Home

Groei die ook goed is voor de planeet: het kán

Duurzaamheid Lang hingen economische groei en milieuschade met elkaar samen. Maar nu niet meer per se, schrijft Hidde Boersma, en dát verhaal moet meer verteld worden.

Nederland staat aan de vooravond van een nieuwe kabinetsformatie. Er wordt weer nagedacht over wat voor land we willen zijn, over onze economie, onze energievoorziening en onze plek in de wereld. En dat betekent vanzelfsprekend dat ook duurzaamheid weer op tafel ligt.

Hidde Boersma is gepromoveerd bodemmicrobioloog en oprichter van de techno-optimistische NGO wePlanet

Maar hoe vaak we het er ook over hebben, echt populair is het onderwerp nooit geworden. Duurzaamheid blijft voor veel mensen iets ingewikkelds, iets dat geld kost en vooral iets dat moet.

Voor een belangrijk deel komt dat omdat het huidige duurzaamheidsnarratief weinig aansprekend is. Het is en blijft een verhaal van minder, van soberheid, van schuld en boete, en van beperkingen.

Volgens mij is het daarom tijd voor een nieuw duurzaamheidsverhaal.

Het denken dat de laatste decennia de toon zette, ontstond in de jaren zeventig, in een tijd van oliecrises, smog, zure regen en angst voor grenzen aan de groei. Het was het tijdperk van het beroemde rapport The Limits to Growth (1972) van de Club van Rome en Paul Ehrlichs The Population Bomb (1968), waarin vooruitgang, groei en overbevolking als de grootste bedreigingen voor de planeet werden gezien. Alles in die periode ademde het idee dat de wensen van de mens botsten met de grenzen van de aarde. Groei en vooruitgang stonden gelijk aan uitputting en uiteindelijk verval. Het wereldbeeld waarin welvaart tegenover de natuur wordt geplaatst, is sindsdien diep verankerd geraakt in het duurzaamheidsbeleid en het publieke bewustzijn.

Maar vijftig jaar later leven we in een andere wereld. Veel van die oude uitgangspunten zijn niet meer van toepassing op werkelijkheid van vandaag. De problemen zijn nog steeds urgent, maar onze kennis en mogelijkheden zijn ook groter dan ooit. Het is tijd voor nieuw, geüpdatet duurzaamheidsverhaal.

Onwennige gedachte

De kern van dat nieuwe verhaal is ontkoppeling: het idee dat economische groei niet langer automatisch tot milieuschade leidt. Dat we rijker kunnen worden terwijl vervuiling en grondstoffengebruik juist afnemen. Voor velen is dat nog een onwennige gedachte: groei wordt in het publieke debat nog vaak gezien als de vijand van duurzaamheid.

En eerlijk is eerlijk, dat was lang ook zo. De industriële revolutie in het midden van de negentiende eeuw luidde een periode in waarin welvaart en vervuiling hand in hand gingen. We bouwden kolencentrales, kapten bossen, verhardden landschappen en omarmden de auto als symbool van vrijheid. Dat alles bracht ongekende vooruitgang, maar ook ernstige schade aan lucht, water en bodem. Het leek vanzelfsprekend: hoe meer groei, hoe meer vervuiling.

Toch bleek dat verband niet eeuwig. Vanaf de jaren tachtig begon het langzaam te kantelen. Nederland werd nog steeds rijker, maar ook schoner. Onze economie groeide, terwijl de uitstoot van veel schadelijke stoffen daalde. De grafiek die die ontwikkeling beschrijft, eerst omhoog, dan omlaag, lijkt op een parabool. Economische groei maakt samenlevingen eerst viezer, maar zodra ze een bepaald welvaartsniveau bereiken, verandert de trend. Burgers accepteren de vervuiling niet langer, de overheid grijpt in en technologie biedt alternatieven. De economie ontkoppelt van milieuschade.

Dat dat kantelpunt überhaupt bestaat, komt omdat welvaart de blik van de samenleving en haar inwoners verruimt. Groei schept niet alleen financiële ruimte om te investeren in schonere productie, maar ook mentale ruimte om je druk te maken over de omgeving. Wie zijn basisbehoeften vervuld weet, kan zich de luxe veroorloven om dingen te eisen zoals schone lucht, natuur en gezondheid. Schaarste en stagnatie vernauwen het brein, overvloed opent het.

Juist omdat mensen erop vooruitgaan, zijn ze bereid om te investeren in duurzaamheid. Dat verklaart waarom ontkoppeling pas optreedt na een bepaald welvaartsniveau: pas dan wordt milieubescherming een maatschappelijk en politiek verlangen. Ik durf zelfs te stellen dat een groeiende economie geen bedreiging is voor verduurzaming, maar een voorwaarde ervoor.

De cijfers spreken voor zich. In 1960 stootte de gemiddelde Nederlander 6,4 ton CO₂ per jaar uit. In de jaren negentig piekte dat op ruim 11 ton, maar inmiddels is dat teruggelopen naar 6,6 ton, nagenoeg hetzelfde niveau als zestig jaar geleden, terwijl we in die tijd drie keer zoveel zijn gaan verdienen. Mijn uitstoot is vergelijkbaar met die van mijn oma toen zij mijn leeftijd had, maar mijn leven is onvergelijkbaar welvarender.

Ook ons grondstoffengebruik daalt. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is de hoeveelheid grondstoffen die nodig is voor alles wat Nederlanders consumeren, van eten tot elektronica, met 30 procent afgenomen ten opzichte van vijftien jaar geleden. En ja, die statistiek houdt rekening met de ‘uitbestede’ vervuiling in het buitenland: de textielfabriek in Dhaka telt mee voor onze consumptie.

Nog spectaculairder zijn de successen bij specifieke vervuilingsbronnen. De uitstoot van zwaveldioxide, de oorzaak van de beruchte zure regen in de jaren 1990, is met ruim 90 procent gedaald sinds de jaren tachtig. Chloorfluorkoolwaterstoffen (cfk’s), die in diezelfde jaren het gat in de ozonlaag veroorzaakten, zijn vrijwel verdwenen. In beide gevallen kwam de doorbraak dankzij een combinatie van regelgeving, innovatie en welvaart. Rijkere samenlevingen bleken in staat om hun eigen vervuiling te corrigeren.

Hardnekkige daling

Niet alle problemen verdwijnen zo voortvarend. Vooral de biodiversiteit laat nog weinig tekenen van ontkoppeling zien. Ja, grote dieren als de bever, de wolf en de ooievaar keren terug, en bos– en moerasecosystemen laten herstel zien, zoals het Compendium voor de Leefomgeving rapporteert. Maar bij insecten, weidevogels en vlinders blijft de daling hardnekkig. Sommige soorten herstellen lokaal, maar veel populaties krimpen nog steeds.

Dat is belangrijk om te benadrukken en een essentiële boodschap van dit stuk: aantonen dat ontkoppeling op sommige plekken werkt, is geen aanleiding zijn tot zelfgenoegzaamheid – het is vooral een bewijs dat vooruitgang kan werken als we er op inzetten.

Nederland is niet het enige land dat ontkoppeling laat zien. Ook landen als Ierland, Nieuw-Zeeland en Singapore tonen aan dat groei en schoner worden kunnen samengaan. Zelfs China, jarenlang een van grote uitstoters van de wereld, lijkt rond 2023 de piek in CO₂-uitstoot te hebben bereikt, al is dat nog onzeker, zoals het wetenschappelijke tijdschrift Science onlangs meldde.

Ontkoppeling is dus geen utopie, maar een empirisch feit. Toch roept het idee van ontkoppeling veel weerstand en misverstanden op.

De eerste en hardnekkigste misvatting is dat ontkoppeling vanzelf gaat, dat economische groei automatisch leidt tot vergroening, of dat de markt het probleem wel oplost. Dat beeld wordt vaak in stand gehouden door politici die de taal van „groene groei” omarmen, maar de noodzakelijke keuzes uitstellen, zoals in het laatste kabinet. In werkelijkheid is het tegenovergestelde waar: ontkoppeling vraagt om richting, beleid en investeringen. Zonder stevige overheidssturing, zonder normen en infrastructuur, stokt het proces.

Daarmee valt ook de tweede helft van die misvatting: het idee dat ontkoppeling een rechts of neoliberaal project zou zijn. Juist progressieve politiek kan hier het verschil maken. Een groeiende economie is pas duurzaam als ze wordt gestuurd. Ze vraagt om actieve modernisering: investeren in schone energie, innovatie, infrastructuur, voedselvernieuwing en ruimtelijke ordening die natuur spaart. Ontkoppeling is geen pleidooi voor laissez-faire, maar voor vooruitgang met richting.

De derde grote misvatting is dat ontkoppeling op mondiale schaal niet plaatsvindt, en dat het daarom een illusie is – dat ontkoppeling dus helemaal niet bestaat. Die kritiek, bekend van degrowth-goeroes als Jason Hickel, lijkt op het eerste gezicht overtuigend. Kijk je naar het wereld als geheel, dan zie je immers dat de uitstoot nog steeds stijgt en het grondstoffengebruik toeneemt.

Maar dat wereldgetal is misleidend. De ontkoppeling die in veel welvarende landen al gaande is, verdwijnt in de ruis van een groot aantal landen dat nog niet rijk genoeg is om die omslag te maken. Zolang landen als India hun basisbehoeften nog moeten vervullen, stijgt het wereldwijde cijfer, maar dat zegt weinig over de onderliggende trend.  Het idee van ontkoppeling als duurzaamheidsstrategie is dat de hele wereld over de parabool wordt geduwd, waardoor ieder land zo welvarend wordt dat het kan en wil investeren in verduurzaming.

Het is daarbij belangrijk te beseffen dat ontkoppeling in de twintigste eeuw nauwelijks zichtbaar kon zijn. Die eeuw was een demografische anomalie: de wereldbevolking verviervoudigde, van 2 naar 8 miljard mensen. Daar viel moeilijk tegenop te innoveren. Alle potentiële ontkoppeling ging ten onder in een zee van bevolkingsgroei.

Mijn favoriete voorbeeld hiervan is de wereldwijde graanproductie. In de twintigste eeuw steeg die met 214 procent, terwijl er maar 14 procent meer land voor werd gebruikt. Dat mag geen ontkoppeling heten, maar het is natuurlijk wel een voorbode ervan. Met een afvlakkende bevolkingsgroei wordt de trend steeds beter zichtbaar.

Een belangrijk voordeel van de ontkoppelingsstrategie is dat ze aantrekkelijker is dan het oude duurzaamheidsdenken. Mensen hoeven hun levenskwaliteit niet op te offeren om duurzaam te zijn. Ze kunnen beter leven én duurzamer leven tegelijk. Dat maakt deze vorm van duurzaamheidspolitiek veel kansrijker.

De logische vervolgvraag is: hoe ziet concreet ontkoppelingsbeleid eruit op de drie van de grootste duurzaamheidsopgaven: klimaat, biodiversiteit en grondstoffengebruik?

Om klimaatverandering te keren, moeten we alle technieken benutten die werken. Niet dogmatisch, maar pragmatisch en breed. Dat betekent: zon en wind waar ze het meest renderen, maar ook kernenergie als stabiele basis, grootschalige elektrificatie van industrie en transport, en koolstofafvang (CCS) om de resterende emissies af te vangen.

En dan moeten we ook echt aan de slag om te zorgen dat die zaken er komen. Het is bijna niet voor te stellen, maar in de twintigste eeuw kwamen er gemiddeld elke dag twee stuwdammen gereed. Twee per dag! Als we zo’n bouwsnelheid weer aandurven, dan komen we ergens. Daarnaast is innovatie in waterstof, batterijopslag en synthetische brandstoffen cruciaal om de economie echt fossielvrij te maken.

Voor landbouw en biodiversiteit ligt de sleutel voor ontkoppeling in productiviteit en technologie. We moeten meer produceren met minder land, zodat er ruimte vrijkomt voor natuur. Dat vraagt om hoogproductieve landbouw, precisietechnologie, moderne biotechnologie en tegelijkertijd agro-ecologische innovaties die natuurlijke processen op de akker herstellen. Nederland kan hier het verschil maken, bijvoorbeeld met een “moonshot”-investering in precisiefermentatie en kweekvlees, waarmee we dierlijke productie deels kunnen vervangen en enorme landoppervlakten kunnen sparen voor natuur.

En wat grondstoffen betreft ligt de oplossing in slimmer én synthetischer produceren. We gebruiken steeds minder materiaal per eenheid product, omdat we lichter ontwerpen en meer functies combineren – denk aan wat ooit een kamer vol apparaten was, en nu in één smartphone past.

De toekomst ligt niet in meer ‘biobased’ verbruik van natuur, maar juist in synthetische innovatie die haar ontziet: kunstmatige materialen die sterker en schoner zijn, (bio)chemische routes die geen land of bossen vergen, recycling op atoomniveau. De trend van 30 procent minder grondstofverbruik is nog maar het begin, het doel is een economie die niet langer groeit in massa, maar in efficiëntie en waarde.

Zo wordt groei het instrument om de aarde te ontlasten.

Ander mensbeeld

Maar al deze beleidsvoorstellen zullen niet genoeg zijn als we het debat niet breder trekken. Want zelfs de beste wetenschappelijke analyses en beleidsplannen schieten tekort als we niet ook het onderliggende wereldbeeld herzien. Duurzaamheid vraagt niet alleen om nieuwe technologieën of wetgeving, maar om een culturele verandering, om een ander mensbeeld.

De afgelopen halve eeuw zijn we gaan geloven dat mens en planeet tegenover elkaar staan. Dat vooruitgang per definitie ten koste gaat van de natuur.

Die gedachte heeft ons diep gevormd. Al in de jaren negentig beschreef de Duitse socioloog Ulrich Beck hoe we veranderden van een samenleving die de toekomst als kans zag, naar een die haar vooral als risico tegemoet trad. Dat is zelfs meetbaar: taalonderzoek laat zien dat woorden als ‘vooruitgang’ en ‘toekomst’ sinds de jaren zestig sterk terrein verliezen in boeken, terwijl termen als ‘risico’, ‘dreiging’ en ‘voorzichtigheid’ juist toenemen.

Zo ontstond het idee dat de twintigste eeuw, met zijn industrie, wetenschap en modernisering, ons weliswaar welvaart bracht, maar vooral ook problemen die we nu moeten oplossen. Dat het daarom beter is afscheid te nemen van dat vooruitgangsdenken.

Maar het tegendeel is waar. Juist dat denken heeft ons ongekende problemen doen overwinnen. We hebben honger, armoede, ziekte en kindersterfte teruggedrongen. Voor de industriële revolutie haalde vier op de tien kinderen de vijf jaar niet; nu is dat wereldwijd 4 procent, en in Nederland nog maar 0,4 procent. Miljarden mensen leven langer, gezonder en veiliger dan ooit.

Natuurlijk bracht vooruitgang nieuwe uitdagingen. Maar dat is precies hoe vooruitgang werkt: we lossen problemen op, de wereld wordt beter, we krijgen nieuwe problemen, en lossen die weer op. Zo beweegt de beschaving zich al eeuwen vooruit.

Hetzelfde recept waarmee we in de twintigste eeuw onze mensproblemen overwonnen, zetten we in de eenentwintigste eeuw in voor de mens en voor planeet. Op universiteiten gebeurt dat al. Het gaat niet meer alleen om méér energie, maar om duurzame energie. Niet om hogere opbrengsten, maar om duurzame landbouw.

Het is tijd om afscheid te nemen van de misvatting dat duurzaamheid en welvaart elkaar uitsluiten. Echte duurzaamheid is geen breuk met moderniteit, maar haar volgende hoofdstuk. Ze bouwt voort op het beste van de mens: verbeeldingskracht, technologische vindingrijkheid en ons vermogen om samen te werken aan iets groters dan onszelf.

Als we dat durven, kunnen we de eerste écht duurzame generatie zijn – een generatie die welvaart en natuur met elkaar verzoent.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next