Home

Sprankelende geschiedenis van de dynamiek tussen ‘meid’ en ‘mevrouw’ in het huishouden

Sociale geschiedenis De gedroomde negentiende-eeuwse dienstbode was vakkundig, efficiënt en geruisloos. Maar hoe was de verhouding tussen personeel en werkgever werkelijk? Caroline Hanken beschrijft de hoe de kloof tussen ‘meid’ en ‘vrouw’ steeds groter werd.

Johannes Vermeer: Dame en dienstbode (ca. 1666-1667) in de Frick Collection, New York.

Het is avond en door de gangen van een Amsterdams grachtenpand weerklinkt het geluid van een zilveren bel. Dienstbode Helena Bender (1828-1898) legt de schoen die ze aan het poetsen is neer en haast zich van de keuken naar het salon. Daar wachten haar werkgevers, Jacoba Vrolik (1832-1874) en Johan Carl Zimmerman (1828-1888), haar op. Hun verzoek: of ze hen een kopje thee kan brengen.

Helena knikt en maakt zich meteen uit de voeten. De gedroomde negentiende-eeuwse meid is immers als een ninja: vakkundig, efficiënt en geruisloos. Dag in dag uit is ze van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de weer. Schoonmaken, koken, op de kinderen passen, de was doen en thee zetten – Helena doet het allemaal. En Jacoba, die volgt haar doen en laten nauwlettend op, erop toeziend of alles wel aan haar standaarden voldoet.

Achter gesloten deuren

In Vrouw en meid. Een geschiedenis van het leven binnenshuis, 1550-1950 onderzoekt cultureel antropoloog Caroline Hanken de veranderende dynamiek tussen de dienstbode en haar ‘vrouw.’ Dat is geen gemakkelijke opgave, want hun interactie speelde zich ‘grotendeels buiten het zicht van anderen’ af.

Caroline Hanken: Vrouw en meid. Een geschiedenis van het leven binnenshuis, 1550-1950. Atlas Contact, 288 blz. € 23,99

Maar wie zoekt, die vindt. Krantenadvertenties voor dienstboden, bevolkingsregisters, schilderijen (helaas niet afgedrukt in het boek), dagboeken, ettiquetteboeken, notariële akten, schilderijen. Op overtuigende manier toont Hanken hoe al deze bronnen aanwijzingen bevatten over hoe vrouw en meid eeuwenlang samen het huishouden bestierden en hoe ze zich daarbij tot elkaar verhielden.

In het geval van Helena en Jacoba, was Helena degene die het werk uitvoerde en Jacoba de strenge toezichthoudster. Zo schreven de negentiende-eeuwse huishoudboeken het voor. Het was de taak van de dienstbode om zich ‘onzichtbaar te maken.’ Op haar beurt moest de huisvrouw zich niet ‘op ééne plaats uitsluitend zelve bezighouden, maar alle dienstboden bij hunnen arbeid gadeslaan’ en nagaan ‘óf en hóe het [werk] is volbracht.’

Hoe Jacoba en Helena zich bij deze rollen voelden, blijft een vraagteken. Wel weten we dat Helena drie jaar bij de familie in dienst bleef. Voor haar doen was dat lang, zo blijkt uit de Amsterdamse bevolkingsregisters. Twee van haar eerdere betrekkingen had ze al na negen maanden verlaten. Wellicht, zo oppert Hanken, wist Helena uit ervaring dat het gras elders niet per se groener was en besefte ze dat Jacoba het goed met haar voor had.

Er zijn wel meer vragen die onbeantwoord blijven. Maar dat is eigen aan het historische vak: vaak is een gefundeerde veronderstelling het hoogst haalbare. Op enkele zeldzame zinnen na, waarin Hanken mijns inziens iets te ver gaat in het psychologiseren van de vrouwen wier dagelijkse leven ze reconstrueert, slaagt ze er uitstekend in om de balans te vinden tussen analyse en inlevingsvermogen. Het is duidelijk dat Hanken haar metier door en door beheerst. Dat merk je ook aan haar vlotte schrijfstijl, waarmee ze vaart brengt in het verhaal, zonder aan diepgang in te boeten.

Een groeiende kloof

Helena en Jacoba zijn niet de enige dienstbode en huisvrouw met wie we in het boek uitgebreid kennismaken. Aan de hand van een reeks levendige (dubbel-)portretten, telkens afgewisseld met meer beschouwende hoofdstukken, schetst Hanken hoe de relatie tussen vrouw en meid drastisch veranderde tussen de zestiende en de twintigste eeuw. Heel kort samengevat: de kloof tussen hen werd steeds groter.

Waar het eerste beschreven duo – Trijn Hendricx en haar werkgeefster Weyn Duijf Adriaen Ockers – in de zestiende eeuw nog zij aan zij pannen schuurde, was het voor het laatste duo in het boek vanzelfsprekend dat Maria van der Ent (1900-1991), de dienstbode, het gezin van haar ‘mevrouw Stevens’ tijdens het diner op haar wenken bediende. Zo veranderde de dienstbode van een inwonend gezinslid, wiens extra paar handen zwaar werk lichter maakten, in iemand die deel uitmaakte van het inwonend personeel en herhaaldelijk de les gelezen moest worden over wat wel en niet gepast was.

Loyaal aan hun werkgeefster

Hoe duidelijk de tendens van vervreemding ook is, Hanken laat zien dat er ook constanten waren. Zo waren zowel Trijn als Maria loyaal aan hun werkgeefster. Trijn bleef dat tot haar gruwelijke executie in 1568. Ondanks de zware folteringen waaraan ze door de Raad van Beroerten werd onderworpen, hield ze de lippen stijf op elkaar over Weyns betrokkenheid bij de Beeldenstorm van de Oude Kerk in Amsterdam. Maria’s sympathie en loyaliteit ten opzichte van mevrouw Stevens sloeg uiteindelijk toch om. Hoewel ze aanvankelijk zelfvertrouwen putte uit de vele verantwoordelijkheden die ze droeg, had ze er meer en meer moeite mee dat daar nooit loonsverhoging tegenover stond. Toen Maria inzag ‘hoe scheef hun relatie in feite was,’ nam ze ontslag.

Maria’s vastbeslotenheid om in actie te komen in plaats van bij de pakken neer te blijven zitten is kenmerkend voor meerdere van de vrouwen die Hanken opvoert – zowel de dienstboden als de huisvrouwen. Dientje Auwerda (1861-1933) kaartte in 1898 tijdens het ‘dienstbodencongres’ van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid de moeilijke omstandigheden waarin zij en andere dienstboden werkten. Tonia Milgens (1881-1932) deed verslag van haar leven als dienstbode in De proletarische vrouw, het blad van de club waar niemand minder dan haar werkgeefster Mathilde Wibaut (1862-1952) voorzitter van was. En geïnspireerd door de moderne ontwerpfilosofie deed Emilie van Waveren-Resink (1877-1946) in de jaren twintig van de vorige eeuw onderzoek naar hoe het huis zo efficiënt ingericht kon worden zodat dienstboden simpelweg overbodig zouden worden.

En zo geschiedde, of toch niet? Volgens cijfers van het CBS (uit 2023) neemt de vraag naar hulp in het huishouden het laatste aantal jaren toe, vooral bij rijkere huishoudens. De positie van de hedendaagse huishoudhulp mag dan wel grondig verschillen van die van de dienstbode van weleer, zoals Hanken terecht opmerkt, het bescheiden salaris maakt haar situatie even precair.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next