Home

In de Jordaan leefden rond 1850 vaak zo’n twintig mensen achter één voordeur

Geschiedenis Amsterdam was rond 1850 een buitengewoon ongezonde stad. Twee Nijmeegse historici maakten een rondgang langs de vele sterfgevallen van die tijd. Pas toen sociaal bewogen dokters zich ermee bemoeiden, begon de situatie te verbeteren.

Een eenkamerwoning zonder wc in de Tweede Looiersdwarsstraat in de Jordaan in te Amsterdam, in 1928.

Omstreeks 1850 verdronken er in Amsterdam zo’n zestig mensen per jaar nadat ze in de gracht waren gevallen. Voor een belangrijk deel dronkelappen, maar ook gewone gezonde mensen stapten in de mist of in een maanloze nacht zomaar de gracht in. Wie er levend uitkwam stierf vaak alsnog door onderkoeling of het inslikken van vervuild grachtenwater.

Nog altijd telt Amsterdam jaarlijks zo’n vijftien verdrinkingsdoden als gevolg van een val in de gracht, onder wie ruim eenderde toeristen. De stad is inmiddels in omvang zo’n vier keer groter; het aantal verdrinkingsdoden is in 175 jaar dus met een factoor vijftien gedaald. Meer en steviger brugleuningen, betere straatverlichting en snellere en adequatere hulpverlening brachten de cijfers omlaag.

Het jaar 1850 is het markante vertrekpunt voor En toen brak de pleuris uit van Owen Lammertink en Mayra Murkens, een nogal macabare rondgang langs duizenden sterfgevallen in Amsterdam, tot omstreeks 1930. Die werd mogelijk na de verwerking, door een onderzoekscollectief van de Radboud Universiteit, van de Amsterdamse ‘overlijdensregisters’, een archiefbron die lang over het hoofd was gezien. In die overlijdensregisters werd sinds 1854, op initiatief van enkele sociaal bewogen artsen, de doodsoorzaak van individuele Amsterdammers vastgelegd. Hun directe doel was het zichtbaar maken van de erbarmelijke leefomstandigheden van veel Amsterdammers, in de hoop dat er krachten los zouden komen om er wat aan te doen.

Amsterdam industrialiseerde en groeide in die jaren in een hoog tempo, en voorlopig werd de gezondheidssituatie alleen maar beroerder. Om aan die groeiende bevolking ruimte te bieden werden juist in de armere buurten steeds meer woningen opgesplitst in éénkamerappartementjes, en ook in kelders en op zolders kwamen hele gezinnen te wonen. De Jordaan werd een droeve achterbuurt; er leefden vaak 20 à 25 mensen achter één voordeur. De stad wist zich intussen geen raad met alle afval en het vuile water dat zich in de straten en grachten ophoopte. Het stonk onbedaarlijk, en het was letterlijk ziekmakend.

Cholera

In En toen brak de pleuris uitkrijgen we inzicht in een hele reeks infectieziekten die in golven de bevolking van Amsterdam teisterden en enorme aantallen slachtoffers maakten. Zoals de cholera, die in de zomer van 1866 tot 1.098 doden leidde, veelal mensen die zich ’s morgen nog kiplekker voelden, diarree kregen en het einde van de dag niet haalden. De precieze oorzaak was nog niet bekend, maar dat vervuild water of voedsel ermee te maken had, werd wel vermoed. In een stad waar het ‘schone’ water nog met schepen werd aangevoerd en in overvolle huizen stond te bederven, was de oorzaak niet zomaar weg te nemen.

Gezin in een krotwoning in de Batavierstraat waar ze met zeven mensen wonen.

Een jaar later was het roodvonk die een spoor van dood en verderf door Amsterdam trok: 400 doden. Een ziekte die door hoesten en fysiek contact werd overgebracht. Vanaf 1870 heerste in Amsterdam een pokkenepidemie die in twee jaar tijd 2.410 slachtoffers maakte, bijna één procent van de bevolking. En zo ging het maar door, in 1880 een mazelenepidemie, in 1883 een difterie-epidemie, en intussen begon ook tuberculose steeds meer rond te waren.

Lammertink en Murkens bieden niet alleen een overzicht van het steeds weer genadeloos om zich heen grijpen van al deze besmettelijke ziekten, maar staan ook regelmatig stil bij individuele slachtoffers. Hoe door het wegvallen van de kostwinner een gezin nog dieper in de armoede wegzakt, hoe vrouwen in de prostitutie belanden, drager worden van de gevreesde geslachtsziekte syfilis. Een ziekte die volgens de registers tussen 1854 en 1904 zo’n 1.700 dodelijke slachtoffers maakte. Volgens de auteurs een vertekend aantal, omdat er alles aan werd gedaan om deze ‘schande’ toe te dekken.

Betere gezondheidszorg

Dat is de meer emotionele kant van het gezondheidsdrama dat Amsterdam bijna een eeuw lang in zijn greep hield, en waar zo goed als iedereen al op jonge leeftijd mee te maken kreeg. Ziekte en dood heersten in de volkswijken in bijna ieder gezin. Dit kon niet voortduren. Het waren vooral die sociaal bewogen dokters, ook wel bekend als de ‘hygiënisten’, die het initiatief namen om niet alleen de zorg te verbeteren maar ook de oorzaken weg te nemen. En dat begon tegen het einde van de negentiende eeuw zowaar wat op te leveren. Geholpen door de snelle ontwikkelingen in de medische wetenschap werden ziekteverwekkers gevonden, therapieën en vaccins ontwikkeld, maar ook ziekenhuizen geopend, verplegend personeel opgeleid en zo nog een heel stel wezenlijke verbeteringen in de gezondheidszorg. Drijvende kracht was Samuel Sarphati, de eerste onder de hygiënisten, met zijn ongekend brede visie op de gezondheidszorg.

Sarphati zette in op betere gezondheidszorg voor de allerarmsten, maar zag ook in dat die alleen maar kon verbeteren als ook het water schoner werd, het vuil snel werd afgevoerd en mensen in betere huizen konden wonen. Zijn vooruitgangsgeloof kreeg zelfs gestalte in een broodfabriek op de Vijzelgracht, waar tegen een lage kostprijs dagelijks meer dan tienduizend broden werden gebakken.

Opvallend aan het verhaal van Sarphati is dat het gemeentebestuur er bij alle initiatieven maar wat achteraan komt hobbelen. Dat de leefomstandigheden in Amsterdam uiteindelijk verbeterden was vooral te danken aan particulier initiatief, met behalve Sarphati ook vernieuwers als Piet van Eeghen, Maurice Mendes de Leon, Catharine van Tussenbroek en Aletta Jacobs, en zo nog een heel stel doordouwers, die maakten dat Amsterdam omstreeks 1900 zelfs positief begon af te steken bij de rest van Nederland. De aanleg van een rioolstelsel, de voortgaande elektrificatie en de bouw van nieuwe en ruimere stadswijken gaf de stad lucht, en dan vooral schonere lucht.

En toen brak de pleuris uit vertelt aan de hand van die onverbiddelijke doodsstatistieken een veelzijdig verhaal over hoe een stad zich langzaam weet te genezen van zijn veel te grote vatbaarheid voor epidemieën. Dat Lammertink en Murkens de kille statistieken een gezicht hebben gegeven door ze te combineren met de levensverhalen van patiënten en hun dierbaren, met die van experimenterende dokters en verpleegkundigen, en met die van idealisten en beleidsmakers, is een geweldige prestatie. Wel had hun wat onoverzichtelijke boek nog een extra redactieslag verdiend, en dat geldt ook voor het erg slordige en onvolledige register. Maar dat doet aan de overtuigingskracht verder niets af.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next