Home

Urszula Honek schreef een luchtige roman over benauwende levens op het Poolse platteland

Urszula Honek Haar voor de International Booker Prize genomineerde roman is een prachtig geschreven mozaïekvertelling over het leven in een stil dorp in Polen.

‘Zaterdag, katverdrinkingsdag’. Welkom in Binarowa, een klein provinciestadje aan de voet van de Poolse Beskiden. Het dorp in de debuutroman Witte nachten van de Poolse Urszula Honek (1987), genomineerd voor de International Booker Prize, ademt eenzaamheid, soms door de aanwezigheid van maar een handjevol mensen, andere keren juist door de afwezigheid van wie dan ook. Beide benadrukken op een eigen, bijzondere manier een drukkend isolement. Dertien hoofdstukken vormen een mozaïekvertelling van het leven in een stil dorp „waar een hart eerder bevriest dan stilstaat”. De mensen leven in de schaduw van de overweldigende natuur. Er heerst honger, er wordt veel gewacht (op de komst van een nieuw, vruchtbaarder seizoen, op een geliefde, op verlossing), er wordt gewerkt (dieren slachten, op het land werken, houthakken, kinderen grootbrengen) en er wordt gedronken om alles te vergeten.

De seizoenen trekken, alle vier op geheel eigen, ruige wijze, hun spoor door het alledaagse leven. Wat leeft is kwetsbaar, overal dringt de vergankelijkheid zich op en zo is de dood even nadrukkelijk aanwezig als het leven zelf. Het is een acceptabel of zelfs wenselijk risico, het zoeken naar de grens, zonder flauwekul of voorzichtigheid. Bij de rivier, bijvoorbeeld: „Niks geen gepoedel tot de knie, maar erin tot aan je nek, je hoofd, verdwijnen onder water. Je moet het gewicht ervan voelen, dat het de ene keer onbehouwen is, en het je de andere keer omhelst als liefde en het aangenaam, licht wordt, en je zou kunnen sterven. Anders heeft het geen zin.”

Er komen veel vertellers aan het woord: vrouwen, mannen, kinderen. Hun lot lijkt vast te liggen: ze zijn laagopgeleid en hebben weinig mogelijkheden of ambities om hun leven drastisch te veranderen. Door een monoloog af te steken, geven ze je een inkijk in hun leven. De verhalen vormen een mozaïek, waarbij een personage dat eerder de verteller was, later als bijfiguur in een ander verhaal kan opduiken.

Putten graven

Een van hen is een jongeman die vertelt over zijn vroegere vriendschap met Andrzej en Piloot. ‘Piloot’ is de (om onduidelijke reden verkregen) bijnaam van Mariusz, die opgroeide in een huis als een gammel kippenhok. Hij is een eigenaardige jongen, mager, klein en simpel, die terwijl anderen naar school gaan, zijn tijd uitzit in een greppel. Er hangt een diepe tragiek om hem: „Had iemand hem al eens liefdevol in de armen genomen? Misschien bij zijn geboorte? Maar ook dat is niet zeker. Hij werd het huis uit gelaten als een kat, hij ging en het was niet de bedoeling dat hij terugkwam.”

Piloot probeert uiteindelijk te leven van het graven van putten. Op een zeker moment krijgt hij het idee dat hij een vijver wil, met karpers erin. Niet veel later wordt Piloot dood in zijn zelfgegraven vijver gevonden – „Hij zoop als een beest” – en de verteller constateert pijnlijk maar prachtig: „Ik vermoed dat hij uit het vliegtuig is gestapt en wilde zien wat er onder water was, zo leg ik dat aan mezelf uit; dat hij geen piloot meer wilde zijn, maar duiker wilde worden.” In zijn bijnaam zit de prachtige tegenstelling besloten van tot de lucht veroordeeld zijn en aangetrokken worden door de diepte van een vijver; precies zoals de dorpelingen vast lijken te zitten in hun rol, in hun lot, en in meer of mindere mate verlossing zoeken.

Over dit dorp kun je je afvragen of wat ze voor vergankelijkheid houden een eufemisme is voor iets kwaadaardigers, wanneer je leest dat de omgeving de ambities van de nieuwe generaties vroeg of laat de kop in drukt. Met Andrzej zal het niet veel beter aflopen en de verteller wijt het aan het dorp dat hijzelf uiteindelijk wél lijkt te ontvluchten.

Woeste natuur

Er sterven veel mensen en dieren in Witte nachten en wie leeft staat onder druk. Dan is er nog het gevaar van de woeste omgeving van het dorp. In prachtige beschrijvingen laat Honek telkens voelen hoe de natuur per moment kan verschuiven van verzengend mooi en uitnodigend naar een gevaarlijke, dreigende plek, zoals in mijn favoriete passage, waarin de moeders hun kinderen naar binnen roepen: „De stem van moeder was als een afgesproken teken dat je de bladeren en aarde van je af moest kloppen, je stokken neer moest gooien en moest hollen, zo hard je kon. De kilte van de naderende nacht blies langs je warme lichaam en het werd zo stil dat je alleen het getrappel van kleine voeten op de grond hoorde. Kinderen kwamen aangerend uit de bossen, van heuvels en velden, gelukkig en angstig dat het hun weer was gelukt om te ontkomen aan het duister.”

Er zit ook lucht in deze schetsen van benauwende levens, in de vorm van een laconieke houding; als je leeft met de dood, wordt de omgang ermee gemakkelijker: „Men zegt alleen bondig: ‘Hij is dood, zonde’, maar soms zelfs dat niet: iedereen gaat op huis aan, ze halen hun schouders op, en tot het volgende gedolven gat.” Ook komt er soms iets hoopvols naar boven, zoals in het hoofdstuk ‘Hanna’, waarin een oudere vrouw terugblikt op haar zelfmoordpoging. De natuur – met haar „witte populieren waarvan de slappe toppen door de wind alle kanten op werden gezwiept” – wordt uitermate zacht, rustgevend, haast bedwelmend opgevoerd.

Deze roman toont het dwingende feit dat mensen in een web van familieleden of dorpsgenoten dan wel sterk verbonden kunnen zijn, maar uiteindelijk altijd alleen zijn in hun gedachten. In de monologen worden de levens onder een vergrootglas gelegd. De kleine overlappingen in de verhalen zorgen voor een zoekend lezen, er zijn vlagen van herkenning die niet altijd goed te duiden zijn; een gevoel dat je het niet helemaal sluitend krijgt. Of dat uitmaakt? Niet echt. De personages lijken niet echt sleutelrollen te spelen in elkaars leven en bovendien overdondert Honek met haar prachtige taal. Wel zorgt deze structuur ervoor dat dit niet een boek is dat je in één ruk wilt uitlezen. Wellicht is het dorp zelf het belangrijkste personage, waar je met tussenpozen naar terug wil keren.

Je merkt dat je bij deze auteur in bekwame handen bent, zoals ze in ‘Overwintering’ met een verbluffende souplesse het perspectief laat verschuiven, van een kind naar de moeder, de vader, de oudere dochter, de honden, de melkboer. Er wordt geen smerigheid of narigheid geschuwd, de toon is eerlijk, soms informeel, de beschrijvingen zijn zinderend.

Maar wat misschien wel het knapst is, is dat dit boek je naar een dorp doet verlangen dat de inwoners confronteert met hun eigen kwetsbaarste kant, zoals hun eenzaamheid en beperkte mogelijkheden. Het leven is hier hard, maar Honek weet de schoonheid te laten zien van benauwende, ruwe of juist in slaap gesuste belevenissen, door de rijke taal die ze ervoor gebruikt en de krachtige sferen die ze oproept. Het geschetste dorp dient dan misschien niet de personages, maar wel de lezer. Een dorp dat in zulke taal wordt opgeroepen, daar wil je heen.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next