. Vervolgens beginnen mensen die theorie te geloven. Precies zoals dat met fictie lezen gaat: de willing suspension of disbelief, heet dat. Lezers schorten bewust hun ongeloof op, omdat het voorgeschotelde verhaal zo pakkend is.
Mei 2025. Minister Veldkamp staat thuis voor de spiegel, doet zijn das recht. Kijkt nog eens naar de lijnen in zijn gezicht.
En zucht.
Ooit was hij ambassadeur in Tel Aviv, maar zo’n beetje iedereen uit zijn oude werkkring bij BZ laat merken hoe teleurgesteld ze in hem zijn. Zijn nietsdoen, zijn kop laten hangen naar Wilders. Snappen ze niet dat zijn handen gebonden zijn? ‘Unfair’, vindt hij de kritiek van de linkse oppositie en maatschappelijke organisaties. ‘Alsof ik geen geweten heb.’
De minister schuift. Voorzichtig heeft hij de blokkade van hulpgoederen aan Gaza door Israël een schending van het internationaal humanitair recht genoemd. Het is tijd voor de sprong. Hij neemt in Brussel het voortouw om een onderzoek te beginnen of het EU-associatieakkoord met Israël niet moet worden opgeschort.
Is Veldkamp trots? Denkt hij: nu heb ik mijn critici niet meer in mijn nek? Van een van de minst kritische EU-landen is Nederland nu behoorlijk streng geworden.
Hij staat voor de spiegel, doet zijn das recht. Ja, god, die lijnen in zijn gezicht. Je kan er met je fietsband in blijven haken. Maar hij denkt: het schip keert, dit gaat de goede kant op.
Zelfde tijd, een paar kilometer verderop in Den Haag. Wilders krijgt appjes die er niet om liegen: WTF doet Veldkamp? Heeft Wilders dit kabinet niet onder duim? Snapt hij niet dat niemand zit te wachten op een kabinet dat de EU organiseert tégen Israël? Dat een regering met deze minister van Buitenlandse Zaken niet mag blijven zitten?
Tom Poes, verzin een list, denkt Wilders.
(Schrijver, verzin een complot.)
Ook al heeft hij zelf de minister die erover gaat, hij kan het altijd op migratie gooien. Hij kan een zo extreem mogelijk, antigrondwettelijk tienpuntenplan opstellen waarvan hij zeker weet dat geen coalitiegenoot ermee instemt, en daarmee kan hij dan dit kabinet laten vallen. En een demissionair kabinet heeft niks in te brengen in de EU.
‘Ik heb een list’, appt Wilders terug.
Drie weken later valt het kabinet.
Dion Graus – voor enige comic relief in de roman, om even los te komen van Gaza en genocide, is het fijn dat er zo iemand als Dion Graus bestaat. Alleen zul je dan meteen merken dat je, vanuit literair oogpunt, een probleem hebt.
Zijn postuur. Zijn kapsel. Zijn gekleurde brillen. Zijn dierenpolitie. Het gegeven dat Graus op zijn trouwdag een zwart ridderkostuum droeg met een groot kruis op zijn mantel. En ondertussen de aangiften van zijn ex tegen hem voor seksuele uitbuiting.
Dat lijken elementen waar je als schrijver rijkelijk satire mee kan bedrijven, maar al die beschimpingen pakken uit als losse flodders. Begin jaren tachtig beklaagde Philip Roth zich al dat het genre van de politieke satire op zijn einde liep, want – terugkijkend op de Nixon-regering – het Amerikaanse politieke landschap werd bevolkt door karikaturen. Door mensen waarvan iedereen wist dat ze logen, of ijdel of hypocriet waren. Je kon als schrijver niks aan ze onthullen, bedoelde Roth, want alles aan hen voltrok zich al aan de buitenkant.
In toenemende mate is dit alleen maar een grotere waarheid geworden – personages als Trump of Boris Johnson, of Wilders of Milei of Graus zijn de satire voorbij. Ze zijn al typetjes, hebben al de kapsels van cartoons, zeggen dingen die voorbijgaan aan elke logica. De grap is al gemaakt, door henzelf. En de grap is niet leuk meer.
Dus je moet met een ander soort literatuurtheorie aankomen.
Aan het begin van deze eeuw schreef de prominente Britse criticus James Wood een essay aan de hand van de debuutroman van Zadie Smith, White Teeth.
Je hoefde alleen de gegevens van White Teeth uit te spellen, schreef Wood, en je wist waarmee je te maken had. De hoofdpersoon heet Toby Awknotuby (ziet u: ‘to be or not to be’). Zijn tweelingbroer, van wiens bestaan Toby niet op de hoogte is, heet Boyt (een anagram van Toby). Ze hebben dezelfde genitale deformatie. Hun vader was geboren op de exacte seconde dat de bom op Hiroshima viel, en is inmiddels een Hells Angel, al richt zijn particuliere Hells Angel-afdeling zich op het bestuderen van de poëzie van Wordsworth.
De roman stond niet op zichzelf, zag Wood, maar paste in een patroon dat in de jaren 90 was uitgeslepen door schrijvers als David Foster Wallace, Salman Rushdie en Thomas Pynchon. Romans die nooit stilstaan of reflecteren, groteske personages vermenigvuldigen zich voor je ogen, extreme plotwendingen buitelen over elkaar.
Dit soort romans beschrijft dingen die echt zouden kunnen – Hells Angels kunnen in theorie Wordsworth lezen – maar hebben niks met de realiteit te maken. Wood: ‘Dit zijn geen verhalen die de wetten van de zwaartekracht tarten, maar de wetten van geloofwaardigheid.’
Wood muntte de term: dit is geen magisch realisme, maar hysterisch realisme.
Overigens noemen de Fransen, omdat het Fransen zijn, hysterisch realisme recherché postmodernism.
De term hysterisch realisme is ook een mooie om de politiek mee te duiden. De laatste decennia zijn er, zeker vanuit rechts-radicale hoek, zo veel figuren de westerse parlementen binnengelopen die op een vreemde manier de geloofwaardigheid opschorten. Niet de geloofwaardigheid van het parlement, bedoel ik, maar de geloofwaardigheid van de werkelijkheid.
Lees Trumps CV aan tv-optredens (die man heeft aan worstelwedstrijden meegedaan). Luister naar Baudets ‘uil van Minerva’-speech. Mileis bijnaam in Argentinië is ‘de pruik’. Nigel Farage zat in I’m a Celebrity... Get Me Out of Here!, een soort Expeditie Robinson. Denk nog eens aan dat moment in 2020 toen Trumps adjudant Rudolph Giuliani op de verkeerde parkeerplaats (hij dacht dat hij bij het chique hotel Four Seasons stond, hij stond bij het tuinbedrijf Four Seasons), vlak voor een seksshop en een crematorium, tegen de pers de verkiezingsresultaten ontkende, terwijl zijn lekkende haarverf in zwarte strepen over zijn gezicht droop.
Wanneer je die scène in een roman zou verwerken, zou je redacteur in alle waarschijnlijkheid zeggen: dit gelooft niemand.
Zo lijkt er een politieke mediacultuur opgetuigd die niet draait om stilstaan of reflectie, maar om groteske personages en extreme plotwendingen. En dus, als je via tv en de socials te veel opgaat in deze hysterie, wordt het steeds moeilijker te bedenken waarop je dit soort politici nog moet afrekenen. Niet op tastbare resultaten, niet op herkenbare medemenselijkheid – want zo veel van de figuren lijken op niemand die je kent. Ze zijn ongrijpbaar.
Geloofwaardigheid staat buitenspel, en dus is het moeilijk nog dingen te bedenken waarmee je de kiezer – of de lezer! – kunt verrassen. Waar zou u nog van opkijken als het zou worden onthuld? Trump bevriend met Epstein? Tuurlijk. Baudet gelooft in hagedismensen? Okidoki. Wilders werkt voor de Israëli’s? Prima. Why not? En weer door. Dat maakt het heel ondankbaar om een roman over hem te schrijven.
Het enige wat je als schrijver resteert, waarschijnlijk, is proberen Wilders tragisch te maken. Tragiek ontstaat wanneer mensen krijgen wat ze willen, en ze ontdekken dat ze er juist doodongelukkig van worden.
Dus, 29 oktober 2025. Hij wint de verkiezingen. 50 zetels plus. De VVD buigt zijn kant op, JA21 roept ja, ja, ja. Het Torentje, het Torentje.
Iets later organiseert, ik noem maar iets, zijn goede vriend Viktor Orbán een etentje voor hem. Ergens langs de Donau. Wit damast op tafel, flessen bordeaux.
Natuurlijk is Aryeh Eldad er ook, hij komt de groeten van Bibi doen. Groetjes terug. Wie zitten er nog meer aan tafel? Laten we zeggen: een parlementariër die de hele week druk was om een wet aan te nemen die literaire tijdschriften verbiedt; een columnist van een rechts-conservatieve krant; de advocaat van een man die met zijn truck op een Pride-demonstratie is ingereden; een geëmigreerde Nederlandse ondernemer (‘al die kutregeltjes in Nederland’) die vertelt over hoe zijn bedrijf drieduizend varkens per dag verwerkt.
De boekenverbieder richt zich tot Wilders: ‘Mijn vrouw en ik overwegen een weekendje weg. Beetje winkelen, beetje rondneuzen. Wat zou u ons in Nederland aanbevelen?’
Naar Nederland?, zegt Wilders (en de kunst als schrijver is om hier alleen echte citaten te gebruiken), naar ‘de Opperste Sovjet van de Volksrepubliek Nederland’? Dat land pleegt ‘nationale zelfmoord’, joh. Ga in elk geval niet naar Amsterdam, dat is een soort ‘ISIS-gebied’, een stad vol Joden jagend tuig dat het land uitgezet moet worden. ‘En die linkse burgemeester mag mee!’ In de grachtengordel vakantiefoto’s maken? ‘Ik geloof niet in de grachtengordel. Ik geloof niet in de grachtengordelelites. In hun sinistere idealisme, hun onzinnige multikul, hun zogenaamde tolerantie.’ Den Haag dan, met ‘die Haagse regentenkliek’ en dat ‘nepparlement’? ‘Kijkduin wordt overspoeld met asielzoekers’, in de Schilderswijk dreigt ‘barbaarse shariawetgeving’. Rotterdam? Zit vol met ‘allahu akbar gillende Turken’. Hilversum? Het Mediapark? ‘Tuig van de richel’. Limburg? Daar komt Frans Timmermans vandaan. Kennen jullie Timmerfrans? De polders kun je maar beter laten voor wat ze zijn, ‘al die windmolens draaien op subsidie!’
Zo gaat hij nog even door, tot hij buiten adem is.
‘Hear, hear!’, roept de columnist.
‘Heerlijke boutade, amice’, zegt de advocaat.
‘Oink, oink’, zegt de varkensslachter.
Eldad lacht ook, maar iets besmuikter. ‘Maar Geert’, zegt hij, ‘als ik je zo hoor; wat is er eigenlijk leuk aan Nederland?’
En dan de tragiek. Een valluik. Het licht gaat uit. Iets leuks aan Nederland? Wilders kan niks bedenken.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant