Waar lopen de correspondenten van de Volkskrant tegenaan in hun dagelijkse leven? Vandaag: Joost Bastmeijer ziet in Senegal corruptie van dichtbij, maar komt voor een verrassing te staan als hij er – met tegenzin – in meegaat.
is correspondent Afrika van de Volkskrant. Hij woont in Dakar, Senegal.
‘Rijbewijs, verzekeringspas en papieren alstublieft.’ De Senegalese motoragent die me zojuist staande heeft gehouden, kijkt streng naar mijn achterruiten. ‘En heeft u een vergunning voor de geblindeerde ramen?’ Die heb ik niet. Ik werp tegen dat de ruiten nauwelijks geblindeerd zijn, hij zwaait nota bene lachend naar mijn twee dochtertjes die hij door het glas op de achterbank ziet zitten – we zijn op weg naar school.
Dan trekt de agent zijn gezicht weer in de plooi en zucht hij theatraal. Mijn rijbewijs verdwijnt in zijn borstzak. ‘Stapt u maar uit meneer, want zonder die vergunning hebben we een groot probleem.’ Na bijna acht jaar in Afrika wonen en werken, weet ik inmiddels welk schouwspel de agent en ik nu zullen opvoeren.
Dat leerde ik vooral in mijn eerdere standplaats Nairobi, waar Keniaanse agenten bij zo’n ‘aanhouding’ regelmatig in de auto kwamen zitten. Ze dirigeerden me daarna vanaf de bijrijdersstoel naar een rustige plek voor de onderhandelingen. ‘Voor deze overtreding moet u volgende week maar naar de rechtbank’, begonnen ze dan, ‘waar de rechter de hoogte van uw straf zal bepalen.’
De eerste keer dat ik dat meemaakte, smeekte ik hevig zwetend of er echt geen andere manier was, ‘meneer agent’, waarop we dit konden oplossen? Maar ik kwam er al gauw achter dat de uitkomst van zo’n toneelstukje op voorhand vaststaat: je geeft de agent wat geld en daarmee is de kous af. Hoe langer je tegenstribbelt, hoe meer je in de regel moet betalen, alsof de agent vanaf het moment van de aanhouding als een taxichauffeur de meter aanzet.
Vervelend natuurlijk, betalen als je niets verkeerd hebt gedaan. Maar misschien kocht de agent er wel een cadeautje voor zijn kinderen voor, dacht ik in de begindagen nog naïef. Zo zit de vork echter niet in de steel: van de 20 euro die ik de agent geef, houdt hij 5 euro en gaat er twee keer 5 euro naar de twee politiebazen boven hem. Niet alleen de agent, maar het hele systeem is gecorrumpeerd.
Als ik dit soort corrupte capriolen bespreek met Nederlanders die in Afrikaanse landen voor multinationals werken, lachen ze me eerst hartelijk uit. ‘Jij schrijft toch altijd over corrupte bedrijven en regeringsleiders’, roepen zij dan, ‘maar je doet er zelf ook gewoon aan mee!’
Daarna leggen de expats vaak uit dat zij in het zakenwezen op dezelfde manier te werk gaan: als het lokale, ‘Afrikaanse’ systeem corrupt is, en jij ter plekke toch graag zaken wilt doen, moet je ‘het spel spelen volgens de lokale spelregels’. Want als jij de enige bent die niet corrupt is, is hun idee, krijg je nooit een voet tussen de deur. Corruptie, en de honderd miljard dollar die het Afrikaanse continent daardoor jaarlijks misloopt, ‘hoort er nou eenmaal bij’.
Dezelfde zakenmensen storen zich daarom aan het schadelijke ‘c-woord’, dat inderdaad regelmatig in mijn stukken opduikt. ‘In Nederland is er toch net zoveel corruptie’, roepen zij dan, ‘alleen noemen we dat daar niet zo.’ Daar hebben ze natuurlijk deels gelijk in: voor corruptie in Nederland gebruiken we vaak vriendelijkere en wolligere woorden, zoals ‘vriendjespolitiek’ of ‘nepotisme’.
Terug naar de motoragent in Dakar. Die blijft volhouden dat ik een vergunning voor mijn ‘geblindeerde’ achterruit moet hebben. We zijn nu al ruim 10 minuten aan het bakkeleien. Ik kijk naar de ongeduldig geworden meiden op de achterbank, we komen te laat voor school.
‘Alors, hoeveel wilt u van me hebben’, vraag ik abrupt. De agent reageert geschokt: zo recht voor z’n raap hoort het spel niet te gaan. ‘Ik neem uw rijbewijs en documenten in beslag’, zegt hij ambtelijk en krabbelt wat op een roze bon die hij vervolgens in mijn handen drukt. ‘U kunt de boete morgen betalen op het hoofdkantoor.’ Hij beent terug naar zijn motor.
Ik sta er perplex van. Ik ben zojuist voor het eerst officieel op de bon geslingerd. Die opwinding maakt al gauw plaats voor chagrijn: dit betekent dat me op moet maken voor een lange ochtend vol bureaucratie op het snikhete hoofdkantoor van de Senegalese politie. Had ik me nu maar aan de spelregels gehouden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant