Jonge egeltjes hebben het zwaar deze herfst. Er zijn weinig insecten en tuinen liggen vol steen. Stichting Snorhaar in Utrecht biedt zorg aan verzwakte en zieke egels. Vrijwilligers houden de verblijven schoon. ‘Het zijn ontzettende viezeriken.’
Met één hand aan zijn stuur en in zijn andere hand een kartonnen doos fietst een jongen in volle vaart het terrein op van Stichting Snorhaar, de wildopvang in Utrecht. In de doos ligt een egeltje, opgerold tegen een handdoek. Buiten adem vertelt Teun dat hij en zijn stiefmoeder het diertje op klaarlichte dag hebben gevonden, midden op het fietspad. Dat is opvallend, merkt een van de dierenverzorgers op. ‘Egels zijn nachtdieren. Dat deze zich zomaar liet oppakken, is zeker reden tot zorg.’
Frederike Lijffijt is een van de oprichters van de stichting die zieke en verzwakte hazen, eekhoorns, konijnen en egels opvangt. Ze doet de intake van het nieuwe egeltje. ‘Ik kijk eerst of het dier alert is, hoe het uit zijn ogen kijkt, of het zelf rechtop kan staan.’ Het beestje blijkt uitgedroogd en onderkoeld, dus de eerste zorg is om het dier stabiel te krijgen. En: het is een jongetje. ‘Zullen we hem gewoon Teun noemen?’, stelt Frederike voor. ‘De meeste mensen komen met namen als ‘Egelbert’, maar een Teun hebben we nog niet.’
Binnen hangt een scherpe geur van dieren, voeding en mest. Niet zo gek: het is dringen bij Stichting Snorhaar. Afgelopen jaar heeft de stichting 620 dieren opgevangen. Dat aantal zal dit jaar hoger liggen. Nu worden er vooral egels binnengebracht.
De egel heeft het moeilijk, aldus de Egelbescherming. De landelijke organisatie mobiliseerde eind september duizenden mensen voor de jaarlijkse egeltelling. Ze spotten samen meer dan 9.300 egels in tuinen. Een prachtig resultaat, aldus de Egelbescherming, maar toch zijn er zorgen: opvangcentra in het hele land melden veel jonge egels die een groeiachterstand hebben. Alles wijst erop dat 2025 een slecht voedseljaar voor egels is.
Wildopvang Snorhaar in Utrecht werd anderhalf jaar geleden opgericht door twee dierenliefhebbers, Frederike Lijffijt en Stef Arens. ‘Vroeger moesten mensen naar Huizen of Zoetermeer. Er was zelfs niet eens een zoogdierenopvang in de hele provincie Utrecht’, vertelt Lijffijt. De gemeente Utrecht reageerde eerst sceptisch op het plan. ‘Ze hadden vragen over de locatie, wie de organisatie ging leiden en waar we het geld vandaan zouden halen.’ Uiteindelijk kreeg de opvang een plek in het magazijn van het naastgelegen tuincentrum Steck.
In het eerste jaar wist de organisatie meer dan vijftig vrijwillige dierenverzorgers en dagcoördinatoren te werven. Inmiddels zijn er zeventig mensen bij Snorhaar actief. ‘Drie van ons doen dit werk fulltime. Eerst deden we de opvang naast onze normale baan, maar we zijn zeven dagen per week open, dus dat was niet meer te vol te houden. De anderen zijn allemaal vrijwilligers.’
Een van hen, Alice Dessens, wijst naar een van de twee couveuses in een stelling naast de ingang. ‘Dit egeltje is vanochtend binnengebracht’, vertelt ze. Het zwakke diertje loopt wiebelig rondjes, en de couveuse is van top tot teen besmeurd met natvoer. ‘Het zijn ontzettende viezeriken. Daarom maken we ook veel en vaak schoon.’
Verderop staan tientallen plastic bakken verspreid over nog eens tientallen stalen stellingen. In elke bak zit een egel verstopt. Op de quarantaineafdeling wordt extra hygiënisch gewerkt en moeten altijd een schort en handschoenen worden gedragen. Tegenover de quarantaineafdeling worden de ic-patiëntjes opgevangen. En achterin kunnen egels revalideren, met als doel zo snel mogelijk weer te worden vrijgelaten.
‘Deze egeltjes zijn geboren tussen juni en september. Normaal gesproken hebben de kleintjes dan genoeg tijd om te groeien’, zegt Dessens uit. Op de revalidatiestelling staat ‘Kleuterklas’ geschreven. De egelkleutertjes moeten uiteindelijk minimaal 600 gram wegen en gezond zijn om weer in vrijheid te kunnen leven. Sommige opgevangen egels zijn nog zo klein dat ze niet voor de winter op gewicht kunnen komen. Die kunnen bij Stichting Snorhaar overwinteren.
Egels hebben het al langer moeilijk. Door de sterke afname van insecten, onder meer door het gebruik van pesticiden in de landbouw en ook in tuinen, kunnen de jonge egeltjes ook in andere jaren niet altijd voldoende voeding vinden om gezond te groeien en zich voor te bereiden op hun winterslaap. ‘Ook is hun leefgebied kleiner geworden door verstening’, legt Dessens uit. ‘Egels kunnen hun weg niet meer vinden tussen de tuinen door en steken ’s nachts de straat over. En mensen willen tegenwoordig graag een omheining om de tuin, zoals een hek van gaas.’
Dat oprichters Lijffijt en Arens geen van beiden een specifieke dieren- of biologie-opleiding hebben, zit ze niet in de weg. ‘Uiteindelijk leer je het meeste van dag in, dag uit de dieren verzorgen’, legt Lijffijt uit. ‘Als iemand een egeltje binnenbrengt, moeten we ter plekke beslissen hoe het eraan toe is. Soms moeten we heel zwakke egeltjes laten inslapen.’
De verzorgers doen dat zelf niet, maar werken samen met Dierendokters Utrecht, die ook helpen met röntgenfoto’s en narcose. ‘De dierenarts vraagt weleens of we bij het overlijden willen zijn. Een logische vraag bij een huisdier, maar hij wilde dieren is dat echt een ander gevoel.’
‘We zouden ze het liefst allemaal weer opknappen en uitzetten in de natuur, maar in realiteit lukt dat met ongeveer 60 procent’, vertelt Arens. ‘We doen bij elk dier ons stinkende best om ze weer helemaal op te lappen. De eerste 24 uur zijn cruciaal.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant