Design Samen met oorspronkelijke gemeenschappen over de hele wereld inventariseerde ontwerper Julia Watson traditionele manieren van omgaan met water. Die blijken vaak verrassend toekomstbestendig.
Julia Watson in september vorig jaar in de Hamptons, New York.
De toekomst ligt achter ons, we moeten die alleen willen zien. Als we onze steden en landschappen weerbaar willen maken tegen de verandering van het klimaat, dan doen we er goed aan ons te verdiepen in de kennis en de wijsheid die oorspronkelijke bevolkingen, indigenous peoples, al millennia lang hebben ontwikkeld. „Van hen kunnen we leren dat we onze omgeving niet moeten willen bedwingen, maar ermee samenwerken”, zegt Julia Watson tijdens een videogesprek vanuit de VS, waar ze woont.
De Australisch-Amerikaanse Julia Watson – landschapsarchitect, activist, academicus, auteur – heeft twee boeken geschreven die allebei Lo-TEK heten. TEK staat voor Traditional Ecological Knowledge. Het eerste, uit 2019, heeft als ondertitel Design by Radical Indigenism. Het tweede, deze maand verschenen, heet Lo-TEK, Water. In samenwerking met oorspronkelijke gemeenschappen over de hele wereld heeft ze aansprekende voorbeelden verzameld van traditionele manieren van omgaan met het water in steden en op het land. Die variëren van de bruggen van gevlochten boomwortels in India tot drijvende rieten huizen in Peru, van de ‘sponssteden’ in China tot de mosselcultuur van Bretagne. In het boek laat ze ook voorbeelden zien van hedendaags gebruik van oude kennis. In plaats van een blik op de mens boven en buiten de rest van de natuur, spreekt daar een wereldbeeld uit waarin mens en natuur veel meer samen optrekken.
Het boek is prachtig uitgevoerd, met veel tekeningen en foto’s, en is ook bemoedigend: de kennis om de grote ecologische uitdagingen van nu aan te gaan is er, we moeten ons er alleen voor openstellen en er ons voordeel mee doen.
Watson is in Australië opgegroeid en studeerde daar landschapsarchitectuur, waarna ze voor haar masters naar Harvard ging. Daar heeft ze bij diverse bureaus gewerkt en gedoceerd aan o.a. de Rhode Island School of Design, Columbia en Harvard. Ze leidt ook het Lo-TEK Office for Intercultural Urbanism, een ontwerpstudio en consultancy op het gebied van ontwerpen met de natuur.
„In mijn tweede jaar volgde ik een collegereeks over ‘Aboriginal environments’. Er ging een wereld voor me open. Ik keek naar een berg bij Brisbane waarvan ik alleen de Engelse naam kende, ik wist niet dat die al 40.000 jaar vóór de kolonisatie van Australië door de Britten een heilig oord was voor First Nations en dus oorspronkelijk een andere naam had. Ik heb dat jaar besteed aan het ontdekken van allerlei verhalen over het land die ik niet kende, en het ‘ont-leren’ van de koloniale geschiedenis.”
Jawel, zegt ze, maar eerst moet je je ervan bewust zijn dat degenen die jou voorgingen, al van alles hadden verzonnen en gemaakt. „Ik heb dat ook moeten leren zien, en begrijpen dat die kennis niet ‘primitief’ is. Ik heb zelf veel les gegeven, en heb vaak gemerkt dat mijn leerlingen en studenten – net als ik toen – niets weten van de pre-moderne rituelen en een andere omgang met land en water. Ik stuur ze eropuit om zich daarin te verdiepen.”
Daarom heeft ze naast haar studio, het Lo-TEK Office for Intercultural Urbanism, vorig jaar het Lo-TEK Institute opgericht. Dat heeft een curriculum van drie jaargangen ontwikkeld voor middelbare scholieren en studenten architectuur en stedenbouw, onder de naam ‘Living Earth’.
„Door ons geloof in vooruitgang door technologie hebben we geen oog meer voor dat wat er al is. We zijn in een valse tegenstelling terechtgekomen: óf we willen de natuur overwinnen uit naam van de vooruitgang, het superiority complex, of we willen het redden, het savior complex. Lo-TEK is een beweging die daartussenin zit, die ons leert hoe we in symbiose met de natuur kunnen leven. Het is een toolkit voor de toekomst, waarbij de natuur de architect is en de mens de ingenieur.
„Het is hoog tijd dat de vakwerelden die zich met onze gebouwde omgeving bezighouden, de architecten en stedenbouwers en landschapsarchitecten, die koloniale houding laten varen en erkennen dat de traditionele kennissystemen ook innovatief zijn voor infrastructuur en klimaat.”
In haar boek behandelt Watson ook de overeenkomst die met de indigenous groepen moet worden gesloten om te voorkomen dat anderen van hun kennis profiteren. Dat is de SOU, de Smart Oath of Understanding, waarmee hun kennis niet alleen geëerd en erkend wordt, maar waarmee ook wordt afgesproken dat zij in eventuele winst zullen delen.
„80 procent van de biodiversiteit die we op onze planeet nog hebben, vind je op land waar indigenous volkeren leven. Dat bewijst dat deze oude kennis, met lage kosten en laag energieverbruik, duurzame oplossingen oplevert voor het klimaat en voor voedselproductie.”
Volgens Watson is het hoog tijd om het begrip ‘innovatie’ opnieuw te definiëren. „Innoveren is niet alleen iets nieuws verzinnen, het kan ook het integreren zijn van bestaande kennis en werkwijzen – waarvan sommige al millennia bestaan.” We hebben ons lot te veel in handen gelegd van rigide infrastructuur die tegen natuurlijke systemen ingaat, vindt zij. „De toekomst van steden, kusten en ecosystemen zal niet worden veiliggesteld door betonnen dammen en muren, maar door ons vermogen om weer te luisteren naar de oorspronkelijke architecten van veerkrachtige systemen. TEK is geen reliek van het verleden, maar een strategie voor de toekomst. De oplossingen voor de klimaatcrisis zijn er allang.”
Het is een hoopvolle boodschap, die ze in dit boek staaft met veel voorbeelden uit verleden én heden, onderverdeeld in zoet, zout en brak. Die heeft ze niet in haar eentje verzameld: tijdens de pandemie heeft ze op afstand samengewerkt met mensen uit indigenous communities in een groot aantal landen.
Een van de nieuwe toepassingen van oude technieken die Watson opvoert, is het gebruik van zeegras voor isolatie en dakdekken. De Deense ontwerpster Kathryn Larsen maakt zich sterk voor het gebruik van dit biobased materiaal, dat in Nederland in de Zuiderzee werd geoogst onder de naam ‘wier’ om dijken mee te bouwen. Het is goedkoop, heeft geen uitstoot, is brandwerend doordat het met zout uit het zeewater is geïmpregneerd en isoleert even goed als steenwol. Op het Deense eiland Læsø is er zelfs een Modern Seaweed House gebouwd van zeegras (en niet, verwarrend genoeg, van zeewier).”
„Of neem een project van de eerste vrouwelijke architect van Pakistan, Yasmeen Lari: zij heeft een prototype ontwikkeld voor prefab noodhuisjes van traditionele materialen. Het is een achthoekig geraamte van bamboe, aan de binnenkant bekleed met palmmatten en met een kegelvormig dak. Er zijn nu 40.000 van deze achthoekige OctaGreen One Room Homes in omloop. Hiermee is Pakistan het land met het grootste uitstootvrije programma voor noodhuisvesting. Intussen zijn er ook varianten die kunnen dienen als keuken, badkamer en school.
„Voor het project ‘Eden in Iraq’ is aan de oevers van de Eufraat in het zuiden van Irak een park aangelegd met een dubbelfunctie. Het water van de Mesopotamische moerassen is steeds verder vervuild geraakt. Het park biedt behalve ontspanning ook waterzuivering door planten voor zo’n tienduizend inwoners. Het is een ‘constructed wetland’, waar het vervuilde water eerst door riet passeert en daarna door een zuiveringsinstallatie, om daarna fruitbomen en struiken te irrigeren.”
Het valt niet mee om altijd positief te zijn, geeft Julia Watson toe. Maar als de pendule de ene kant op heeft gezwaaid, kan die ook de andere kant op, zegt ze. „We staan op een kruispunt. We’re drowning in information and starving for wisdom. Gaan we door met ons tegen het water te verzetten, het te willen bedwingen, of gaan we ermee samenwerken? De oplossingen zijn niet hypothetisch, ze bestaan al. We moeten er alleen naar luisteren.”
Wilgen, bekend als ‘ahuejotes’ (Salix bonplandiana) in de Chinampas in Mexico.
De Chinampas van het oude Tenochtitlan, het huidige Mexico-Stad, zijn drijvende landbouw- en watersystemen. Ze zijn rond de 12de eeuw ontwikkeld door de Azteken en nog steeds in gebruik, combineren voedselproductie met afvalwaterzuivering en klimaatregulatie. „Deze systemen zijn nog altijd van groot belang”, zegt Julia Watson. „Ze leveren cruciale diensten aan de stad.” De Chinampas zorgden niet alleen voor schoon water en voedsel, maar temperen ook de hitte, slaan CO2 op en zorgen voor werkgelegenheid voor de lokale bevolking.
Het zijn eeuwenoude ecosystemen rondom wilgenbomen die met hun wortels de bodem bij elkaar houden. En de cyclus van natuurlijke landbouw, opbloeiende en afstervende planten en afwisselende vispopulaties zorgt voor een unieke samenstelling van microben die helpen bij het voeden van de bodem en het zuiveren van het water.
Het Sangjiyutang-systeem van polders, visvijvers en met bomen beplante dijken in de delta van de Yangtse-rivier.
Al duizenden jaren is het laaggelegen deltagebied van de Yangtze-rivier in China dooraderd met polders en met moerbeibomen beplante dijken. Het Sangjiyutang-systeem – letterlijk „moerbei-visvijver” – combineert vijvers, dijken en kanalen tot een zelfvoorzienend netwerk waarin viskweek, veeteelt, landbouw en de teelt van zijderupsen elkaar aanvullen. De uitwerpselen van de rupsen voeden het ecosysteem, terwijl de moerbeibomen de dijken verstevigen. Het systeem fungeert als wateropslag, bescherming tegen overstromingen en buffer in tijden van droogte. Het ontwikkelde zich vanaf de Han-, Tang- en Song-dynastieën via grootschalige kanalisatieprojecten. Door de integratie van waterbeheer, voedselproductie, bosbouw en zijdeproductie ontstond in de 17de eeuw een bloeiende lokale economie. De Sangjiyutang-structuur geldt nog altijd als een voorbeeld van een gesloten, circulair systeem dat het landschap leefbaar maakt en de delta beschermt.
Eeuwenlang draaide alles om de productie van zijde. Nu synthetische alternatieven die markt grotendeels hebben overgenomen, is de focus verschoven naar vis- en schaaldierkweek. „Deze systemen zijn ongelooflijk opportunistisch”, zegt Julia Watson. „Ze zijn door mensen gemaakt, maar werken op een zeer verfijnde manier samen met de natuur.”
Aech-visdammen in Micronesië: bij vloed zwemmen vissen naar binnen, bij eb worden ze gevangen.
Voor de kust van het eiland Yap in Micronesië liggen honderden aech: enorme, pijlvormige visfuiken van gestapeld koraal, tot wel 200 meter lang. Ze functioneren als kunstmatige riffen en waren eeuwenlang cruciaal voor de voedselvoorziening, bescherming en sociale structuur van de Yapese-samenleving. Het aech-systeem is een eeuwenoude vismethode uit de eilanden in de Stille Oceaan. Ze dienen niet alleen om vis te vangen, maar speelden vroeger ook een cruciale rol in de bescherming van het eiland tegen vijandige invallen: kano’s van andere volkeren konden dankzij deze structuren moeilijker binnendringen. Het systeem werkt met de natuurlijke getijcycli, waarbij vissen bij vloed worden binnengeleid en bij eb gevangen blijven in speciaal aangelegde dammen.
Deze zeetuinen bieden ook bescherming tegen moderne bedreigingen zoals zeespiegelstijging en kusterosie. „Zo wordt een technologie die al 4.000 jaar oud is herontdekt om hedendaagse klimaatuitdagingen het hoofd te bieden”, zegt Watson.
Hoewel traditionele vismethoden deels verdrongen zijn door moderne technieken als hengels en netten, onderscheiden de visdammen zich doordat ze collectief bezit zijn van de gemeenschap. „De vangst wordt gedeeld, wat het sociale weefsel versterkt”, zegt Watson.
De structuren worden nu gebruikt als plekken voor experimenten met nieuwe toepassingen zoals getijdenenergie, waarmee deze oude technieken mogelijk opnieuw mee kunnen veranderen met de tijd.
Mosselpalen bij de Mont-Saint-Michel in Frankrijk.
Het begon met een schipbreuk. Volgens de overlevering spoelde in de 13de eeuw een Ierse zeeman aan in de baai bij Mont-Saint-Michel. Hij sloeg palen in de kust, aanvankelijk om met netten zeevogels te vangen om te kunnen eten, maar hij ontdekte al snel dat er zich grote hoeveelheden mosselen hechtten aan de palen.
Wat begon als een geïmproviseerd systeem, groeide uit tot een verfijnde mosselcultuur. Tegenwoordig levert het de beroemde bouchot-mosselen op – kleiner en steviger van structuur dan hun wilde soortgenoten – symbool van regionale identiteit. Ze zuiveren bovendien het water, slaan CO2 op, beschermen de kust tegen erosie en voorzien in een duurzame voedselbron.
De baai rond Mont-Saint-Michel is een beschermd natuurgebied en heeft door de nabijheid van de abdij een bijzondere status behouden. De abdij, al eeuwenlang een pelgrimsoord, gaf het landschap een zekere „heiligheid” volgens Watson. Mogelijk wist de mosselcultuur industrialisering grotendeels te ontlopen, denkt ze. „Het is levend erfgoed,”
Bouchot-mosselen hechten zich aan de door de mens aangelegde structuren bij Mont-Saint-Michel in Frankrijk.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC