Het eetcafé, dat sinds de vroege jaren tien op sterven na dood leek, maakt een comeback met het knotseenvoudige De Reiger in Amsterdam.
is culinair recensent van de Volkskrant. Ook schrijft ze over culinaire (pop-)cultuur.
Nieuwe Leliestraat 34, Amsterdam
dereigeramsterdam.nl
Cijfer: 8
Eetcafé met snacks vanaf € 4,50, voorgerechten vanaf € 6, hoofdgerechten vanaf € 15 en nagerechten vanaf € 3. Ook vega. Dagelijks open van 16 tot 1 uur.
Over zieltogende horeca is het altijd goedkoop treuren. De bruine kroeg, het Chin. Ind. Rest., de klassieke cafetaria: ze bestaan nog wel, maar niet meer in de aantallen van twintig jaar geleden. En hoewel u er waarschijnlijk, laten we eerlijk zijn, al jaren niet bent geweest, vindt u het toch jammer dat ze verdwijnen – alsof dat verdwijnen níét in direct verband staat met het wegblijven van gasten zoals daar zijn: u.
Ik moet bekennen dat ik mij in die categorie laatst betrapte op de nostalgische overpeinzing wat er toch met die goeiige, betaalbare eetcafés uit mijn studententijd is gebeurd – voor het gemak vergetend dat het zaken betreft die ik de afgelopen twintig jaar geen blik waardig heb gekeurd. Natuurlijk dacht ik soms met een vertederde weemoed terug aan de onbeperkte spareribs van De Hut (‘Lekker én Gezellig’), de slaatjes met kiwi en alfalfa bij De Gooth, of de duizenden uitgedroogde theezakjes aan het plafond van De Schutter. Feit blijft: eetcafés waren culinair matige zaken, met saaie menukaarten, inferieur plakvlees, fritessaus uit een emmer en bediening wier interesse elders lag. Echt een verlies leek het me dus niet. Tot de horeca schreeuwend duur werd, en ik door heimwee werd overvallen.
Gelukkig ben ik op mijn wenken bediend, want een groep jonge ondernemers nam onlangs de De Reiger in Amsterdam over. En ze deden dat, heel revolutionair, zonder deze om te bouwen tot natuurwijnbar, koffiezaak of small plate-situatie met Japanse invloeden. In 1983 schreef Het Parool al over dit iconische Amsterdamse eetcafé in de restaurantrubriek ‘Eten onder een geeltje’. Het betrof hier, aldus de schrijver, ‘één van de oudste lokalen van de Jordaan’. Een zoektocht in de archieven bevestigt dit; er werden doorlopend activiteiten voor buurtgenoten gehouden. Ik kom tussen 1910 en 1970 een woest uitwaaierend geheel tegen: vergaderingen van de Vrouwenbond, de Proletarische Vrijdenkers, de Vereeniging van Kanarieliefhebbers en, tijdens de oorlog, de Jeugdstorm. Daarna avond aan avond dansfeestjes, toneelverenigingen en schaakclubs. In de vroege jaren tachtig ging de zaak, schrijft Het Parool, met z’n tijd mee. Het werd een eetcafé, een nieuw type horeca waar er destijds honderden van verschenen (zie kader). Je kon er runderlappen met aardappelpuree eten, vooraf een kom kippensoep en kokosijs met pisang ambon toe – over zalige nostalgie gesproken. Het verlaagde plafond werd verwijderd, het houten buffet met spiegelwand kwam uit Parijs, net als de prachtige jugendstil lampen erboven.
Die zijn er nog steeds. Als we om half zes ’s avonds op de bonnefooi binnenwandelen, zit zowel de bar als het eetzaaltje al vol. Een ouder stel geniet van een biefstukje met een glas wijn, een dame slurpt aan de bar met haar rechterhand spaghetti naar binnen terwijl ze met haar linker haar boek vasthoudt. Twee jongetjes in voetbaltenue eten in een noodtempo hun dunne frietjes met mayo op; als hun vader een onderonsje met de barvrouw heeft, steken ze er allebei twee in hun neus.
Er is nog net een plekje aan een klein tafeltje voor in het bardeel. Dat wordt bevrouwd door een uiterst kranige leukerd van een bardame die de wind er op precies de goede manier onder heeft. Bij het indekken van de tafel – we krijgen onmiddellijk water en prima brood met boter – kijkt ze ons vorsend aan. ‘Een fluitje? Een wijntje? En willen jullie een gewone placemat, of liever lekker kleuren?’ Op de achterkant van de placemat blijkt een vrolijk cafétafereel van Donald Duck, Knabbel en Babbel en Joe Carioca te staan. Voor liefhebbers, groot of klein, wordt een grote bak kleurpotloden met een puntenslijper tevoorschijn getoverd.
De Reiger voert een overzichtelijke kaart met simpele, maar aanlokkelijke gerechten – waarbij opvalt dat usual suspects spareribs en kipsaté ontbreken. De prijzen zijn schappelijk met hoofdgerechten die beginnen bij € 15. Drie gangen voor onder de € 25 lukt nét niet – voor tomatensoep, een pasta als hoofdgerecht en een bolletje vanille-ijs toe betaal je € 26. Er zijn ook wat barsnacks als groente op zuur, grillworst en bitterballen, en naast koud pils, prima huiswijn (€ 4,25) en cider (€ 6) van de tap is er voor de liefhebber ook per glas en per fles allerlei aardigs voorradig.
We kiezen allereerst de vitello tonnato (€ 13,50) en de prei met hazelnoten (€ 9,50). Beide zijn knotseenvoudig maar hartstikke keurig uitgevoerd. De gestoofde prei is fluwelig en ligt in een dikke, zure vinaigrette, de hazelnootjes zijn even aangeroosterd. Het gul geportioneerde kalfsvlees is dungesneden en bedekt met een romige tonijnmayonaise, wat kappertjes en ook een lekkere salade met mizuna en frisée – wel jammer dat deze niet ook even is aangemaakt.
Dat blijkt een terugkerend euvel, want ook bij de kaas-preikroketjes (€ 9,50) zit een garnituur van lekker verse, maar compleet onaangemaakte sla. Ik vind dat een van de grote mysteries van de Nederlandse horeca – eten die mensen thuis ook sla zonder een beetje olie, of zelfs maar een snufje zout, vraag ik me dan af. De kroketjes zijn evenwel uitstekend, met een perfect korstje rond een heel lekkere, lopende vulling waarin ook wat kerrie is verwerkt.
De tomatensoep (€ 6), een gulle kom vol met basilicum en crème fraîche, is in eigen keuken gemaakt, maar had nog wel beter gekund. Verse soep is toch het allerlekkerst op de dag waarop hij is gemaakt, en deze heeft al wat van zijn lekker hartige tomatensmaak verloren – een zaak als deze zou zich echt kunnen onderscheiden met fantastische tomatensoep.
Om ons heen is het steeds drukker geworden, nu voornamelijk met een jonger publiek van uitgelaten twintigers die we vooral verrukkelijk uitziende gebakken kip met dragonsaus, frites en appelmoes zien eten. Wij kiezen het pasteitje met een grote berg uitstekende paddenstoelenragout, sla en frites – voor € 16,50 een koopje. De vis van de dag is met € 26 de chiquere optie: een prachtig dik stuk heilbot met goede hollandaisesaus. Hier komt een groene salade bij die gelukkig wél is aangemaakt – met vinaigrette en lekker lichte, krokante wittebroodcroutons. Uitstekend. De bavarois (€ 6,50) betreft een beeldschoon klein, parelwit puddinkje, niet te zoet, dat precies genoeg is gegeleerd om bij elkaar te blijven. Hierbij zit passievruchtcoulis uit een pak – dat vind ik altijd opzichtig naar Taxi Tropical smaken. De chocolademousse (€ 7,50) is precies wat we ervan hoopten – eenvoudig geserveerd met alleen een lik slagroom.
Wat een fijne plek om neer te strijken.
Hoewel er over de hele wereld al millennialang wordt gegeten bij het drinken en vice versa, betreft het eetcafé een jong fenomeen. Het ontstond toen de gasten van cafés vanaf de jaren zestig om meer te eten begonnen te vragen dan een gekookt ei of een bordje kaas en worst. Het was ook de tijd waarin vlees, door de opkomst van de industriële veehouderij, veranderde van een luxeproduct in dagelijkse kost die in haast ongelimiteerde porties kon worden aangeboden. Vooral in steden met een steeds uitgaanderiger jonge (studenten)populatie breidden kroegen en masse hun keuken uit. De term eetcafé duikt pas eind jaren zeventig op; De Vlaamsche Reus in Groningen lijkt in de archieven de eerste te zijn die zich zo noemt. De informele en tierige sfeer en de kaart standaardiseerden al snel, met stevige kost als spareribs, kipsaté en kaasfondue voor een lage prijs.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant