Home

Hoe moet de betonrot in de politiek worden gerepareerd? Deze boeken bieden een helpende hand

Nu de democratie op het spel staat, snellen er vanachter allerlei bureaus hulptroepen toe, om de noodklok te luiden, te analyseren, adviezen te geven. Zelfs vanuit de journalistiek wordt hulp geboden. Is dat wel een goed idee?

schrijft voor de Volkskrant over politiek Den Haag, waar hij tot 2022 verslaggever was.

Het gaat op 29 oktober in het stemhokje niet om wonen, migratie of klimaat. Het gaat zelfs niet om een keuze tussen progressief of conservatief.

Klaas Dijkhoff, VVD-leider in ruste en sindsdien fluisteraar van politiek Den Haag en diverse grote bedrijven, muntte een paar maanden geleden de inzet van de komende verkiezingen: de werkelijke strijd is die tussen democratisch en antidemocratisch – dat conservatief en antidemocratisch steeds meer samenvallen, zei hij er dan weer niet bij.

Nu de democratie op het spel staat, snellen vanachter allerlei bureaus rond het Binnenhof de hulptroepen toe. Ze luiden de noodklok, analyseren de toestand, geven adviezen en willen de helpende hand bieden.

Gewezen spindokters Roy Kramer (D66, Waarom Wilders wél wint) en Bas Erlings (VVD, Het spel van de populist) kwamen uit de coulissen om in hun boek uit te leggen hoe je Wilders, Van der Plas, De Vos en andere populisten moet bestrijden – had dat eerder gedaan denk je stiekem (of niet zo stiekem), maar vooruit.

Ook journalisten bieden hulp. Ooit waren zij degenen die uitzochten waar en waarom het verkeerd ging en daar met betrokkenen over spraken. Die taakopvatting is verruimd. Journalisten willen nu niet alleen problemen signaleren, ze werpen zich op als redders van de democratie. Zoals Sander Heijne, hoofdredacteur van Vrij Nederland, die in De meeste stemmen gelden niet op zoek gaat naar een nieuw bestuursmodel, met minder invloed van politici.

Dan zijn er zoals altijd politici (Tjeerd de Groot van D66, Henri Bontenbal van het CDA) die boeken uitbrachten over hoe het verder moet. Het gevoel van urgentie is zo hoog dat er een soort nationale discussie op papier ontstaat over het lot van onze bedreigde democratie.

De teloorgang van de democratie

‘De grootste crisis van onze tijd is de crisis van de democratie.’

Zo begint Wat iedereen aangaat – Hoe de democratie wordt afgebroken en hoe we haar vernieuwen van de jonge NRC-journalist Mark Lievisse Adriaanse, die een paar jaar de landelijke politiek volgde en daarna onderzoeksjournalist werd. Een eerste zin die herinneringen oproept aan ‘Een spook waart door Europa’, waarmee Karl Marx zijn Communistisch Manifest begon.

De teloorgang van de democratie is een wereldwijd verschijnsel. Het aantal democratieën neemt al jaren af. In veel landen die nog standhouden verdampt het democratisch gehalte. Daar volgen verkiezingen elkaar in snel tempo op, wordt de kwaliteit van controlerende instanties als media, universiteiten, vakbonden en oppositiepartijen in twijfel getrokken, staan door de staat ingestelde instanties als de rechterlijke macht, hoge colleges van staat, leger, politie of constitutioneel hof van hogerhand onder verscherpt toezicht.

‘Autocratiseren’ heet dat proces. De eerste symptomen daarvan zijn in Nederland en elders in West-Europa zichtbaar. In Oost-Europa, de Verenigde Staten en sommige landen in Zuid-Amerika is de afbraak al in volle gang.

Van de omstanders die willen bijdragen aan het herstel van de democratie is Lievisse Adriaanse het meest ambitieus. Tegelijk toont hij zich bewust van de rolvervaging waarmee zijn boek gepaard gaat. ‘Past het delen van mijn ideeën wel bij de rol die ik doorgaans heb van een verslaggever die vooral de ideeën van anderen tegen het licht houdt?’, schrijft hij in zijn inleiding. Het zijn er de tijden niet naar om je afzijdig te houden, concludeert hij. In zijn geval is dat maar goed ook.

Lievisse Adriaanse zoekt niet naar middelen om het populisme te bestrijden, ook niet naar aanpassingen in de vormgeving van onze democratie. ‘Populisten zijn slechts het symptoom, niet de ziekte zelf’, vindt hij.

Al wordt dat graag verdoezeld, ook in een democratie gaat het om macht. Die macht is de afgelopen decennia verschoven van de overheid, en dus de politiek, naar de markt en dus het bedrijfsleven. Waardoor, om zijn betoog bruut samen te vatten, de burger steeds onmachtiger werd, het gevoel kreeg dat zijn stem geen waarde had, waardoor het misschien wel een goed idee leek om dan maar te kiezen voor politici die beloofden precies te doen wat de burger wilde, zonder oog voor de consequenties. De populisten dus.

In Mont Pèlerin, op de noordoever van het meer van Genève, kwam in 1947 een gezelschap van liberale filosofen en economen bijeen. Terwijl aan de overkant van het meer werd gewerkt aan regels die het vrije verkeer van kapitaal en goederen aan banden moesten leggen om zo een herhaling van de Tweede Wereldoorlog en de Grote Depressie te voorkomen, dachten zij over een wereldorde die zou uitgroeien tot het neoliberalisme; de markt als zelfregulerend organisme.

Het duurde enkele decennia, maar uiteindelijk, in de jaren van Reagan, Thatcher en Lubbers, werden hun opvattingen dominant. Privatisering werd het panacee voor alle kwalen. Met die helikopterblik hangt Lievisse Adriaanse boven de ontwikkelingen in de westerse wereld, geregeld laat hij zich zakken om de toestand in Nederland van dichtbij te bekijken en in internationaal perspectief te plaatsen.

Uit deze analyse komen de oplossingen voort die Lievisse Adriaanse aandraagt. Er moet zoiets als ‘radicale democratie’ komen, die niet ophoudt bij de landspolitiek, maar zich uitstrekt over buurten, gemeenten en bedrijfsleven. Dat woord radicaal heeft sinds het radicale midden van het CDA en de radicale redelijkheid van D66 in de politiek nogal wat betekenis verloren. Lievisse Adriaanse wil er nieuwe invulling aan geven. Niet alleen over medezeggenschap moet opnieuw worden nagedacht, maar ook over eigenaarschap: ‘Want waarom hebben we amper macht over de plek waar we grote delen van ons leven doorbrengen?’

Waarna hij verder speculeert over ‘democratische ruimtes’: laat burgers actief meebeslissen over de buurten, scholen en bedrijven waarmee ze dagelijks te maken hebben. ‘Een democratie van onderop’, noemt hij dat. De analyse is scherp en relevant, over de oplossingsrichting kun je van mening verschillen.

Betrokkenheid van burgers vergroten

Als het over het vergroten van de betrokkenheid van burgers gaat, komen al snel burgerberaden of burgerparlementen ter tafel - vernieuwingen die Lievisse Adriaanse overigens in zijn boek niet noemt.

De discussie daarover werd aangezwengeld door de Belg David Van Reybrouck. Zijn Tegen verkiezingen, waarin hij naar oud-Grieks voorbeeld het idee van betrokkenheid van gelote burgers bij het besluitvormingsproces muntte, is twaalf jaar oud. De eerste experimenten in steden en regio’s zijn in volle gang. Eva Rovers – partner van Van Reybrouck – nam het stokje van hem over. Zij reisde langs een aantal burgerberaadproefstations en stelt vast dat er vaart moet worden gemaakt. ‘Velen van ons ontbreekt het aan democratische moed’, vindt ze. Een oproep die verwant is aan het strijdbare democratisch populisme waar Lievisse Adriaanse op hoopt.

Rovers en Lievisse Adriaanse zijn beiden oplossingsgericht, maar daar houden de overeenkomsten op. De Derde Kamer die Rovers wil introduceren, is vooral een praktisch instrument om de betrokkenheid van burgers te vergroten. Dat is ook wat ze aan ervaringen ophaalt, in Aken, Duitstalig België, Parijs, Brussel en Marseille. Deelnemers aan burgerberaden zijn met name tevreden over het feit dat ze mensen hebben leren kennen die afkomstig zijn uit andere sociale kringen dan waartoe ze zelf behoren.

De eerste lessen hebben ze geleerd: pak niet te veel problemen tegelijk aan en zorg voor goede afspraken over de vertaling van burgerberaadslagingen naar besluiten.

In het slothoofdstuk is het 2038: Nederland is het eerste land met een Derde Kamer, een burgerberaad dat initiatiefwetten mag indienen. De vorm die Rovers voor dat hoofdstuk kiest is verwarrend: ze wil van een deelnemer – thuiskapper Miranda – horen hoe zo’n Derde Kamer nou eigenlijk werkt, terwijl Rovers zichzelf met haar boeken (eerder schreef ze Nu is het aan ons) juist als deskundige en wegbereider van burgerberaden positioneert.

Thuiskapper Miranda verwacht overigens dat de Derde Kamer een temperende invloed zal hebben op de verhitte debatten in de Tweede Kamer en daarbuiten. Dat de Haagse verwarring door de toevoeging van een extra democratisch instrument nog wordt vergroot, lijkt een minstens zo aannemelijke uitkomst.

Geen actieve herinnering

Staatsrechtgeleerde Wim Voermans is een van de meest prominente politieke duiders. Als het ingewikkeld wordt – mag ex-minister Faber in haar boek uit de ministerraad klappen? – wordt hij naar de tv-studio gehaald om uit te leggen dat dit inderdaad geen pas geeft.

Actieve herinnering De normen en waarden van nog weten en vergeten belicht op een subtiele manier de mankementen in de grondvesten van onze democratie. Voermans waagt zich aan het geheugen, maar benadert dat, anders dan bijvoorbeeld geheugenexpert Douwe Draaisma, vanuit staatsrechtelijk perspectief. Hij waaiert ver uit naar hoe het geheugen werkt, hoe bij rechtszaken aan waarheidsvinding wordt gedaan, of hoe de Babyloniërs en oude Grieken hun geschiedenis vastlegden en kijkt daarbij niet op een anekdote meer of minder.

De titel suggereert het al: uiteindelijk kantelt zijn boek telkens terug naar de politiek. Voermans opent met het Kamerdebat van 1 april 2021, waarin Rutte geen ‘actieve herinnering’ had of hij degene was geweest die in de formatie over ‘positie Omtzigt, functie elders’ was begonnen.

Een politicoloog zal geneigd zijn dat debat te duiden als het moment waarop de betonrot in de politiek voor iedereen zichtbaar werd. Voermans zet het aan na te denken over herinneren en vergeten in de politiek. Immers, ‘over regels en normen betreffende herinneren en vergeten is niet zo heel veel geschreven.’

Vanuit die gedachte behandelt hij bijvoorbeeld de Rutte-doctrine, waarbij de Kamer minder zicht zou krijgen op ‘intern beraad’ van ambtenaren. ‘Zo krom als een hoepel’, oordeelt Voermans. Hij legt uit wat bewaard moet blijven volgens de Archiefwet en wat weg mag. De vernietigde sms’jes van Rutte en de zoekgeraakte whatsappjes van minister De Jonge zijn daarvan sprekende voorbeelden.

Voermans komt met zijn boek in een tijd waarin er alle reden is om aan het collectieve geheugen van politiek en ambtenarij te twijfelen. De omloopsnelheid van Kamerleden en ondersteunend personeel is enorm, topambtenaren draaien verplicht mee in een banencarrousel waarin inhoudelijke kennis van ondergeschikt belang is, er is vermoedelijk geen mens die de namen van alle ministers van het demissionaire kabinet kan opnoemen. Dan is het extra zorgelijk dat de overheid haar eigen informatiehuishouding niet op orde heeft, cruciaal voor het functioneren van de rechtsstaat.

Voermans spreekt van ‘een bende’, wat nog voorzichtig uitgedrukt is als de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed van ‘een dementerende overheid’ spreekt. Zo laat hij zien hoe de democratie zichzelf uitholt, niet alleen doordat populisme al bijna de standaardnorm van het politiek verkeer is geworden en de macht van het bedrijfsleven zich steeds moeilijker laat beteugelen, maar ook als gevolg van nonchalance, incompetentie en gebrek aan daadkracht.

Voor het bestrijden van die kwalen is meer betrokkenheid van de burger niet de oplossing. Die moet echt in Den Haag worden gevonden.

Mark Lievisse Adriaanse: Wat iedereen aangaat Hoe de democratie wordt afgebroken en hoe we haar vernieuwen. De Bezige Bij; 262 pagina’s; € 22,99.

Eva Rovers: Waarom we politiek niet alleen aan politici kunnen overlaten – Pleidooi voor een Derde Kamer. De Correspondent; 216 pagina’s; € 16.

Wim Voermans: Actieve herinnering De normen en waarden van nog weten en vergeten. Prometheus; 296 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next